ECLI:NL:RBNHO:2026:2224

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
15/226650-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 243 SrArt. 36f SrArt. 38v SrArt. 38w SrArt. 342 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevangenisstraf voor gekwalificeerde opzetverkrachting met dwang en geweld

De rechtbank Noord-Holland heeft op 5 maart 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van gekwalificeerde opzetverkrachting van zijn echtgenote op of omstreeks 20 augustus 2025 te Hoorn. De tenlastelegging omvatte seksuele handelingen met dwang, geweld en bedreiging, waaronder het binnendringen van de vagina met vingers en het duwen van de penis tegen de vagina en mond van het slachtoffer.

De rechtbank heeft het primair ten laste gelegde feit bewezen verklaard op basis van de consistente en gedetailleerde verklaringen van het slachtoffer, ondersteund door geluidsopnamen, getuigenverklaringen, vastgestelde letsels bij beide partijen en bevindingen van verbalisanten. De verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven en zijn wisselende verklaringen werden door de rechtbank als ongeloofwaardig verworpen.

De rechtbank kwalificeerde het bewezenverklaarde als gekwalificeerde opzetverkrachting en achtte de verdachte strafbaar. Gelet op de ernst van het feit en de gevolgen voor het slachtoffer, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 40 maanden op, met aftrek van voorarrest. Daarnaast werden vrijheidsbeperkende maatregelen opgelegd, waaronder een contact- en locatieverbod voor twee jaar.

De benadeelde partij vorderde €7.500,- immateriële schadevergoeding wegens psychische gevolgen. De rechtbank kende een bedrag van €5.000,- toe, gebaseerd op de Rotterdamse Schaal, en legde een schadevergoedingsmaatregel op. De overige vordering werd afgewezen. De verdachte werd veroordeeld tot betaling van dit bedrag met wettelijke rente en in de kosten van de benadeelde partij.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 40 maanden gevangenisstraf en opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen wegens gekwalificeerde opzetverkrachting.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/226650-25 (P)
Uitspraakdatum: 5 maart 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 februari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1996 te [geboorteplaats],
nu gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad en aldaar ingeschreven op het adres
(1551NG) Westzaan, Smeet 1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.I, Lommers en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.C. Pedrotti, advocaat te Hoorn, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
primairhij op een of meerdere tijdstip(pen) of omstreeks 20 augustus 2025 te Hoorn, althans in Nederland, met een persoon, te weten: [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het een en/of meermalen:
- stoppen van zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [slachtoffer] en/of
- stoppen en/of duwen van zijn, verdachtes, penis in/tegen de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of
- stoppen en/of duwen van zijn, verdachtes, penis in/tegen de mond van die [slachtoffer]
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak
en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door het een en/of meermalen:
- slaan en/of stompen in/tegen het gezicht en/of tegen het hoofd en/of elders tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of
- trekken aan de haren van die [slachtoffer] en/of
- op de grond slaan en/of duwen van het hoofd van die [slachtoffer] en/of
- leggen van zijn, verdachtes, hand op de mond van die [slachtoffer] en/of
- (om)draaien van de hand en/of de vingers van die [slachtoffer] en/of
- vastgrijpen en/of dichtdrukken van de keel en/of de hals en/of de nek van die [slachtoffer] en/of
- vasthouden van de handen en/of de armen en/of elders aan het lichaam van die [slachtoffer] en/of via fysiek overwicht die [slachtoffer] in bedwang houden en/of
- uittrekken van de onderkleding van die [slachtoffer] en/of
- toevoegen van de woorden (in het Arabisch) aan die [slachtoffer]: "Doe jouw benen open, ik ben jouw man" en/of "Doe jouw mond open", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;
subsidiairhij op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 20 augustus 2025 te Hoorn, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een persoon, te weten: [slachtoffer], een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak en deze poging tot opzetverkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en/of volgen door dwang, geweld en/of bedreiging,
- heeft geslagen en/of gestompt in/tegen het gezicht en/of tegen het hoofd en/of elders tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of
- heeft getrokken aan de haren van die [slachtoffer] en/of
- het hoofd van die [slachtoffer] op de grond heeft geslagen en/of heeft geduwd en/of
- zijn, verdachtes, hand op de mond van die [slachtoffer] heeft gelegd en/of
- de hand en/of de vingers van die [slachtoffer] heeft (om)gedraaid en/of
- de keel en/of de hals en/of de nek van die [slachtoffer] heeft vastgegrepen en/of heeft dichtgedrukt en/of
- de handen en/of de armen en/of elders aan het lichaam van die [slachtoffer] heeft vastgehouden en/of via fysiek overwicht die [slachtoffer] in bedwang heeft gehouden en/of
- de onderkleding van die [slachtoffer] heeft uitgetrokken en/of
- die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd (in het Arabisch): "Doe jouw benen open, ik ben jouw man" en/of "Doe jouw mond open", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of
- met zijn, verdachtes, penis tegen de mond en/of de lippen van die [slachtoffer] heeft geduwd en/of
- met zijn, verdachtes, penis tegen de vagina van die [slachtoffer] heeft geduwd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiairhij op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 20 augustus 2025 te Hoorn, althans in Nederland, [slachtoffer], heeft mishandeld, door een en/of meermalen:
- te slaan en/of te stompen in/tegen het gezicht en/of tegen het hoofd en/of elders tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of
- te trekken aan de haren van die [slachtoffer] en/of
- het hoofd van die [slachtoffer] op de grond te slaan en/of te duwen en/of
- de hand en/of vingers van die [slachtoffer] om te draaien en/of
- de keel en/of de hals en/of de nek van die [slachtoffer] vast te grijpen en/of dicht te drukken,
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn echtgenote.

