Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:2197

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
C/15/369609
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BWArt. 1:250 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing met benoeming bijzondere curator

De rechtbank Noord-Holland heeft op 19 februari 2026 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen tot 14 maart 2026. Dit besluit volgt op eerdere verlengingen en is genomen vanwege de aanhoudende problematiek bij de ouders, waaronder verslavingsproblematiek en psychische problemen, die een stabiel opvoedklimaat verhinderen.

De gecertificeerde instelling (GI) heeft aangegeven dat de ouders nog grote stappen moeten zetten in hun hulpverleningstrajecten voordat een definitief perspectiefbesluit kan worden genomen. De kinderen verblijven momenteel in een gezinshuis waar zij het sociaal goed doen, maar zij geven aan zich daar niet thuis te voelen en willen terug naar hun moeder. Er zijn aanwijzingen dat de kinderen mogelijk worden geremd in het uiten van hun ware wensen, wat aanleiding gaf tot de benoeming van een bijzondere curator.

De moeder heeft recent positieve stappen gezet in haar behandeling en wil dat het perspectiefbesluit wordt uitgesteld om de ouders de kans te geven hun situatie te verbeteren. De vader was niet aanwezig bij de zitting. De bijzondere curator zal de werkelijke mening van de kinderen over hun verblijf en toekomstperspectief onderzoeken, mede vanwege mogelijke loyaliteitsconflicten en parentificatie.

De rechtbank acht verlenging noodzakelijk om de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen te waarborgen en stelt een toetsmoment over enkele maanden in, waarbij het verslag van de bijzondere curator zal worden betrokken. De beschikking is direct uitvoerbaar en hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing tot 14 maart 2026 en benoemt een bijzondere curator voor onderzoek naar de wensen van de kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/369609 / JU RK 25-1285
Datum uitspraak: 19 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
[de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 3] ,
tezamen ook te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. M.S. Krol uit Rotterdam,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
tezamen ook te noemen: de ouders.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 7 november 2025 en de daarin genoemde stukken;
  • de brief van de GI van 10 februari 2026, ingekomen op 11 februari 2026;
  • de door de GI overgelegde overdrachtsrapportage van Veilig Thuis van 13 februari 2026, ingekomen op 17 februari 2026.
1.2.
Op 19 februari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door mr. A. Witteveen, waarnemend voor mr. M.S. Krol;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de zitting verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hebben hierover op 11 februari 2026 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hebben verteld.

2.De beschikking van 7 november 2025

Bij beschikking van 7 november 2025 heeft de kinderrechter van deze rechtbank de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd tot 28 februari 2026 en het verzoek voor het overige aangehouden, omdat onduidelijkheid bestond over de verdere uitvoering van de maatregelen en de kinderrechter daarom een extra toetsmoment nodig vond.

3.Het (nadere) standpunt van de GI

3.1.
De GI handhaaft de resterende verzoek tot verlenging van de maatregelen tot 28 november 2026. Bij brief van 10 februari 2026 en op de zitting van 19 februari 2026 heeft de GI daartoe het volgende naar voren gebracht.
3.2.
De ouders kunnen de kinderen geen stabiel opvoedklimaat bieden, mede door de verslavingsproblematiek van de ouders, de psychische gesteldheid van de moeder en het (in het verlengde daarvan) ontbreken van structurele betrokkenheid en voorspelbaarheid van beide ouders. De relatie van de ouders is niet stabiel, hun problematiek is niet stabiel en de ouders zijn vaak niet emotioneel beschikbaar voor de kinderen. De komende periode moet zicht worden verkregen op zowel de individuele als de gezamenlijke (hulpverlenings)trajecten van de ouders, onder meer bij Brijder en Me To Act Coaching. Deze stappen zijn essentieel om uiteindelijk het perspectief van de kinderen te kunnen bepalen. Dat betekent dat de GI nog geen ‘definitief’ perspectiefbesluit gaat nemen. De GI is bereid om de ouders nog een kans te geven, maar de ouders moeten wel nog grote stappen zetten, gelet op de langdurige, hardnekkige en schadelijke patronen in hun relatie en hun individuele problematiek.
3.3.
In het komende jaar wil de GI verder rust en stabiliteit voor de kinderen creëren. Volgens de GI lijkt een thuisplaatsing nu niet haalbaar. Onder de huidige omstandigheden kan wel vorm worden gegeven aan betekenisvol contact tussen de ouders en de kinderen, waarbij wordt gericht op positieve en voorspelbare omgangsmomenten.
Daarnaast wil de GI het komende jaar investeren in de ontwikkeling en het welbevinden van de kinderen, waarbij traumabehandeling wordt ingezet. Daartoe wil de GI een intelligentieonderzoek laten uitvoeren om een duidelijker beeld te krijgen van de cognitieve mogelijkheden en de ondersteuningsbehoeften van de kinderen, zodat passende hulpverlening voor hen kan worden ingezet.
3.4.
De GI maakt uit de informatie van Nabij Zorg op dat de kinderen het goed hebben in het gezinshuis in [plaats] . Er is in het gezinshuis veel aandacht voor het geloof van de kinderen en zij doen het goed in het gezinshuis, ook in sociaal opzicht. Er zijn echter wel zorgen over hun schoolgang. Daarbij komt ook dat de kinderen aangeven dat zij niet alles mogen vertellen wat er thuis gebeurt en dat zij van de ouders moeten aangeven dat zij weg willen uit [plaats] . De GI vindt het voorstel van de kinderrechter om een bijzondere curator te benoemen (daarom) een goed plan.

