Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:2135

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
C/15/375152 / TH ZA 26-2
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WthArt. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 9 Wth
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verlenging tijdelijk huisverbod wegens gevaar voor veiligheid gezinsleden

De burgemeester van Zaanstad legde op 16 februari 2026 een tijdelijk huisverbod en contactverbod op aan verzoeker vanwege ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van zijn echtgenote en kinderen. Dit verbod werd verlengd tot 16 maart 2026. Verzoeker stelde beroep in tegen deze verlenging en verzocht om schorsing.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de situatie onvoldoende was verbeterd en dat verzoeker het huis- en contactverbod meerdere malen had overtreden, onder meer door contact met zijn echtgenote te hebben ondanks het verbod. De ingezette hulpverlening had nog niet geleid tot duurzame veiligheidsafspraken.

De rechter concludeerde dat de burgemeester in redelijkheid gebruik had kunnen maken van zijn bevoegdheid tot verlenging van het huisverbod en dat het besluit voldoende was gemotiveerd. Er was geen aanleiding het verbod op te heffen omdat het gevaar niet was geweken.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen. Ook werd het verzoek tot proceskostenveroordeling afgewezen. De uitspraak werd gedaan op 3 maart 2026 door de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland.

Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van het tijdelijk huisverbod wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd
locatie Haarlem
voorzieningenrechter
Wet tijdelijk huisverbod
zaak-/rekestnummers: C/15/375152 / TH ZA 26-2 (voorlopige voorziening)
C/15/375154 / FA RK 26-1027 (beroep)
Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), tevens uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb van 3 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker], verzoeker, tevens eiser, hierna te noemen: verzoeker,
wonende te [plaats] ,
gemachtigde mr. K. van der Vlies, advocaat te Purmerend,
tegen
de burgemeester van de gemeente Zaanstad, verweerder,
zetelende te Zaandam,
gemachtigde mr. C.J. Loggen- ten Hoopen, advocaat te Hoofddorp,
in welke zaak belanghebbenden zijn:
[echtgenote van verzoeker],
hierna te noemen: echtgenote van verzoeker,
wonende te [plaats] ,
[zwager van verzoeker],
hierna te noemen: zwager van verzoeker
wonende te [plaats] .

1.De procedure

1.1.
Bij besluit van 16 februari 2026 heeft de verweerder aan de verzoeker een huisverbod als bedoeld in de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) en een contactverbod met diens echtgenote, zwager en zoon (van negen jaar) opgelegd voor de periode van 16 februari 2026 tot 26 februari 2026.
1.2.
Bij besluit van 17 februari 2026 heeft de verweerder het besluit van 16 februari 2026 aangevuld met een contactverbod met de dochter van de verzoeker (van vier jaar).
1.3.
Bij uitspraak van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van 19 februari 2026 is het besluit van 16 februari 2026 vernietigd. De voorzieningenrechter heeft daarbij bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven tot en met 26 februari 2026 te 12:00 uur.
1.4.
Bij besluit van 24 februari 2026 heeft de verweerder het huis- en contactverbod verlengd met een aansluitende periode van achttien dagen, derhalve tot 16 maart 2026 te 12:40 uur.
1.5.
Tegen het besluit van 24 februari 2026 (hierna: bestreden besluit) heeft de verzoeker bij brief van 26 februari 2026 beroep ingesteld en tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen, namelijk het bestreden besluit met onmiddellijke ingang te schorsen totdat er op het beroep is beslist.
1.6.
Op 27 februari 2026 heeft de verweerder onder meer de volgende stukken ingediend:
  • het formulier Situatie ter plaatste van 16 februari 2026;
  • het formulier Risico-taxatie instrument Huiselijk Geweld van 16 februari 2026;
  • het proces-verbaal van bevindingen hulpofficier van justitie voor een beslissing huisverbod van 16 februari 2026;
  • het besluit van 16 februari 2026;
  • het besluit van 17 februari 2026;
  • de uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 februari 2026;
  • het zorgadvies van 24 februari 2026;
  • het beleidsadvies van 24 februari 2026;
  • het besluit van 24 februari 2026;
  • het formulier Episodejournaal.
1.7.
Op 2 maart 2026 heeft de verweerder een verweerschrift ingediend.
1.8.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Hierbij zijn verschenen en gehoord:
  • de gemachtigde van de verzoeker;
  • de gemachtigde van de verweerder;
  • de echtgenote van de verzoeker.
De zwager van de verzoeker is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen niet ter zitting verschenen.

