Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:2284

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
11740114
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verhuisvergoeding en schadevergoeding wegens niet-naleving verhuisvoorwaarden en geen onrechtmatig handelen werkgever

De zaak betreft een oud-werknemer die aanspraak maakt op een overeengekomen verhuisvergoeding en een schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatigheden van zijn werkgever bij standplaatswijzigingen.

De werknemer trad in 2019 in dienst en kreeg in 2020 een aanbod met een verhuisvergoeding gekoppeld aan een verhuizing naar de regio Haarlem/Alkmaar uiterlijk 1 februari 2021. Hoewel hij de vergoeding ontving, verhuisde hij pas na beëindiging van het dienstverband daadwerkelijk. Daarnaast vordert hij schadevergoeding voor huurkosten en psychische schade, stellende dat de werkgever hem niet tijdig informeerde over de overname en standplaatswijzigingen.

De werkgever voert verweer dat de verhuisvergoeding aan een harde verhuisvoorwaarde was verbonden en dat de werknemer niet tijdig verhuisde. Ook is er geen sprake van onrechtmatig handelen of schending van de mededelingsplicht, aangezien de werkgever pas na het aangaan van de huurovereenkomst op de hoogte was van de overnameplannen en geheimhouding gold.

De rechtbank oordeelt dat de verhuisvergoeding terecht is geweigerd omdat de werknemer niet aan de verhuisvoorwaarde voldeed. De schadevorderingen worden afgewezen omdat geen onrechtmatig handelen is vastgesteld en de psychische klachten onvoldoende onderbouwd zijn. De werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen tot verhuisvergoeding en schadevergoeding worden afgewezen wegens niet-naleving van verhuisvoorwaarden en ontbreken van onrechtmatig handelen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11740114 \ CV EXPL 25-2197 (NE)
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. H. Quasem,
tegen
de besloten vennootschap HALLO, NEDERLAND B.V.,
te Alkmaar,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Hallo,
gemachtigde: mr. L.D. Brouwer.
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de vraag of een oud werknemer recht heeft op een verhuisvergoeding en schadevergoeding. De gevorderde verhuisvergoeding word afgewezen, omdat niet aan de voorwaarden voor deze vergoeding is voldaan. De gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen, omdat niet is gebleken van onrechtmatigheden of schending van de eisen van goed werkgeverschap.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 juni 2025
- de conclusie van antwoord
- het tussenvonnis van 10 september 2025
- de brief van 5 augustus 2025 met een aanvullende producties van [eiser]
- de e-mail van 29 januari 2026 met een aangepaste dagvaarding van [eiser]
- de mondelinge behandeling van 29 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] , geboren op [geboortedatum] , is op 11 november 2019 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (van rechtswege eindigend op 12 mei 2020) in dienst getreden bij [bedrijf] in de functie van Support Specialist met standplaats Den Haag en een loon van € 2.250,00 bruto per maand.
2.2.
[bedrijf] heeft begin 2020 het besluit genomen tot een bedrijfsverhuizing van Den Haag naar Enschede en [eiser] een aanbod gedaan voor een arbeidsovereenkomst per 1 mei 2020 voor onbepaalde tijd en onder andere een salaris van € 2.750,00 bruto per maand en een verhuisvergoeding van € 1.500,00 netto. [eiser] heeft het aanbod geaccepteerd en verbleef vanaf 1 mei 2020 bij zijn zus in Hengelo. [bedrijf] heeft aan [eiser] de verhuisvergoeding betaald.
2.3.
[eiser] heeft met ingang van 31 juli 2020 een huurovereenkomst gesloten voor een huurwoning in Hengelo.
2.4.
[bedrijf] heeft op 4 december 2020 aan [eiser] bekendgemaakt dat zij zal worden overgenomen door Hallo en dat dit leidt tot een wijziging van de standplaats van [eiser] per 1 februari 2021 naar Alkmaar. [bedrijf] en [eiser] zijn op die datum een verhuisvergoeding van
€ 1.500,00 netto overeengekomen. Aan de verhuisvergoeding is als voorwaarde gesteld dat [eiser] uiterlijk per 1 februari 2021 een (tijdelijk) woonadres heeft gekozen in de regio Haarlem/Alkmaar.
2.5.