2.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs integraal moet worden vrijgesproken. Op het verweer van de raadsvrouw zal hierna, voor zover van belang, verder worden ingegaan.
3.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat. De rechtbank zal hierna uiteenzetten hoe zij tot deze beslissing is gekomen
Inleidende opmerkingen over het bewijs
Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans laten kenmerken door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele gedragingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. In de onderhavige zaak is dat ook het geval. Ook in deze zaak staat de belastende verklaring van de aangeefster namelijk tegenover de ontkennende verklaring van de verdachte.
Het bewijs dat een verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, mag niet uitsluitend gebaseerd worden op de betrouwbaar geachte verklaring van één getuige (artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv)). De rechter kan dus niet tot een bewezenverklaring komen indien de door de aangeefster genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Dit betekent echter niet dat voor ieder onderdeel van een tenlastelegging meer bewijs moet zijn dan op basis van de verklaring van één getuige. De bepaling heeft namelijk betrekking op de tenlastelegging als geheel en niet op elk onderdeel daarvan. Onderdelen van het ten laste gelegde feit kunnen daarom wel worden bewezen op grond van de enkele verklaring van een aangeefster, als die verklaring in zijn geheel op specifieke punten wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Op grond van vaste rechtspraak in specifiek zedenzaken kan een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de verklaring van een aangeefster voldoende wettig bewijs opleveren. Dit steunbewijs moet afkomstig zijn uit een andere bron en in voldoende duidelijk verband staan met de verklaring van de aangeefster.
Verder geldt dat de wet niet voorziet in een toetsingskader voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring. De rechtspraak biedt wel criteria voor deze beoordeling. In de eerste plaats komt belang toe aan de consistentie, gedetailleerdheid en volledigheid van de verklaring. Daarnaast kan worden getoetst aan gegevens uit objectieve bronnen en kan meewegen of de inhoud van de verklaring, gelet op de vastgestelde omstandigheden, plausibel is. Ook kan bij de beoordeling worden betrokken of er omstandigheden aannemelijk zijn geworden die mogelijk van beslissende invloed zijn op (de betrouwbaarheid van) de verklaring. Dan valt bijvoorbeeld te denken aan de eigen betrokkenheid bij het ten laste gelegde feit of een belang of motief om niet overeenkomstig de waarheid te verklaren.
De verklaringen van aangeefster
In het licht van dit beoordelingskader zal de rechtbank eerst stilstaan bij de verklaringen die de aangeefster in deze zaak heeft afgelegd. De aangeefster heeft tweemaal een verklaring afgelegd, namelijk toen de verbalisanten na een melding van buren bij de woning van de aangeefster ter plaatse kwamen en later toen zij aangifte deed. De aangeefster heeft (kort samengevat) verklaard dat zij op de avond van 19 augustus 2025 in haar woning is verkracht door de verdachte, haar echtgenoot. Dit zou hij hebben gedaan, omdat de aangeefster van hem wil scheiden en hij het daarmee niet eens is. De aangeefster heeft beschreven dat de verdachte haar die avond heeft vastgepakt, heeft geslagen en gewurgd, haar onderkleding heeft uitgetrokken, aan haar haren heeft getrokken en haar hoofd op de grond heeft geslagen. De verkrachting die tijdens deze geweldshandelingen plaatsvond, bestond uit het stoppen van zijn vingers in haar vagina en het duwen van zijn penis tegen haar vagina en mond. Hierbij heeft de verdachte meerdere malen gezegd dat de aangeefster haar benen en mond open moet doen, terwijl de aangeefster steeds zei dat zij dit niet wilde en hem vroeg te stoppen.
