ECLI:NL:RBNHO:2026:2246

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
C/15/375088 HA RK 26-34
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvorderingartikel 5 lid 2 onder g van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Noord-Holland
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking rechter wegens vermeende partijdigheid niet ontvankelijk verklaard

Verzoekster heeft op 25 februari 2026 een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. M.W. Koenis, de behandelend rechter in een civiele hoofdzaak. Het verzoek was gebaseerd op de herhaalde aanwijzing van dezelfde rechter in een zaak waarbij een bepaalde naam in de achtergrond voorkomt, wat volgens verzoekster de schijn van partijdigheid wekt.

De wrakingskamer oordeelt dat het verzoek te laat is ingediend, aangezien verzoekster al op 13 februari 2026 op de hoogte was van de aanwijzing van de rechter. Daarnaast is het verzoek ongemotiveerd omdat de interne aanduiding van de zaak niet aan de rechter kan worden toegerekend en er geen concrete gronden zijn voor de vrees van partijdigheid.

Daarom wordt verzoekster niet ontvankelijk verklaard in haar wrakingsverzoek. Bovendien wordt geoordeeld dat zij misbruik heeft gemaakt van het wrakingsmiddel, waardoor een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling zal worden genomen. De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die was ten tijde van het verzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet ontvankelijk verklaard wegens te late en ongemotiveerde indiening, en een volgend verzoek wordt niet in behandeling genomen.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummer: C/15/375088 HA RK 26-34
Beslissing van 25 februari 2026
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoekster] ,
gevestigd te Rotterdam, kantoorhoudende te Schiphol-Rijk,
verzoekster,
Het verzoek is gericht tegen:
mr. M.W. Koenis,
hierna te noemen: de rechter.

1.Procesverloop

1.1.
Verzoekster heeft op 25 februari 2026 schriftelijk de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team Handel, Kanton & Insolventie, locatie Haarlem aanhangige zaak met als zaaknummer 11156877 CV EXPL 24 3834, hierna te noemen: de hoofdzaak. De mondelinge behandeling in de hoofdzaak staat gepland op 25 februari 2026 om 13.30 uur.
1.2.
De rechter heeft niet in de wraking berust.
1.3.
De wrakingskamer heeft op grond van de hierna opgenomen overwegingen besloten geen datum te bepalen voor een mondelinge behandeling van dit verzoek en bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.

2.Het standpunt van verzoekster

2.1.
Verzoekster heeft ter onderbouwing van het verzoek het volgende aangevoerd.
Verzoekster acht het opvallend dat binnen korte tijd opnieuw dezelfde rechter is aangewezen in een zaak waarbij de naam [naam 1] in de achtergrond voorkomt. Daarom heeft verzoekster op 25 februari 2026 om 10.04 uur telefonisch contact opgenomen met de rechtbank en gevraagd waarom opnieuw mr. Koenis is toegewezen als behandelend rechter. Aan verzoekster is door de mederwerker van de griffie teruggekoppeld dat het gaat om ‘de [naam 1] zaak’ en ‘declaratie zaak [naam 2] ’. Tevens werd medegedeeld dat het planbureau de zaak inplant en dat verzoekster om vervanging kan vragen of kan wraken.
De interne aanduiding “de [naam 1] zaak” personaliseert het geschil en suggereert dat de zaak binnen de rechtbank niet uitsluitend als een civiel declaratiegeschil tussen procespartijen wordt benaderd, maar mede als een persoonsdossier dat aan een naam wordt gekoppeld. In samenhang met de omstandigheid dat de rechter opnieuw als behandelend rechter is aangewezen, wekt deze typering bij verzoekster de objectief gerechtvaardigde vrees dat de behandeling niet onbevangen zal plaatsvinden, althans dat de schijn van partijdigheid bestaat. Het vertrouwen van verzoekster in een onafhankelijke en onpartijdige beoordeling door de rechter is hierdoor geschaad.

3.De beoordeling

3.1.
Aan het wrakingsverzoek ligt ten grondslag dat de rechter opnieuw een zaak behandelt waarbij de naam [naam 1] in de achtergrond voorkomt. Al bij brief van 13 februari 2026 is aan verzoekster medegedeeld dat deze rechter de zaak ter zitting zal behandelen. Het heden ingediende verzoek is daarom niet ingediend zodra die omstandigheid bekend werd en is daarom te laat (art. 37 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering). Na het bekend worden met de feiten of omstandigheden die grond geven voor de wraking is weliswaar een korte periode van beraad mogelijk, maar gelet op de periode van anderhalve week is niet aan het vereiste van tijdigheid voldaan. Verzoekster zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek.
3.2.
Ten overvloede overweegt de wrakingskamer als volgt. Voor zover als grond is aangevoerd dat de zaak intern zou zijn aangeduid als "de [naam 1] zaak" is dat niet een grond die op de rechter betrekking heeft en gesteld noch gebleken is dat de aan de griffie toegeschreven aanduiding aan de rechter moet worden toegerekend. Het verzoek is daarom niet gemotiveerd. Verzoekster heeft geen gronden aangevoerd waaruit blijkt dat de vrees bestaat dat onpartijdigheid van de rechter in het geding is.
3.3.
De inhoudelijke beslissing op voormeld verzoek zou daarom niet anders luiden dan dat het kennelijk ongegrond zou zijn. Aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek op een zitting komt de wrakingskamer echter niet toe, gelet op het onder 3.1 overwogene.
3.4.
Nu verzoekster het wrakingsverzoek niet alleen te laat, maar ook ongemotiveerd heeft ingediend, is de wrakingskamer van oordeel dat verzoekster misbruik heeft gemaakt van het middel van wraking. De wrakingskamer bepaalt daarom dat een volgend verzoek van verzoekster tot wraking van de rechter niet in behandeling zal worden genomen (artikel 5 lid 2 onder Pro g van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Noord-Holland).

4.Beslissing

De rechtbank
4.1.
verklaart verzoekster in haar verzoek tot wraking van de rechter niet ontvankelijk,
4.2.
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoekster in de hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen,
4.3.
beveelt de griffier onverwijld aan verzoekster, de rechter en wederpartij in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,
4.4.
beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. Wolfs, voorzitter, mr. R.H.M. Bruin en mr. C.S. Schoorl, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. I. Mehagnoul, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.