Op 10 december 2020 heeft de levering van de aandelen van [bedrijf] aan Hallo plaatsgevonden.
2.6.
Daarna is de standplaats van [eiser] opnieuw gewijzigd, ditmaal naar Barendrecht. Tussen partijen is daarom op 14 juli 2021 (ingaande per 1 juni 2021) een nieuwe arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten met daarin Barendrecht als standplaats. Op grond van deze arbeidsovereenkomst is [eiser] werkzaam in de functie van Servicedesk Engineer en bedraagt het loon € 3.000,00 bruto per maand. Artikel 19 van Pro deze arbeidsovereenkomst luidt
“alle overige bepalingen in de met jou eerder gesloten arbeidsovereenkomst en aanvullende addenda komen met het tekenen van deze arbeidsovereenkomst te vervallen”.
2.7.
[eiser] is tot in het voorjaar van 2022 blijven wonen in Hengelo en werkte één dag in de week in Barendrecht. De rest werkte hij thuis.
2.8.
Op 21 maart 2022 heeft [eiser] zijn dienstverband met Hallo opgezegd met ingang van 1 mei 2022. In de opzeggingsbrief bedankt [eiser] Hallo voor de tijd die zij in hem heeft gestoken en voor de prettige samenwerking en ziet hij ernaar uit in de toekomst iets voor elkaar te kunnen betekenen.
2.9.
[eiser] heeft op 13 april 2022 verzocht om toekenning van de in december 2020 overeengekomen verhuisvergoeding. Hallo heeft dat verzoek afgewezen en onder andere aan [eiser] bericht dat de verhuizing uiterlijk per 1 februari 2020 had moeten plaatsvinden en die termijn ruimschoots is verstreken.
2.10.
Op 21 januari 2023 heeft een juridische fusie plaatsgevonden met als verkrijgende rechtspersoon Hallo en als verdwijnende rechtspersoon [bedrijf] .
2.11.
[eiser] heeft per brief van 23 april 2024 aan Hallo laten weten dat hij als gevolg van het onrechtmatig handelen van [bedrijf] schade heeft geleden en heeft Hallo verzocht binnen veertien dagen een voorstel tot schadevergoeding te doen. Hallo heeft hierop per brief van 8 mei 2024 afwijzend gereageerd. Ook de daaropvolgende correspondentie tussen partijen heeft niet tot een oplossing geleid.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van Hallo tot betaling van € 25.711,93 (hoofdsom van € 22.079,96, buitengerechtelijke incassokosten van € 935,80 en wettelijke rente van € 2.696,17), vermeerderd met verdere rente en proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiser] maakt in de eerste plaats aanspraak op de met hem overeengekomen verhuisvergoeding van € 1.500,00. Aan hem is expliciet toegezegd dat hij zijn aanspraak daarop niet zou verliezen als hij niet tijdig aan de verhuiseis kon voldoen. Dit blijkt ook uit het feit dat [eiser] na 1 februari 2021 zijn werkzaamheden grotendeels vanuit huis mocht verrichten. Verder vordert [eiser] vergoeding van door hem geleden schade. [bedrijf] en haar rechtsopvolger Hallo zijn schadeplichtig, omdat [bedrijf] in strijd met de verplichting van goed werkgeverschap dan wel onrechtmatig heeft gehandeld door [eiser] niet tijdig en volledig te informeren over het overnamebesluit en de gevolgen daarvan voor zijn standplaats. [bedrijf] was hiervan al in augustus 2020 op de hoogte en heeft [eiser] pas in december 2020 geïnformeerd. [eiser] moest verhuizen voor zijn werk naar Hengelo en is in september 2020 feitelijk verhuisd, terwijl [bedrijf] in de periode augustus/september al wist of had moeten weten dat [eiser] na verkoop van het bedrijf weer zou moeten verhuizen. Dit heeft geleid tot kosten voor [eiser] die hadden kunnen worden voorkomen. De schade van [eiser] bestaat dan ook uit de kosten voor tijdelijke huisvesting in Hengelo van achttien maanden huur van in totaal € 14.579,96. Daarnaast is er sprake van psychische schade begroot op twee maandlonen van in totaal € 6.000,00.
3.3.
