Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:2321

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
C/15/342015 / FA RK 23-3360
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 815 RvArt. 10:56 BWArt. 1:87 BWArt. 1:95 BWArt. 3:194 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met vaststelling kinderbijdrage, partnerbijdrage en verdeling beperkte gemeenschap

De rechtbank Noord-Holland heeft op 6 maart 2026 de echtscheiding uitgesproken tussen partijen, gehuwd te Haarlem. De hoofdverblijfplaats van het minderjarige kind wordt bij de vrouw vastgesteld, met een zorgregeling waarbij het kind om de veertien dagen bij de man verblijft. De rechtbank heeft de kinderbijdrage vastgesteld op €517,- per maand en de partnerbijdrage op €397,- bruto per maand, rekening houdend met een fictief inkomen van de vrouw vanwege haar Ziektewet-uitkering en re-integratietraject.

De verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen is geregeld op basis van Nederlands recht en het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978. De man heeft een vergoedingsrecht van €108.979,54 op de gemeenschap wegens investering van privévermogen in de echtelijke woning, waarvan de verkoopopbrengst in depot is gesteld. Verder zijn bankrekeningen verdeeld, waarbij de vrouw inzage moet geven in haar spaarrekening. De man moet €3.000,- aan de vrouw vergoeden voor de waarde van de Volkswagen Golf 7 na aftrek van zijn vergoedingsrecht.

De rechtbank oordeelt dat de tijdens de bruiloft geschonken sieraden tot de gemeenschap behoren, maar kan geen verdeling vaststellen wegens onduidelijkheid over bezit en waarde. Het verzoek tot verdeling van het levenlanglerenkrediet wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken met vaststelling hoofdverblijfplaats, zorgregeling, kinder- en partnerbijdrage en verdeling beperkte gemeenschap met vergoedingsrechten man.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Haarlem
zaaknummer / rekestnummer: C/15/342015 / FA RK 23-3360 en
C/15/346298 / FA RK 23-5617
Beschikking d.d. 6 maart 2026 betreffende de echtscheiding
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. F. Ayar, gevestigd te Amsterdam,
tegen
[de man] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. J.M. Kers, gevestigd te Haarlem.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 11 juli 2023;
- het bericht, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 29 augustus 2023;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 26 september 2023;
- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek, tevens aanvullend verzoek, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 30 oktober 2023
- de brief, met bijlagen, van de man, ingekomen op 22 december 2023;
- het bericht, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 20 januari 2025;
- het gewijzigd zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de man, ingekomen op 29 januari 2025;
- het bericht, met bijlage, van de man, ingekomen op 29 januari 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 30 januari 2026 in aanwezigheid van partijen en hun advocaten.
1.3.
Na de mondeling behandeling van de zaak heeft, zoals ter zitting besproken, de vrouw bij bericht van 9 februari 2026 nog een bankafschrift en specificaties van haar uitkering op grond van de Ziektewet (hierna: ZW-uitkering) overgelegd. Hierop heeft de man bij brief van 9 februari 2026 gereageerd.

2.De beoordeling

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te Haarlem.
2.2.
Partijen hebben de Nederlandse en de Turkse nationaliteit.
2.3.
Het minderjarige kind van partijen is [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] (roepnaam: [de minderjarige] ).
2.4.
Scheiding
2.4.1.
Partijen verzoeken de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
2.4.2.
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide partijen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit bezaten, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
2.4.3.
Op grond van artikel 815, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv).
2.4.4.
Door partijen is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, tweede lid, Rv overgelegd. Nu partijen geen volledige overeenstemming hebben over de voorzieningen ten aanzien van [de minderjarige] is het naar het oordeel van de rechtbank voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk om een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan te overleggen.
2.4.5.
Op grond van artikel 10:56 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
2.4.6.
De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond toewijzen.
2.5.
Hoofdverblijfplaats
2.5.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar zal zijn.
2.5.2.
De man stemt in met dit verzoek van de vrouw.
2.5.3.
Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek over de hoofdverblijfplaats.
2.5.4.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw met betrekking tot de hoofdverblijfplaats als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen, nu niet is gebleken dat het belang van [de minderjarige] zich daartegen verzet.
2.6.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling)
2.6.1.
De man verzoekt een zorgregeling vast te stellen, waarbij [de minderjarige] om de week van vrijdagmiddag 15:00 uur tot maandagochtend voor school bij hem verblijft, alsmede de helft van de vakanties en (Islamitische) feestdagen in onderling overleg af te stemmen.
2.6.2.
De vrouw verzoekt dit verzoek van de man af te wijzen.
2.6.3.
Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek ten aanzien van de zorgregeling.
2.6.4.