De rechtbank acht de verklaringen van de aangeefster over de gebeurtenissen van 19 augustus 2025 betrouwbaar, nu deze consistent en gedetailleerd zijn. De verklaringen komen op essentiële punten overeen en vullen elkaar op die punten gedetailleerd aan De rechtbank zal de verklaringen van de aangeefster daarom als uitgangspunt voor de bewijsvoering nemen.
Steunbewijs
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of de verklaringen van de aangeefster voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen, zodat aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv wordt voldaan. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
De verklaringen van de aangeefster over de gebeurtenissen van 19 augustus 2025 worden naar het oordeel van de rechtbank allereerst ondersteund door de geluidsopname die de aangeefster die avond heeft gemaakt. In het dossier bevindt zich een schriftelijke uitwerking van die opname. Hierin is te lezen dat de geluidsopname begint met een gesprek tussen de aangeefster en de verdachte. Overeenkomstig de aangifte gaat dit gesprek over de scheiding en het feit dat de aangeefster niet met de verdachte wil praten. Daarbij zegt de verdachte volgens de beschrijving dat maar één van hen zal blijven leven als ze gaan scheiden. Verder wordt beschreven dat wordt geschreeuwd, gehuild en gegild en dat dit soms gedempt klinkt. Ook zijn veelvuldig klappen te horen en opmerkingen van de aangeefster dat de verdachte haar wurgt. In de uitwerking wordt verder beschreven dat de verdachte meerdere keren zegt ‘doe jouw benen open’ en ‘doe jouw mond open’, waarna te horen is dat de aangeefster aan het kokhalzen is. Verderop in de uitwerking wordt vervolgens beschreven dat de verdachte zegt: ‘Laat mij afmaken... laat mij afmaken... Die wil niet stijf worden.’ Ondertussen gilt de aangeefster, roept zij om hulp en roept zij tegen de verdachte dat hij haar met rust moet laten. Aan het eind van de opname is tot slot te horen dat op de (voor)deur wordt gebonkt en dat daarna de politie binnenkomt.
De rechtbank betrekt bij de bewijsvoering ook de getuigenverklaring van [getuige]. Deze buurvrouw heeft verklaard dat zij veel geschreeuw en kabaal uit de woning van de aangeefster en de verdachte hoorde komen. Zij hoorde dat er een ruzie gaande was tussen een man en een vrouw die allebei hard schreeuwden. Ook hoorde zij de vrouw huilen. Na een half uur belde de getuige de politie om melding te maken van de situatie bij de buren. Even later belde zij de politie opnieuw, omdat zij bang was dat de vrouw (de aangeefster) zou worden vermoord.
De verklaringen van de aangeefster vinden verder steun in het zowel bij de aangeefster als bij de verdachte geconstateerde letsel. Daarbij valt op dat het letsel van de aangeefster past bij het door haar in haar verklaringen genoemde geweld dat de verdachte tegen haar heeft gebruikt. Het letsel wat bij de verdachte is geconstateerd, past eveneens bij de verklaring van de aangeefster, omdat dit past bij afweerletsel en kan zijn ontstaan toen de aangeefster zich tegen de verdachte verzette op de door haar omschreven wijze.
Tot slot komt bij de bewijsvoering betekenis toe aan de bevindingen van de verbalisanten die kort na middernacht ter plaatse kwamen. Bij de woning aangekomen hoorden zij de aangeefster huilen en schreeuwen. Nadat de verdachte de voordeur had geopend en de aangeefster eveneens naar de voordeur was gelopen, zagen zij dat zij in paniek was. Zij ademde snel en huilde. Ook droeg zij geen onderkleding. Nadat de verbalisanten met haar mee naar binnen liepen, zagen zij dat de aangeefster op de grond neerstortte en hard begon te huilen.
De rechtbank ziet in deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, steun voor de verklaringen van de aangeefster. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte voor al deze belastende feiten en omstandigheden geen aannemelijke verklaring heeft gegeven. De rechtbank hecht, gelet op het hiervoor besproken steunbewijs, geen waarde aan de verklaring van de verdachte dat er die avond geen sprake is geweest van geweld of een verkrachting. Daarbij weegt voor de rechtbank ook mee dat de verdachte wisselend heeft verklaard. De verdachte heeft immers tijdens de verhoren bij de politie en de rechter-commissaris verklaard dat hij op de bewuste avond seks had gehad met zijn vrouw (de aangeefster), maar dat dit vrijwillig was. Ter zitting heeft de verdachte ontkend dat hij die avond seks heeft gehad met de aangeefster. De op de zitting ingenomen stelling van de verdachte dat de aangeefster de gebeurtenissen van die avond in scene zou hebben gezet om hem een hak te zetten, is verder op geen enkele manier onderbouwd en aannemelijk gemaakt. De rechtbank acht de verklaringen van de verdachte over de gebeurtenissen van die avond dan ook ongeloofwaardig en schuift deze terzijde.
De laatste vraag die de rechtbank in het kader van het bewijs moet beantwoorden, is in hoeverre de feitelijke gedragingen van de verdachte ook mede het seksueel binnendringen van het lichaam van de aangeefster hebben omvat. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de door de verdachte begane seksuele handelingen bestonden uit het brengen van zijn vingers in de vagina van de aangeefster en het duwen van zijn penis tegen haar vagina, tussen haar schaamlippen en tegen haar mond. Het met de vingers de vagina binnengaan en het duwen van de penis tussen de schaamlippen levert volgens vaste rechtspraak seksueel binnendringen van het lichaam op, als bedoeld in artikel 243 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Datzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank in dit geval voor het duwen van de penis tegen de mond van de aangeefster. Naar het oordeel van de rechtbank moet de penis van de verdachte in ieder geval ook deels tussen de lippen en daarmee in het lichaam van de aangeefster zijn gekomen toen hij zijn penis (met geweld) tegen haar mond duwde.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit begaan, met dien verstande dat
hij omstreeks 20 augustus 2025 te Hoorn met een persoon, te weten: [slachtoffer], seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het meermalen:
- stoppen van zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [slachtoffer] en
- duwen van zijn, verdachtes, penis tegen de vagina en tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en
- duwen van zijn, verdachtes, penis tegen de mond van die [slachtoffer]
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak
en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door en vergezeld van door dwang, geweld en bedreiging, door het meermalen:
- slaan in het gezicht van die [slachtoffer] en
- trekken aan de haren van die [slachtoffer] en
- op de grond slaan en duwen van het hoofd van die [slachtoffer] en
- leggen van zijn, verdachtes, hand op de mond van die [slachtoffer] en
- (om)draaien van de hand en de vingers van die [slachtoffer] en
- vastgrijpen en dichtdrukken van de keel van die [slachtoffer] en
- vasthouden van de handen en via fysiek overwicht die [slachtoffer] in bedwang houden en
- uittrekken van de onderkleding van die [slachtoffer] en
- toevoegen van de woorden (in het Arabisch) aan die [slachtoffer]: "Doe jouw benen open, ik ben jouw man" en "Doe jouw mond open", althans woorden van gelijke aard en/of strekking.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
gekwalificeerde opzetverkrachting
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6.Motivering van de sancties

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een contactverbod en een locatieverbod op te leggen als bedoeld in artikel 38v Sr en deze dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de duur van het voorarrest. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht geen contact- en locatieverbod op te leggen, omdat deze onuitvoerbaar zijn vanwege de lopende echtscheidingsprocedure en het contact dat de verdachte en de aangeefster in dat verband en ook in verband met de zorg voor de kinderen met elkaar moeten hebben.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting. Hij heeft zijn echtgenoot met gebruik van dwang en geweld verkracht. De verdachte heeft daarmee een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Slachtoffers van feiten als het onderhavige kunnen daarvan nog langdurig nadelige psychische gevolgen ondervinden. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat de aangeefster nog dagelijks de psychische gevolgen ondervindt van het handelen van de verdachte. De verdachte heeft slechts oog gehad voor de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens en de gevolgen hiervan voor zijn echtgenote daaraan ondergeschikt gemaakt.
Uitgangspunt strafoplegging
Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor de aangeefster, acht de rechtbank enkel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere tijd gerechtvaardigd. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft de rechtbank rekening gehouden met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft bij de strafoplegging ook gekeken naar de persoon van de verdachte. Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld. Uit het reclasseringsadvies van 28 oktober 2025 blijkt verder dat het recidiverisico niet kan worden ingeschat en dat mede om die reden er geen aanleiding is om reclasseringstoezicht te adviseren met als doel gedragsbeïnvloeding en/of risicobeperking.
In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die uit de stukken zijn gebleken en op de zitting naar voren zijn gebracht, ziet de rechtbank geen reden voor matiging van de duur van de op te leggen straf.