4.Het (nadere) standpunt van de moeder

4.1.
De moeder betreurt het dat in december 2025 een beslissing is genomen over het perspectief van de kinderen en dat die beslissing aan hen is meegedeeld. Daarmee is aan de ouders niet de kans gegeven om te laten zien dat er mogelijkheden zijn voor een terugkeer van de kinderen naar de ouders. De moeder heeft recent positieve stappen gezet door een opname van een week bij Brijder die positief is doorlopen, en door medicatie die zij voorgeschreven heeft verkregen. Daardoor is zij op dit moment psychisch stabieler. De vader is onlangs ook weer gestart bij Brijder in verband zijn middelenproblematiek en de moeder heeft de ouders bij Me To Act Coaching aangemeld om te werken aan hun relatieproblematiek. De moeder wil daarom dat de komende periode aan de ouders de kans wordt gegeven om de positieve stappen voort te zetten en duidelijk te maken dat er terugkeermogelijkheden zijn voor de kinderen. De moeder vindt dan ook dat het definitieve perspectiefbesluit pas over een half jaar moet worden genomen.
4.2.
Voor wat betreft de huidige verzoeken geeft de moeder aan dat zij het eens is met een verlenging van de maatregelen tot de zomervakantie. Dit heeft ook te maken met de schoolgang van de kinderen, die zij niet wil doorbreken. De moeder gaat ervan uit dat de kinderen in de zomer kunnen terugkeren en dat een ondertoezichtstelling en ambulante hulpverlening dan zullen volstaan. De moeder wil graag dat een bijzondere curator wordt benoemd om onderzoek te doen naar wat de kinderen willen, omdat er in de stukken tegenstrijdige informatie staat.

5.De mening van de minderjarigen

[de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hebben aan de kinderrechter verteld dat zij het niet fijn hebben in [plaats] en dat zij zich daar niet thuis voelen. De kinderen willen terug naar de moeder en zien dat het beter met haar gaat.