Partijen hebben tijdens de zitting overeenstemming bereikt over de zorgregeling. Partijen hebben afgesproken dat [de minderjarige] eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de man verblijft, waarbij de man [de minderjarige] vrijdag bij school ophaalt en hem daar op maandag weer naartoe brengt. Verder hebben partijen afgesproken dat de vakanties in onderling overleg bij helfte zullen worden verdeeld en dat tijdens Nederlandse en Islamitische feestdagen de reguliere zorgregeling doorloopt.
2.6.5.
De rechtbank acht voormelde tussen partijen overeengekomen zorgregeling in het belang van [de minderjarige] en zal deze vastleggen. De rechtbank begrijpt dat de man zijn verzoek overeenkomstig de bereikte overeenstemming heeft aangepast dan wel ingetrokken.
2.7.
Onderhoudsbijdragen
2.7.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man bij vooruitbetaling:
- een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna: kinderbijdrage) van € 394,- per maand aan haar dient te betalen, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;
- een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) van € 351,- per maand aan haar dient te betalen, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht.
2.7.2.
De man verzoekt:
- een door hem aan de vrouw te betalen kinderbijdrage van € 243,- per maand vast te stellen;
- het verzoek van de vrouw om een partnerbijdrage af te wijzen.
2.7.3.
De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 van Pro de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van de verzoeken tot vaststelling van een kinder- en partnerbijdrage kennis te nemen.
2.7.4.
De rechtbank zal op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 het recht van Nederland toepassen op de verzoeken tot vaststelling van een kinder- en partnerbijdrage, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
2.7.5.
De rechtbank zal eerst het verzoek van de vrouw om een kinderbijdrage en daarna het verzoek van de vrouw om een partnerbijdrage beoordelen. De rechtbank zal de verzoeken beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het rapport van de Expertgroep Alimentatie (Tremarapport). De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen en overweegt met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten als volgt.
Kinderbijdrage
Ingangsdatum
2.7.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat de ingangsdatum van de vast te stellen kinderbijdrage moet worden bepaald op datum van de beschikking, te weten 6 maart 2026. Deze ingangsdatum neemt de rechtbank dan ook als uitgangspunt.
Behoefte
2.7.7.
Bij de berekening van de kinderbijdrage wordt eerst gekeken naar de kosten van een kind. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd.
2.7.8.
Partijen zijn in juni 2023 feitelijk uit elkaar gegaan. Het gebruikelijk inkomen van partijen voorafgaand aan dit uiteengaan is dan ook bepalend voor het berekenen van de behoefte van [de minderjarige] .
2.7.9.
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [de minderjarige] in 2023 € 746,- per maand bedroeg, geïndexeerd naar 1 januari 206 € 882,- per maand. Van deze behoefte zal de rechtbank dan ook uitgaan.
Draagkracht partijen
2.7.10.
Bij de berekening van de kinderbijdrage moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van partijen kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van partijen genoemd.
2.7.11.
Het bedrag aan draagkracht wordt volgens de richtlijn, zoals vermeld in het Tremarapport van 2026, vastgesteld aan de hand van de formule 70% van [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)]. Hierbij wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het NBI, een forfaitair bedrag van € 1.365 per maand voor de kosten van levensonderhoud en een draagkrachtpercentage van 70.
2.7.12.
Ten aanzien van de draagkracht van de vrouw overweegt de rechtbank als volgt.
2.7.13.
De vrouw ontvangt sinds 2 juni 2025 een uitkering op grond van de Ziektewet (hierna: ZW-uitkering). Blijkens de uitkeringsspecificatie van januari 2026 bedraagt deze uitkering € 314,68 bruto per maand.
2.7.14.
De man stelt dat de vrouw een hogere verdiencapaciteit heeft. De vrouw is hoog opgeleid en zou fulltime kunnen werken aangezien [de minderjarige] vijf dagen per week naar school en de BSO gaat. Dat de vrouw hiertoe medisch niet in staat zou zijn, is de man nergens uit gebleken. De man neemt voor het inkomen van de vrouw de beschikbare salarisspecificatie van juni 2023 bij haar voormalige werkgever [voormalige werkgever] tot uitgangspunt. Hieruit volgt een salaris van € 1.837,- bruto per maand op basis van een arbeidsduur van 24 uur per week. Dit inkomen heeft de man omgerekend naar een fulltime salaris en verhoogd met een salarisstijging van 5%. De man komt dan uit op een inkomen van € 3.462,- bruto per maand. Met dit fictieve inkomen dient volgens de man te worden gerekend.
2.7.15.
De vrouw betwist dat zij een hogere verdiencapaciteit heeft. Op dit moment zit de vrouw in de Ziektewet en volgt ze een re-integratietraject. In het kader van het
re-integratietraject volgt de vrouw een opleiding tot docent en loopt ze stage op een school.
Het is onzeker wanneer de vrouw weer een arbeidsinkomen gaat genieten.
2.7.16.