Slotsom strafoplegging
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf van 40 maanden, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd, passend en geboden is. Tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv Pro.
Vrijheidsbeperkende maatregel
De rechtbank is verder van oordeel dat aan de verdachte, ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten, vrijheidsbeperkende maatregelen in de zin van artikel 38v Sr moeten worden opgelegd, inhoudende een contactverbod met de aangeefster en een locatieverbod voor haar woonadres.
Het locatieverbod houdt in dat de verdachte zich gedurende twee jaren niet zal ophouden binnen een straal van 500 meter rondom de woning van de aangeefster thans zijnde het adres [adres] Hoorn. Het contactverbod houdt in dat de verdachte gedurende twee jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met de aangeefster. Uitgezonderd van het contactverbod is contact dat gaat over de echtscheidingsprocedure en over de omgang met de kinderen, zolang dit contact plaatsvindt met tussenkomst van de betrokken instanties, zoals Veilig Thuis, de Blijfgroep, de 1.Hoorn en/of een door de gemeente aangewezen contactpersoon.
De rechtbank beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval de verdachte niet aan deze maatregelen voldoet. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt zeven dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregelen wordt voldaan, met een maximum van zes maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen van de opgelegde maatregelen niet op.

7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De aangeefster heeft tegen de verdachte een vordering ingediend tot betaling van € 7.500,- immateriële schadevergoeding, die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade wordt gevorderd wegens de psychische gevolgen die de benadeelde partij door het handelen van de verdachte zou hebben opgelopen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering geheel toe te wijzen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair bepleit de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat deze onvoldoende is onderbouwd, niet kan worden vastgesteld dat sprake is van immateriële schade en het causaal verband ontbreekt tussen de gestelde schade en het ten laste gelegde feit. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de hoogte van de immateriële schadevergoeding te matigen gelet op schadevergoedingen die in vergelijkbare zaken worden toegekend.
Oordeel van de rechtbank
Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek heeft een benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in haar persoon is aangetast door het primair bewezen verklaarde feit. In beginsel moet degene die zich hierop beroept de aantasting in de persoon met concrete gegevens onderbouwen. In bepaalde gevallen kunnen de aard en de ernst van de normschending echter meebrengen dat relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat in dit geval aan de orde. Uit de behandeling op de zitting en de onderbouwing van de vordering is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van de door de verdachte begane gekwalificeerde opzetverkrachting rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Bij het bepalen van de hoogte van deze schade neemt de rechtbank de Rotterdamse Schaal (een ordening van smartengeldenbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen) als uitgangspunt. De rechtbank zal aansluiting zoeken bij de bandbreedte die in de Rotterdamse schaal is opgenomen voor een verkrachting van tamelijk ernstige aard, met een bandbreedte van bedragen tussen de € 2.500 en € 7.500. Gelet op het door de verdachte toegepaste geweld in deze zaak ziet de rechtbank aanleiding om de door de benadeelde partij geleden schade te begroten op het midden van deze bandbreedte.
De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, toewijzing van een bedrag van € 5.000,- billijk. De vordering van de benadeelde partij zal tot dat bedrag worden toegewezen. De verdachte zal worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarnaast zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.
De benadeelde partij zal voor het resterende deel van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet verder reden om in het belang van de benadeelde partij, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr aan de verdachte op te leggen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikelen 36f, 38v, 38w, 243 Sr.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt de verdachte op een
locatieverbod, namelijk de maatregel dat hij zich voor de duur van 2 jaren niet zal ophouden binnen een straal van 500 meter rondom het adres [adres] Hoorn.
Legt de verdachte ook op een
contactverbod, namelijk de maatregel dat hij voor de duur van 2 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met de aangeefster, [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 2001. Uitgezonderd van het contactverbod is contact dat gaat over de echtscheidingsprocedure en over de omgang met de kinderen, zolang dit contact plaatsvindt met tussenkomst van de betrokken instanties, zoals Veilig Thuis, de Blijfgroep, de 1.Hoorn en/of de gemeente.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan deze maatregelen wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregelen wordt voldaan, met een maximum van zes maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregelen niet op.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[slachtoffer]geleden schade tot een bedrag van
€ 5.000, als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de benadeelde partij, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van € 5.000, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 50 dagen gijzeling. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en omgekeerd dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P. Salvadori, voorzitter,
mr. C.S. Schoorl en mr. S. Mac Donald, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Langendoen
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 maart 2026.
mr. S. Mac Donald is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.