2.De beoordeling

2.1.
Op grond van artikel 2 van Pro de Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon als uit feiten of omstandigheden blijkt dat zijn aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.
2.2.
Op grond van artikel 9 van Pro de Wth kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.
2.3.
Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.4.
Aangezien alle voor een beslissing relevante feiten en omstandigheden aan de orde zijn geweest, meent de voorzieningenrechter, partijen gehoord hebbende, dat nader onderzoek in dit geval redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen. Daarom zal de voorzieningenrechter gebruikmaken van de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.5.
De verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat:
  • er sprake was en nog steeds is van gevaar, want de verzoeker heeft zich niet gehouden aan de (veiligheids)afspraken en het huis- en contactverbod met de echtgenote en de kinderen overtreden;
  • de burgemeester bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid, want de (veiligheids)situatie ten tijde van het bestreden besluit was ongewijzigd en de ingezette hulpverlening heeft (nog) niet tot het gewenste resultaat geleid.
2.6.
De verzoeker heeft aangevoerd dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en tevens onzorgvuldig is genomen.
2.7.
De echtgenote heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij het eens is met het bestreden besluit.
2.8.
Uit de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, concludeert de voorzieningenrechter dat er nog steeds sprake was van gevaar ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Dit omdat de situatie nog onvoldoende verbeterd was en omdat het de verzoeker en zijn echtgenote samen met de ingezette hulpverlening nog niet is gelukt om voldoende rust in de situatie te brengen en toereikende en duurzame (veiligheids)afspraken te maken. Daarnaast is voldoende aannemelijk geworden dat de verzoeker het huis- en contactverbod meermaals heeft overtreden, door bijvoorbeeld in de tuin van de echtelijke woning te komen en contact te hebben met zijn echtgenote voorafgaand aan hun gesprek bij de hulpverlening. De verweerder was daarom bevoegd het bestreden besluit te nemen.
2.9.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheden gebruik heeft kunnen maken en zijn besluit voldoende heeft gemotiveerd. De omstandigheid dat de verzoeker nog steeds geen vaste slaapplaats heeft, is bij het verlengen van een tijdelijk huisverbod niet van doorslaggevende betekenis, gezien de omstandigheden van dit geval en de mogelijke alternatieven voor tijdelijk onderdak. De verweerder heeft deze afweging op grond van de omstandigheden van dit geval dus kunnen maken.
2.10.
Tot slot dient te worden beoordeeld of er op dit moment aanleiding bestaat het huis- en contactverbod op te heffen omdat aangenomen kan worden dat het gevaar is geweken. Hiervoor bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding. Er is immers gebleken dat er nog steeds geen duurzame veiligheidsafspraken zijn gemaakt en dat er onvoldoende vertrouwen is dat de verzoeker en zijn echtgenote zich aan de gemaakte afspraken houden, gezien het verloop van de gesprekken bij de hulpverlening.
2.11.
De voorzieningenrechter zal daarom het beroep ongegrond verklaren.
2.12.
Nu de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak, brengt dit in het onderhavige geval mee dat verzoeker geen belang meer heeft bij een uitspraak op zijn verzoek om een voorlopige voorziening, zodat dit verzoek wordt afgewezen.
2.13.
Er is geen grond om een van partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten. Het verzoek van de verzoeker daartoe wordt daarom afgewezen.

3.De beslissing

De voorzieningenrechter:
3.1.
verklaart het beroep ongegrond;
3.2.
wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;
3.3.
wijst het verzoek tot een proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. ten Bos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Hausenblasová, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.
Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.