De rechtbank maakt uit de verklaringen van de vrouw ter zitting op dat zij op dit moment een re-integratietraject doorloopt en dat binnenkort een herkeuring zal plaatsvinden. Op vragen van de rechtbank over het verloop van het re-integratietraject, haar belastbaarheid en haar vooruitzichten in dit verband heeft de vrouw ter zitting geen duidelijkheid kunnen geven. De rechtbank heeft hierdoor onvoldoende inzicht gekregen in traject dat de vrouw doorloopt en de fase waarin zij zit. Nu de vrouw op dit moment een opleiding tot docent volgt en stage loopt op een school gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw belastbaar is voor werk. Daarbij is de vrouw ook beschikbaar voor werk aangezien [de minderjarige] doordeweeks iedere dag naar school en aansluitend naar de BSO gaat. Het voorgaande in aanmerking nemende vermoedt de rechtbank dat de vrouw binnen afzienbare tijd weer een arbeidsinkomen gaat verdienen. De rechtbank ziet gelet hierop aanleiding om bij de berekening van de draagkracht van de vrouw uit te gaan van een fictief inkomen gelijk aan het inkomen dat zij eerder bij haar voormalige werkgever [voormalige werkgever] verdiende op basis van een arbeidsduur van 24 uur per week. Van de vrouw kan naar het oordeel van de rechtbank op dit moment nog niet verwacht worden dat zij 40 uur per week gaat werken. Uitgaande van de inkomensgegevens op de beschikbare salarisspecificatie van juni 2023 en de vakantietoeslag, de aanspraak van de vrouw op het kindgebonden budget en de van toepassing zijnde heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 2.411,- per maand. Volgens de hiervoor vermelde formule heeft de vrouw dan een draagkracht van € 226,- per maand.
2.7.17.
Ten aanzien van de draagkracht van de man overweegt de rechtbank als volgt.
2.7.18.
De man is in loondienst werkzaam bij de [werkgever] . Tussen partijen is niet in geschil dat bij de berekening van de draagkracht van de man zijn salarisspecificatie van december 2025 tot uitganspunt kan worden genomen. Uit de cumulatieven op de salarisspecificatie van december 2025 volgt dat de man in 2025 een fiscaal loon heeft genoten van € 75.035,50. Dit cumulatieve bedrag omvat alle salariscomponenten. Aan de hand van dit inkomen en rekening houdend met de van toepassing zijnde heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2026 op € 4.295,- per maand. Volgens de hiervoor vermelde formule heeft de man dan een draagkracht van € 1.149,- per maand.
2.7.19.
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 1.375,- per maand. Dit bedrag overschrijdt de behoefte van [de minderjarige] en daarom is er aanleiding om een draagkrachtvergelijking te maken. Het eigen aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] bedraagt € 737,- per maand en het eigen aandeel van de vrouw in de kosten van de [de minderjarige] bedraagt € 145,- per maand.
Zorgkorting
2.7.20.
Bij het bepalen van de door de man te betalen kinderbijdrage dient in beginsel rekening te worden gehouden met de zorgkorting, te weten de kosten die hij maakt in verband met de omgang tussen hem en [de minderjarige] .
2.7.21.
De rechtbank stelt vast dat [de minderjarige] op grond van de hierboven vastgestelde zorgregeling gemiddeld 1,9 dagen per week bij de man verblijft. Gelet hierop houdt de rechtbank conform het Tremarapport rekening met een zorgkorting van 25% van de behoefte van [de minderjarige] . De zorgkorting beloopt dan een bedrag van € 220,- per maand. De man wordt geacht dit bedrag minimaal te besteden aan [de minderjarige] bij de uitoefening van zijn zorgtaken.
Conclusie
2.7.22.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de man met ingang van 6 maart 2026 bij vooruitbetaling een kinderbijdrage van € 517,- per maand aan de vrouw dient te voldoen.
Partnerbijdrage
Ingangsdatum
2.7.23.
De rechtbank zal de ingangsdatum van de partnerbijdrage bepalen op de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, nu dit uit de wet voortvloeit.
(Aanvullende) behoefte vrouw
2.7.24.
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de vrouw aan de hand van de hofnorm in 2023 € 2.605,- netto per maand bedroeg, geïndexeerd naar 1 januari 2026 € 3.082,- netto per maand.
2.7.25.
Op deze behoefte dienen de eigen inkomsten van de vrouw in mindering te worden gebracht.
2.7.26.
Uitgaande van de onder overweging 2.7.16 genoemde fictieve inkomensgegevens van de vrouw en rekening houdend met de van toepassing zijnde heffingskortingen resteert een aanvullende behoefte van de vrouw aan een partnerbijdrage van € 1.171,- netto per maand, dan wel € 1.971,- bruto per maand.
Draagkracht man
2.7.27.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de man over voldoende draagkracht beschikt om bij te dragen in de aanvullende behoefte van de vrouw.
2.7.28.
Het bedrag aan draagkracht wordt volgens de richtlijn, zoals vermeld in het Tremarapport van 2026, vastgesteld aan de hand van de formule 60% [NBI – (NBI x 0,3 + 1.365)]. Hierbij wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het NBI, een forfaitair bedrag van € 1.365 per maand voor de kosten van levensonderhoud en een draagkrachtpercentage van 60.
2.7.29.
Voor de berekening van de draagkracht van de man hanteert de rechtbank het inkomen van de man zoals genoemd onder overweging 2.7.18. Uitgaande van dit inkomen en rekening houdend met de van toepassing zijnde heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 4.295-. Volgens de hiervoor vermelde formule heeft de man dan een draagkracht van € 985,- per maand. Na aftrek van de bijdrage van de man in de behoefte van [de minderjarige] (inclusief zorgkorting) van € 737,- per maand, resteert een beschikbare draagkracht voor het betalen van een partnerbijdrage van € 248,- netto per maand, dan wel € 397,- bruto per maand.
Conclusie
2.7.30.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een partnerbijdrage van € 397,00 bruto per maand aan de vrouw moet betalen.
2.8.
Verdeling
2.8.1.
Partijen verzoeken beiden om de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen te verdelen, waarbij zij ieder een eigen (wijze van) verdeling voorstaan. Verder stelt de man dat bij de verdeling rekening moet worden gehouden met vergoedingsrechten.
2.8.2.
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.
2.8.3.
Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing.
2.8.4.
Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.
2.8.5.
Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna meer dan één nationaliteit gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, eerste lid, van het Verdrag. In dat geval kan ingevolge de hoofdregel van artikel 15, tweede lid, van het Verdrag geen aanknoping worden gezocht bij een van die nationaliteiten.
2.8.6.
Partijen hebben hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd.
2.8.7.
Nu geen van de uitzonderingen van artikel 4, tweede lid, van het Verdrag zich heeft voorgedaan, werd krachtens het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van het Verdrag vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het recht van de eerste gewone verblijfplaats, te weten het recht van Nederland, van toepassing op het huwelijksvermogensregime.
2.8.8.
Dit recht is daarop nog steeds van toepassing.
2.8.9.
De rechtbank stelt vast dat partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben laten opstellen en dat zij na 1 januari 2018 zijn getrouwd. Dat betekent dat voor hen de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen geldt.
2.8.10.
De huwelijksgemeenschap van partijen is door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding ontbonden op 11 juli 2023 (de peildatum). Dat betekent in beginsel dat alle goederen die al vóór het huwelijk samen van partijen waren en alle goederen die zij tijdens het huwelijk en voor de peildatum hebben verkregen, moeten worden verdeeld. Van de schulden die al vóór het huwelijk gezamenlijk van partijen waren en alle schulden die zij tijdens het huwelijk en voor de peildatum zijn aangegaan, moet worden vastgesteld wie in de onderlinge verhouding welk deel daarvan moet dragen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van feitelijke verdeling.
2.8.11.
De rechtbank zal de door partijen naar voren gebrachte bestanddelen die volgens hen of één van hen in de verdeling dienen te worden betrokken, hierna afzonderlijk bespreken.
Echtelijke woning
2.8.12.
Tot de gemeenschap behoorde de echtelijke woning aan de [adres] . Deze woning is inmiddels verkocht en op 4 januari 2026 geleverd aan derden. De verkoopopbrengst bedroeg na aftrek van de hypothecaire geldlening bij de Rabobank en de verkoopkosten € 108.979,54. Dit bedrag is in depot gesteld bij de notaris.
2.8.13.
De man is van mening dat het bedrag van € 108.979,54 volledig aan hem toekomt. Hiertoe stelt de man dat hij een bedrag van € 114.772,- aan privévermogen heeft geïnvesteerd in de echtelijke woning. Bij de aankoop van deze woning heeft de man dit bedrag overgemaakt aan de notaris. Het bedrag was volgens de man afkomstig uit de overwaarde van de verkoop van de woning aan de [adres] , welke woning al voor het huwelijk van partijen uitsluitend zijn eigendom was. Na toepassing van de beleggingsleer op de investering van zijn privévermogen komt de man tot de conclusie dat hij een vordering heeft op de gemeenschap van € 108.979,54.
2.8.14.
De vrouw betwist het door de man gestelde vergoedingsrecht. De vrouw stelt dat de woning aan de [adres] alleen op naam van de man stond, omdat de vrouw een BKR-registratie had. De intentie van partijen was echter altijd dat deze woning gezamenlijk was. Het klopt volgens de vrouw ook niet dat de man de woning aan de [adres] alleen heeft gekocht. Om de aankoopkosten te kunnen betalen heeft de man een bedrag van € 12.500,- geleend van de vader van de vrouw. Daarnaast heeft de vrouw voordat de man de woning aankocht meerdere malen geld naar hem overgemaakt. In de periode van 27 maart 2017 tot en met [huwelijksdatum] ging het om een bedrag van € 3.950,-. De vrouw acht het niet redelijk en billijk als de man een vergoedingsrecht zou toekomen.
2.8.15.
De rechtbank stelt op grond van de akte levering registergoed vast dat de woning aan de [adres] voorafgaand aan het huwelijk door de man is gekocht en op 15 januari 2018 aan hem is geleverd. Hiermee is de man eigenaar geworden van deze woning. Ook de hypothecaire geldlening ten behoeve van de aankoop van de woning is enkel door de man aangegaan. De vrouw heeft naar het oordeel van de rechtbank haar stelling dat zij in deze woning heeft geïnvesteerd met privévermogen onvoldoende onderbouwd. Uit de stukken maakt de rechtbank weliswaar op dat op 9 oktober 2016 een bedrag van in totaal € 12.500,- op een bankrekening van de man is gestort door een onbekende afzender en dat de vrouw in de periode van 27 maart 2017 tot en met [huwelijksdatum] een bedrag van in totaal € 3.950,- op een bankrekening van de man heeft gestort, maar bij betwisting door de man kan de rechtbank niet vaststellen dat deze bedragen vervolgens zijn geïnvesteerd in de woning aan de [adres] . Dit heeft de vrouw niet aangetoond. De vrouw heeft geen andere rechtsgronden aangevoerd die zouden kunnen leiden tot de conclusie dat de woning aan [adres] gezamenlijk eigendom was. De woning aan de [adres] is in 2023 verkocht en de overwaarde van € 114.738,42 betrof gelet op het voorgaande privévermogen van de man. De man heeft naar het oordeel van de rechtbank met de door hem overlegde bankafschriften en nota van afrekening van de woning aan de [adres] inzichtelijk gemaakt dat deze overwaarde vervolgens is geïnvesteerd in de woning aan de [adres] . Dit betekent dat de man op grond van artikel 1:95, tweede lid, BW een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap die gelet op artikel 1:87, tweede en derde lid, BW moet worden vastgesteld aan de hand van de beleggingsleer. De man heeft onbetwist gesteld dat zijn vergoedingsrecht op grond van de beleggingsleer € 108.979,54 bedraagt. Dit betekent dat de man een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap voor een bedrag van € 108.979,54, welk bedrag dient te worden voldaan uit de in depot gestelde verkoopopbrengst van de woning aan de [adres] . Van de verkoopopbrengst resteert dan geen bedrag meer dat tussen partijen bij helfte zou moeten worden verdeeld.
2.8.16.
De man heeft ter zitting aangegeven dat hij bij toewijzing van voormeld vergoedingsrecht zijn verzoek om de vrouw te veroordelen tot betaling van het door hem voorgeschoten aandeel van de vrouw in de gemeenschappelijke woonlasten van de echtelijke woning intrekt. Gelet op het voorgaande beschouwt de rechtbank dit verzoek van de man dan ook als ingetrokken.
Bankrekeningen
2.8.17.
De rechtbank stelt vast dat in ieder geval de volgende bankrekeningen met de volgende saldi aanwezig waren op de peildatum 11 juli 2023:
- [rekeningnummer] op naam van de vrouw met een saldo van € 48,32
- [rekeningnummer] op naam van de man met een saldo van € 3.255,-
- [rekeningnummer] op naam van de man met een saldo van € 239,-
2.8.18.
Tussen partijen is niet in geschil dat het saldo op voormelde bankrekening van de vrouw aan haar moet worden toebedeeld, onder de verplichting om de helft van het saldo op 11 juli 2023 aan de man te vergoeden, te weten € 24,16. Tijdens de zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij naast deze betaalrekening ook een spaarrekening heeft. De vrouw heeft echter niet, zoals ter zitting besproken, ook een afschrift van de spaarrekening overgelegd waaruit het saldo op 11 juli 2023 volgt. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de vrouw inzage aan de man moet geven in het saldo op haar spaarrekening op 11 juli 2023 en dat een positief saldo bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld en dat een negatief saldo bij helfte door partijen moet worden gedragen.
2.8.19.
Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de saldi op de bankrekeningen van de man aan hem worden toebedeeld. Partijen verschillen echter van mening over de hoogte van de te verdelen saldi.
2.8.20.
De man stelt dat de saldi op zijn bankrekeningen op 11 juli 2023 slechts bij helfte dienen te worden verdeeld voor zover dit het bedrag van € 2.605,- overstijgt. In dit verband licht de man toe dat hij bij aanvang van het huwelijk op [huwelijksdatum] reeds een bedrag van € 2.605,- op zijn bankrekening met het nummer [rekeningnummer] had staan. Dit bedrag betreft volgens de man privé vermogen dat buiten de verdeling dient te blijven. De vrouw is van mening dat de saldi op de bankrekeningen van de man op 11 juli 2023 wel degelijk bij helfte tussen partijen dienen te worden verdeeld. Volgens de vrouw spaarden partijen op de bankrekening van de man met het nummer [rekeningnummer] en heeft zij gedurende het huwelijk meermaals geld naar deze rekening overgemaakt.