Hallo voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Hallo voert het volgende aan. [eiser] heeft geen recht op de verhuisvergoeding, omdat hij niet is verhuisd en dus niet is voldaan aan de voorwaarde voor deze vergoeding. Hallo betwist dat een toezegging aan [eiser] is gedaan. Dat blijkt niet uit de overgelegde stukken en bij Hallo is ook niets bekend over een toezegging. Ook het feit dat [eiser] vier dagen per week vanuit huis werkte en één dag op kantoor leidt niet tot de conclusie dat een toezegging is gedaan. Dat laat alleen zien dat Hallo flexibel is omgegaan met de reisafstand en aan [eiser] tegemoet wilde komen. Daarbij is op 14 juli 2021 een nieuwe arbeidsovereenkomst tot stand gekomen. Van [eiser] werd niet meer verlangd te verhuizen en in artikel 19 van Pro deze arbeidsovereenkomst is opgenomen dat de eerdere arbeidsovereenkomst en aanvullende addenda komen te vervallen.
Een grondslag voor vergoeding voor gemaakte huurkosten en psychische schade ontbreekt. Ten tijde van de standplaatswijziging naar Enschede op 1 mei 2020 wist [bedrijf] nog van niets. Er was nog geen sprake van een concreet besluit of zelfs maar van een overname-initiatief van [bedrijf] door Hallo. Er was dus ook niets om mee te delen. De eerste oriënterende gesprekken zijn begonnen in augustus 2020, waarbij geheimhouding werd overeengekomen, en die gesprekken hebben pas in oktober 2020 geleid tot een niet bindende term sheet die afhankelijk was van een aantal voorwaarden. Uiteindelijk heeft eerst op 10 december 2020 een aandelenoverdracht plaatsgevonden. Vlak daarvoor heeft [bedrijf] [eiser] geïnformeerd. Van schending van de mededelingsplicht, goed werkgeverschap of onrechtmatig handelen is dan ook geen sprake.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

[eiser] heeft geen recht op een verhuisvergoeding
4.1.
Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of [eiser] nog recht heeft op de verhuisvergoeding die op 4 december 2020 is overeengekomen. Deze vordering heeft [eiser] gebaseerd op de schriftelijke afspraak tussen partijen en een latere mondelinge toezegging. De toezegging blijkt volgens [eiser] ook uit het feitelijk handelen van [bedrijf] daarna, omdat hij na de standplaatswijziging grotendeels vanuit huis mocht werken. Hallo heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. De kantonrechter volgt dat verweer van Hallo. Dit wordt als volgt toegelicht.
4.2.
De verhuisvergoeding is toegekend onder de expliciete voorwaarde van verhuizing uiterlijk per 1 februari 2021. Dat vereist dus een daadwerkelijke verhuizing. Aan deze voorwaarde heeft [eiser] niet voldaan. Tijdens de zitting heeft [eiser] verklaard dat hij op 2 juni 2022 bij de gemeente aangifte van verhuizing heeft gedaan en rond die datum van Hengelo naar Haarlem is verhuisd. [eiser] is dus de gehele resterende duur van zijn arbeidsovereenkomst in Hengelo blijven wonen en is pas verhuisd nadat de arbeidsovereenkomst als gevolg van zijn opzegging was beëindigd. Aan de voorwaarde van verhuizing uiterlijk op 1 februari 2021 (of überhaupt gedurende het dienstverband) is dan ook niet voldaan.
4.3.
[eiser] meent toch recht te hebben op de verhuisvergoeding vanwege een mondelinge toezegging dat de uiterlijke verhuisdatum geen harde voorwaarde is. Hallo heeft deze toezegging betwist. Het is daarom aan [eiser] de gestelde toezegging concreet met stukken en relevante feiten en omstandigheden te onderbouwen. Dat heeft hij niet gedaan. De toezegging blijkt in ieder geval niet uit het feit dat [eiser] na de standplaatswijziging vanuit huis mocht werken. Daaruit blijkt slechts dat de verhuisplicht is losgelaten, maar daaruit blijkt niet dat [eiser] desondanks aanspraak behield op de verhuisvergoeding.
4.4.