6.De (verdere) beoordeling

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
6.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling [1] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] [2] is voldaan. Er is sprake van een jarenlange hardnekkige relatieproblematiek tussen de ouders. Daarnaast kampen beide ouders al langere tijd met individuele problematiek (onder meer middelengebruik). Door deze problematiek hebben de kinderen thuis niet de veiligheid, structuur en stabiliteit gehad die zij verdienen en nodig hebben. De kinderrechter gunt het de kinderen en de ouders dat de kinderen weer kunnen terugkeren naar huis. Van een eventuele thuisplaatsing kan echter alleen sprake zijn als beide ouders samen of de moeder en de vader afzonderlijk, wezenlijke vooruitgang boeken ten aanzien van hun gezamenlijke en/of individuele problematiek door het succesvol aangaan van behandeling/hulpverlening. Bij deze stand van zaken is een verlenging van de maatregelen noodzakelijk om de ontwikkeling en de veiligheid van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] te waarborgen. Daarbij is van het belang dat de behandeling en diagnostiek van de kinderen wordt doorgezet, dan wel ingezet, om hun situatie te verbeteren.
Het is aan de ouders om de komende tijd te laten zien dat zij de noodzakelijke positieve stappen kunnen zetten, waarna het op de weg van de GI ligt om een perspectiefbesluit te nemen.
Bijzondere curator
6.2.
De rechter kan op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve overgaan tot benoeming van een bijzondere curator als hij dit in het belang van de minderjarigen noodzakelijk acht vanwege – mogelijke – strijdigheid tussen de belangen van de minderjarigen en die van de met het gezag belaste ouders. [3] De kinderrechter is van oordeel dat zich een zodanige situatie voordoet gelet op het volgende.
6.3.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de ouders willen dat de kinderen weer bij hen dan wel bij de moeder komen wonen. De kinderen hebben tijdens de afgelopen kindgesprekken bij de kinderrechter aangegeven dat zij heel graag naar huis willen en het absoluut niet fijn hebben bij het gezinshuis in [plaats] . Bij het gezinshuis geven de kinderen daarentegen aan dat zij het fijn hebben waar zij nu zitten en niet terug naar huis willen. Uit de e-mailberichten van Nabij Zorg van 27 november 2025 en 21 januari 2026 [4] leidt de kinderrechter af dat de kinderen worden geremd in het naar voren brengen van hun wens of gedachten over waar zij nu en in de toekomst willen wonen en opgroeien en mogelijk worden geïnstrueerd door de ouders om niet de waarheid te vertellen over bepaalde dingen die gebeurd zijn in de thuissituatie. Bij de kinderen lijkt daarbij sprake te zijn van loyaliteit richting de ouders, waardoor zij mogelijk niet durven aan te geven dat zij niet terug naar huis willen. Ook lijkt sprake te zijn van parentificatie, omdat zij naar voren brengen dat zij terug naar huis willen om voor de ouders te kunnen zorgen.
De kinderrechter zal daarom, in het belang van de kinderen, een bijzondere curator benoemen, om de werkelijke mening van de kinderen ten aanzien van hun verblijf in (het huidige gezinshuis in) [plaats] en ten aanzien van hun toekomstperspectief te achterhalen. Daarbij acht de kinderrechter het van belang dat meer duidelijkheid komt over de gebeurtenissen in het verleden, omdat de kinderen uitlatingen hebben gedaan over dat zij niet de volledige waarheid mogen vertellen van de ouders. Om een voldoende afgewogen beslissing te kunnen nemen op de verzoeken tot verlenging van de maatregelen tot 28 november 2026 (en de doelen die gesteld zijn in het kader van de ondertoezichtstelling), is het noodzakelijk dat een onafhankelijke derde de stem van de kinderen kan verwoorden en hun belangen in deze procedure kan behartigen. De moeder en de GI zijn het eens met de benoeming van een bijzondere curator.
Geldigheidsduur van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
6.4.
Gelet op de onduidelijke en onvoorspelbare periode die er nu aan komt en de benoeming van een bijzondere curator, acht de kinderrechter een toets moment over een paar maanden passend, waarbij het verslag van de bijzondere curator in de beoordeling kan worden betrokken. Het is op dit moment nog onduidelijk welke bijzondere curator en wanneer die bijzondere curator verslag kan uitbrengen. Daarom verlengt de kinderrechter de maatregelen voor de duur van twee weken, te weten tot 14 maart 2026. De beslissing op de verzoeken wordt voor het overige aangehouden tot het moment waarop een bijzondere curator bereid is gevonden de opdracht aan te nemen en nadere informatie van de bijzondere curator is verkregen over de voor de opdracht benodigde termijn. Met instemming van de aanwezige belanghebbenden, zal de kinderrechter schriftelijk op het aangehouden deel van de verzoeken beslissen, zonder de belanghebbenden nogmaals op een zitting te horen.
6.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van
[de minderjarige 1],
[de minderjarige 2]en
[de minderjarige 3]tot 14 maart 2026;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige 1],
[de minderjarige 2]en
[de minderjarige 3]in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 14 maart 2026;
7.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.4.
houdt de beslissing op het resterende verzoek aan tot uiterlijk 14 maart 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026 door mr. S. Ok, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.C.W. Coesel als griffier, en op schrift gesteld op 4 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna BW).
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
3.Artikel 1:250 BW Pro.
4.Bijlagen bij de brief van de GI van 10 februari 2026, te weten op digitale pagina’s 30-32 respectievelijk 14.