2.8.21.
De rechtbank stelt op grond van het door de man overgelegde afschrift van de bankrekening op zijn naam met nummer [rekeningnummer] vast dat het saldo op deze rekening op 15 oktober 2018 en dus ten tijde van het aangaan van het huwelijk met de vrouw, € 2.605,- bedroeg. Dit saldo betrof daarom in beginsel privé vermogen van de man, welk vermogen niet in de wettelijk beperkte gemeenschap valt. De stelling van de vrouw dat deze rekening tijdens het huwelijk van partijen een spaarrekening was waar partijen samen op spaarden doet hier niet aan af nu verkregen vermogen vanaf de datum van het huwelijk wel in de gemeenschap valt. Dit betekent dat het saldo op de bankrekening slechts voor zover dat meer bedraagt dan € 2.605,- in de gemeenschap is gevallen. Nu de saldi op de bankrekeningen van de man op 11 juli 2023 in totaal € 3.494,- bedroegen, dient slechts een saldo van € 889,- bij helfte tussen partijen te worden verdeeld. De man dient dan ook de helft van dit saldo aan de vrouw te vergoeden, te weten een bedrag van € 444,50.
Auto
2.8.22.
Tussen partijen is niet in geschil dat de auto van het merk Volkswagen Golf 7 met kenteken [kenteken] tot de beperkte gemeenschap behoorde en dat de man deze auto op 11 juni 2025 bij [autobedrijf] heeft ingeruild voor een bedrag van € 11.750,-
2.8.23.
De vrouw is van mening dat de man de helft van de waarde van de Volkswagen
Golf 7 aan haar dient te vergoeden. De waarde van de auto moet volgens de vrouw worden bepaald op de peildatum voor de omvang van de gemeenschap, te weten 11 juli 2023. Sinds het feitelijk uiteengaan van partijen in juni 2023 heeft de man de auto immers feitelijk alleen in gebruik gehad. De vrouw stelt dat de waarde van de auto op dat moment € 14.000,- bedroeg. Ter onderbouwing heeft de vrouw een advertentie van [autobedrijf] overgelegd waarin de Volkswagen Golf 7 die van partijen was wordt aangeboden voor een prijs van € 16.495,-. Volgens de vrouw dient de man haar dan ook een bedrag van € 7.000,- te vergoeden.
2.8.24.
De man is van mening dat voor de waarde van de Volkswagen Golf 7 moet worden uitgegaan van de inruilwaarde op 11 juni 2025 van € 11.750,-. Voorts stelt de man in dit verband een vergoedingsrecht op de gemeenschap te hebben van € 8.000,-. De man licht toe dat hij voorafgaand aan het huwelijk op 4 augustus 2016 een Volkswagen Golf 6 met kenteken [kenteken] had aangeschaft. Deze auto stond in verband met schadevrije jaren op naam van de vader van de man, maar de man was de eigenaar. Op 10 oktober 2019 is deze auto bij de aankoop van de Volkswagen Golf 7 ingeruild tegen een waarde van € 8.000,-, welke waarde is geïnvesteerd in de Volkswagen Golf 7. Aangezien de Volkswagen Golf 6 behoorde tot het privé vermogen van de man stelt hij een vordering te hebben van € 8.000,-. Volgens de man dient hij na aftrek van dit vergoedingsrecht nog een bedrag van € 1.875,- aan de vrouw te vergoeden.
2.8.25.
De vrouw betwist het door de man gestelde vergoedingsrecht. Volgens de vrouw was de Volkswagen Golf 6 eigendom van de vader van de man en stond de auto op zijn naam geregistreerd. Het was volgens de vrouw ook de vader van de man die de Volkswagen Golf 7 op 10 oktober 2019 heeft gekocht waarbij de Volkswagen Golf 6 is ingeruild voor € 8.000,-.
Partijen hebben deze auto nadien overgenomen van de vader van de man. Pas op 3 maart 2023 is de Volkswagen Golf 7 op naam van de man geregistreerd nadat de volledige koopsom aan de vader van de man was betaald.
2.8.26.
Ten aanzien van de waarde van de Volkswagen Golf 7 overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat een auto een gebruiksgoed is waarvan de waarde als gevolg van dat gebruik daalt. Nu de man de Volkswagen Golf 7 sinds het feitelijk uiteengaan van partijen in juni 2023 alleen in gebruik heeft gehad, zal de rechtbank voor wat betreft de waarde aansluiten bij de peildatum voor de omvang, te weten 11 juli 2023. De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen naar het oordeel van de rechtbank mee dat de waardedaling na deze datum alleen voor rekening komt van de man. Uit de door de vrouw overgelegde verkoopadvertentie van [autobedrijf] blijkt dat de Volkswagen Golf 7 na inruil op 11 juni 2025 werd aangeboden voor een prijs van € 16.495,-. De rechtbank ziet hierin aanleiding om voor de waarde van deze auto op 11 juni 2023 uit te gaan van de door de vrouw gestelde waarde van € 14.000,-.
2.8.27.
Ten aanzien van het door de man gestelde vergoedingsrecht van € 8.000,- overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt op grond van de factuur van [autobedrijf] van 10 oktober 2019 vast dat de man de Volkswagen Golf 7 heeft gekocht en dat deze auto aan de man is geleverd. Gelet hierop is de man op dat moment eigenaar van deze auto geworden. Dat de Volkswagen Golf 7 pas op 3 maart 2023 op naam van de man is geregistreerd maakt dit niet anders aangezien de tenaamstelling in het kentekenregister geen bewijs van eigendom oplevert. Bij de aankoop van de Volkswagen Golf 7 is de Volkswagen Golf 6 ingeruild voor een bedrag van € 8.000,-. De rechtbank acht aannemelijk dat de Volkswagen Golf 6 voorhuwelijks privé vermogen van de man betrof. Tussen partijen is immers niet in geschil dat deze auto er al voor hun huwelijk was en de rechtbank vindt het onwaarschijnlijk dat de man een auto van zijn vader heeft ingeruild voor een auto waarvan de man eigenaar is geworden. Dat de Volkswagen Golf 6 stond geregistreerd op naam van de vader van de man maakt dit niet anders aangezien zoals reeds eerder overwogen de
tenaamstelling in het kentekenregister geen bewijs van eigendom oplevert. Dit betekent dat de man een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap van € 8.000,-.
2.8.28.
Gelet op het voorgaande dient de man na aftrek van zijn vergoedingsrecht van € 8.000,- nog een bedrag van € 3.000,- aan de vrouw te vergoeden in verband met de waarde van de Volkswagen Golf 7.
Sieraden
2.8.29.
De vrouw stelt dat tijdens de bruiloft van partijen diverse sieraden zijn geschonken door familie en vrienden. Aan de vrouw zijn geschonken 11 armbanden, 7 gouden ringen, een parelketting, 1 armband met gouden munt, een gouden ketting van 1,5 meter lang, 2 kettingen met munten en 2 sets (ketting, armband en oorbellen). Aan de man zijn geschonken 1 gouden armband en 1 gouden gebedssnoer. Dat deze sieraden zijn geschonken blijkt volgens de vrouw ook uit videobeelden van de bruiloft. Na de bruiloft zijn de sieraden opgeborgen in een kluis. De vrouw geeft aan dat zij op 15 juni 2023 bij de kluis is geweest om één armband op te halen om te dragen tijdens een bruiloft. Deze armband heeft de vrouw nadien weer aan de man gegeven om terug te leggen in de kluis. Vervolgens is de man op 21 juni 2023 als laatste bij de kluis geweest en heeft hij volgens de vrouw alle sieraden meegenomen. De vrouw verzoekt te bepalen dat de aan haar geschonken sieraden tot haar privévermogen behoren en dat de man deze sieraden aan haar dient af te geven dan wel te bepalen dat de man de waarde hiervan aan haar dient te vergoeden. Indien wordt geoordeeld dat de sieraden in de gemeenschap vallen, verzoekt de vrouw de man te bevelen om de helft van de sieraden aan haar af te geven dan wel te bepalen dat de man de helft van de waarde van de sieraden aan haar vergoedt. De vrouw verzoekt aan de nakoming hiervan door de man een dwangsom te verbinden.
2.8.30.
De man stelt dat er tijdens de bruiloft sieraden aan partijen gezamenlijk zijn geschonken en dat deze sieraden na de bruiloft zijn opgeborgen in een kluis. De man betwist dat hij de sieraden uit de kluis heeft meegenomen. Volgens de man heeft de vrouw de kluis op 15 juni 2023 bezocht om sieraden op te halen die zij nodig had voor een bruiloft. Toen de man nadien op 21 juni 2023 de kluis bezocht trof hij een lege kluis aan. Volgens de man heeft de vrouw de sieraden uit de kluis ontvreemd. De man verzoekt te bepalen dat de vrouw de helft van de tijdens de bruiloft geschonken sieraden aan de man afgeeft dan wel de helft van de waarde van deze sieraden aan hem vergoedt.
2.8.31.
De rechtbank is van oordeel dat de tijdens de bruiloft van partijen geschonken sieraden in de gemeenschap vallen en dus moeten worden verdeeld. De vrouw heeft gelet op de gemotiveerde betwisting door de man onvoldoende onderbouwd dat er tijdens de bruiloft sieraden exclusief aan haar zouden zijn geschonken en haar privé eigendom zijn. Weliswaar kan het naar Turks recht of gebruik zo zijn dat de sieraden de vrouw toekomen, maar de rechtbank moet hier oordelen naar Nederlands recht. Partijen wonen in Nederland, zij hebben (ook) de Nederlandse nationaliteit en zij zijn hier getrouwd. Het is naar Nederlandse maatstaven gebruikelijk dat cadeaus die worden geschonken tijdens een bruiloft beide echtgenoten toekomen. Daarmee zijn de sieraden tot de beperkte gemeenschap gaan behoren. Aan het verzoek van de vrouw om de man te bevelen videobeelden van de bruiloft die hij in bezit heeft beschikbaar te stellen, komt de rechtbank niet toe.
2.8.32.
De vervolgvraag is hoe de sieraden moeten worden verdeeld. In beginsel komt ieder van partijen de helft van (de waarde van) de sieraden toe. De rechtbank kan echter niet vaststellen om welke sieraden het gaat. De opsomming van de sieraden door de vrouw wordt immers door de man betwist. Verder is het voor de rechtbank volstrekt onduidelijk wie de sieraden thans in zijn of haar bezit heeft. Partijen beschuldigen elkaar over en weer van het ontvreemden van de sieraden uit de kluis en de rechtbank kan niet beoordelen wie er gelijk heeft. Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet overgaan tot verdeling van (de waarde van) de sieraden. De verzoeken van partijen daartoe zullen dan ook worden afgewezen. De rechtbank merkt hierbij nog op dat de partij die in het kader van een verdeling een goed verzwijgt, zijn aandeel in dit goed verbeurt aan de andere partij (artikel 3:194, tweede lid, van het BW).
Levenlanglerenkrediet
2.8.33.
De vrouw stelt dat zij voor het huwelijk een levenlanglerenkrediet heeft afgesloten en dat zij ook tijdens het huwelijk vanuit dit krediet bedragen heeft ontvangen van DUO. Volgens de vrouw staat er nog een bedrag van € 9.967,06 open van deze schuld. De vrouw verzoekt te bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplicht zijn voor deze schuld.
2.8.34.
De man stelt zich op het standpunt dat het levenlanglerenkrediet een voorhuwelijkse schuld van de vrouw betreft en buiten de beperkte gemeenschap valt. Volgens de man blijkt nergens uit dat de vrouw dit krediet is aangegaan tijdens het huwelijk van partijen en wat de hoogte van de schuld op de peildatum 11 juli 2023 is.
2.8.35.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond of en zo ja, in hoeverre het levenlanglerenkrediet een huwelijkse schuld betreft. Gelet op de stelling van de vrouw betreft een deel van dit krediet wellicht een huwelijkse schuld waarvoor beide partijen draagplicht zijn, maar het lag gelet op de betwisting door de man op de weg van de vrouw om dit inzichtelijk te maken en te onderbouwen met stukken. Weliswaar heeft de vrouw een schermafbeelding van dit krediet in het geding gebracht, maar hieruit blijkt niet wanneer het krediet door haar is ontvangen en welk bedrag op de peildatum 11 juli 2023 nog open stond. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw ten aanzien van het levenlanglerenkrediet afwijzen.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [huwelijksdatum] ;
3.2.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , bij de vrouw zal zijn;
3.3.
stelt de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [de minderjarige] vast:
- [de minderjarige] verblijft eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de man, waarbij de man [de minderjarige] vrijdag bij school ophaalt en hem daar op maandag weer brengt;
- de vakanties worden in onderling overleg bij helfte tussen partijen verdeeld;
3.4.
bepaalt dat de man met ingang van 6 maart 2026 bij vooruitbetaling een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] van € 517,- per maand aan de vrouw dient te betalen;
3.5.
bepaalt dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand bij vooruitbetaling een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 397,- per maand aan de vrouw dient te betalen;
3.6.
bepaalt dat de man een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap voor een bedrag van € 108.979,54 in verband met zijn investering met privévermogen in de echtelijke woning van partijen aan de [adres] , welke bedrag dient te worden voldaan uit de in depot gestelde verkoopopbrengst van de echtelijke woning;
3.7.
deelt het saldo van de bankrekening [rekeningnummer] , op naam van de vrouw, aan de vrouw toe, onder de verplichting om een bedrag van € 24,16 aan de man te voldoen wegens overbedeling;
3.8.
bepaalt dat de vrouw inzage aan de man moet verschaffen in het saldo op haar spaarrekening met onbekend nummer op 11 juli 2023 en dat een positief saldo bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld en dat een negatief saldo bij helfte door partijen moet worden gedragen;
3.9.
deelt de saldi van de bankrekeningen [rekeningnummer] en [rekeningnummer] , op naam van de man, aan de man toe, onder de verplichting om een bedrag van € 444,50 aan de vrouw te voldoen wegens overbedeling;
3.10.
bepaalt dat de man nog een bedrag van € 3.000,- aan de vrouw dient te vergoeden in verband met de waarde van de Volkswagen Golf 7 met kenteken [kenteken] ;
3.11.
verklaart deze beslissing, behoudens de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad;
3.12.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.C. Horio op 6 maart 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv Pro openlijk bekend is gemaakt.