Ook staat aan toewijzing van de vordering van [eiser] in de weg dat hij heeft ingestemd met een nieuwe arbeidsovereenkomst per 1 juni 2021. Op basis van artikel 19 van Pro deze arbeidsovereenkomst vervallen alle bepalingen in de eerder gesloten arbeidsovereenkomst en aanvullende addenda, dus ook de afspraken over de verhuisvergoeding. Dit leidt tot afwijzing van de gevorderde verhuisvergoeding.
Geen sprake van schending van de zorgplicht of onrechtmatig handelen
4.5.
[eiser] vordert verder vergoeding van zijn schade bestaande uit huurkosten vanwege een niet noodzakelijke verhuizing. Volgens [eiser] was hij niet verhuisd naar de huurwoning in Hengelo als hij tijdig op de hoogte was gesteld van de overname en heeft hij daarom onnodige kosten gemaakt. [eiser] heeft aan deze vordering schending van de zorgplicht, strijd met goed werkgeverschap en onrechtmatig handelen ten grondslag gelegd. Hallo heeft deze vordering gemotiveerd betwist en ook hierin kan Hallo worden gevolgd. Nergens is uit gebleken dat [bedrijf] al wetenschap had van de sluiting van de vestiging in Enschede vóór de standplaatswijziging per 1 mei 2020. Er is ook geen grond voor het oordeel dat [bedrijf] [eiser] (bewust) onjuist of onvolledig heeft geïnformeerd of dat [bedrijf] eerder dan op 4 december 2020 was gehouden hem op de hoogte te stellen van de aandelenovername door Hallo en de daaruit voortvloeiende standplaatswijziging. Hallo heeft met stukken onderbouwd dat ruim na de standplaatswijziging naar Hengelo per 1 mei 2020 en na het tekenen van de huurovereenkomst door [eiser] op 31 juli 2020 de eerste oriënterende gesprekken over een overname zijn begonnen. Dat was pas in augustus 2020. Toen is ook een geheimhoudingsverklaring getekend op grond waarvan [bedrijf] geen mededelingen mocht doen. [eiser] is in september 2020 verhuisd naar de door hem gehuurde woning, maar toen was nog geen sprake van een concreet voorgenomen overnamebesluit. Pas in oktober 2020 is een term sheet getekend met voorwaarden voor een beoogde overname. Op dat moment was een overname echter nog afhankelijk van de uitkomst van onder andere een due diligence onderzoek. Dit was ver na de standplaatswijziging en [eiser] was toen al lang en breed verhuisd. Van een schending van de mededelingsplicht, strijd met goed werkgeverschap of een onrechtmatige daad is dan ook geen sprake. Dat [bedrijf] een collega op 14 augustus 2020 zou hebben laten weten dat er een mogelijkheid voor een overname bestond, maakt dit niet anders. Op [bedrijf] rustte op dat moment geen verplichting [eiser] daarvan op de hoogte te stellen.
4.6.
Ook vordert [eiser] vergoeding van psychische schade bestaande uit een burn-out en angstklachten. [eiser] heeft voor deze vordering dezelfde juridische grondslagen en feiten en omstandigheden aangevoerd. Hiervoor is al geoordeeld dat deze niet slagen. Reeds daarom wordt deze vordering afgewezen. Bovendien is voor immateriële schadevergoeding [1] alleen plaats als [bedrijf] dan wel Hallo het oogmerk had om nadeel aan [eiser] toe te brengen of als [eiser] lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Er is dus meer nodig dan enkel psychisch onbehagen zoals stress als gevolg van de standplaatswijzigingen. Met de door hem overgelegde huisartsenverklaring heeft [eiser] dit niet onderbouwd. Daaruit blijkt juist dat ook zijn verloving en werkdruk tot burn-out klachten hebben geleid. Hoewel het begrijpelijk is dat [eiser] als gevolg van de standplaatswijzigingen waarmee hij herhaaldelijk is geconfronteerd, stress heeft ervaren, is dit onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een aantasting in zijn persoon die aanspraak geeft op immateriële schade.
Nevenvorderingen
4.7.
De afwijzing van de vorderingen van [eiser] tot betaling van de verhuiskostenvergoeding en schade leidt ertoe dat ook de gevorderde wettelijke rente en vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.
4.8.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Hallo worden begroot op:
- salaris gemachtigde
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
122,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.276,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.276,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Slijkhuis en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek.