ECLI:NL:RBNHO:2026:2128

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
C/15/374080 / JU RK 26-155
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot opheffing ondertoezichtstelling afgewezen wegens belang minderjarige bij contactherstel

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot opheffing van de ondertoezichtstelling (OTS) van een minderjarige die sinds oktober 2022 onder toezicht staat. De minderjarige woont bij de moeder, die het ouderlijk gezag heeft. De GI stelt dat er geen zorgen meer zijn over de ontwikkeling van de minderjarige en de opvoedvaardigheden van de moeder, maar dat omgang met de vader momenteel niet in het belang van de minderjarige is vanwege haar duidelijke weerstand en de angsten van de moeder.

Tijdens de zitting is gebleken dat de vaste jeugdbeschermer uit dienst is en de bureaudienst nu betrokken is. De GI heeft het verzoek tot opheffing ingediend omdat zij meent dat er geen verdere hulpverlening mogelijk is om contactherstel te bewerkstelligen. De moeder en haar advocaat steunen het verzoek, terwijl de vader aangeeft al tien jaar te proberen contact te krijgen en het contact niet wil forceren, maar wel meer betrokken wil zijn.

De kinderrechter oordeelt dat de gronden voor de OTS nog steeds aanwezig zijn en dat de ontwikkelingsbedreiging onverminderd voortduurt. Hoewel de GI stelt dat niets meer kan worden ingezet, is de rechter van mening dat niet alle mogelijkheden zijn uitgeput. Er kan nog hulpverlening worden ingezet, gericht op de moeder en de minderjarige, bijvoorbeeld door het opstellen van een levensverhaal van de vader. Het belang van de minderjarige om een eigen beeld van haar vader te vormen weegt zwaar.

De kinderrechter wijst het verzoek tot opheffing af en geeft de GI de opdracht om in de resterende periode van de OTS te onderzoeken of nog andere hulpverlening mogelijk is zonder de ontwikkeling van de minderjarige te schaden. Indien dit niet mogelijk blijkt, kan de GI besluiten de OTS niet te verlengen. Het verzoek wordt afgewezen omdat het beëindigen van de OTS nu niet in het belang van de minderjarige is.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen omdat het belang van de minderjarige bij contactherstel met haar vader prevaleert.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/374080 / JU RK 26-155
Datum uitspraak: 11 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een opheffing ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.M.P. Gerrits, kantoorhoudende te Wijchen,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
hierna gezamenlijk ook te noemen: de ouders.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van 9 januari 2026 met bijlagen.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 februari 2026. Daarbij waren aanwezig om 14:10 uur:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
en aanwezig om 16:15 uur:
- de vader;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 oktober 2022 [de minderjarige] onder toezicht. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengt, voor het laatst tot 5 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] op te heffen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft het verzoek – samengevat – als volgt onderbouwd. Er zijn geen zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige] , de opvoedvaardigheden van de moeder, en beiden werken mee aan de hulpverlening. Hoewel [de minderjarige] de vader tot op heden niet heeft ontmoet, is de GI van mening dat omgang met de vader op dit moment niet in haar belang is. [de minderjarige] toont duidelijk en consistent weerstand tegen contact met de vader en het dwingen van [de minderjarige] tot dit contact kan juist leiden tot een ontwikkelingsbedreiging bij [de minderjarige] . De moeder heeft grote angsten voor de vader en kan [de minderjarige] dan ook geen emotionele toestemming geven voor omgang met haar vader. Er zal daarom eerst aan de slag moeten worden gegaan met de moeder. Het is echter de vraag of een ondertoezichtstelling daarvoor is bedoeld.
3.3.
Ter zitting heeft de GI naar voren gebracht dat de vaste jeugdbeschermer uit dienst is en dat op dit moment de bureaudienst betrokken is bij het gezin. De ondertoezichtstelling van [de minderjarige] loopt al ruim drie jaar, waarin het niet is gelukt tot contactherstel te komen. [de minderjarige] blijft bij haar standpunt dat zij de vader niet wil zien, bij de moeder is nog steeds sprake van grote weerstand en de GI denkt niet dat daarin verandering gaat komen in de resterende twee maanden van de huidige ondertoezichtstelling. Een ondertoezichtstelling is daarom niet meer passend.

4.De standpunten

4.1.
De advocaat en de moeder hebben ingestemd met het verzoek. De GI is al lange tijd betrokken. De moeder heeft hulpverlening gezocht voor haar angsten, zoals EMDR. Er is geprobeerd om het contact tussen de vader en [de minderjarige] op te starten, maar dit is niet gelukt. [de minderjarige] geeft zelf aan dat zij geen contact wil met de vader, en bij haar wordt gezien dat zij stress en spanning ervaart als te veel wordt ingezet op contactherstel. Het gaat nu goed met [de minderjarige] en zij ontwikkelt zich leeftijdsconform. De moeder vindt het belangrijker dat de huidige stabiele situatie gecontinueerd wordt, dan dat [de minderjarige] weer spanning gaat ervaren door een geforceerde poging tot contactherstel met de vader.
4.2.
De vader heeft naar voren gebracht dat hij al tien jaar bezig is om contact te krijgen met [de minderjarige] , maar dat de moeder alles tegenhoudt vanwege haar gestelde angsten. Zowel het videobellen tussen [de minderjarige] en de vader als het schrijven van briefjes naar elkaar ging in eerste instantie goed. Later gaf [de minderjarige] toch aan dat zij niet meer wilde en werd bij haar spanning gezien. De vader vermoedt dat [de minderjarige] niet weet hoe zij moet omgaan met de druk die zij vanuit de moeder voelt. De vader wil graag omgang met [de minderjarige] en haar leren kennen, maar hij wil niet dat [de minderjarige] opgroeit met spanningen en wil het contactherstel daarom niet forceren. Hij zou wel graag meer foto’s en informatie over [de minderjarige] ontvangen, zodat hij meer op de hoogte is van haar leven.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] nog steeds aanwezig zijn [1] en overweegt daartoe als volgt.
5.2.
De kinderrechter stelt vast dat de ontwikkelingsbedreiging zoals beschreven in de beschikking van 2 oktober 2025 onverminderd aanwezig is. De GI is inmiddels ruim drie jaar betrokken bij [de minderjarige] en heeft de afgelopen jaren op verschillende manieren geprobeerd om het contact tot stand te brengen. Zo is gestart met videobelmomenten en hebben de vader en [de minderjarige] elkaar briefjes geschreven. Ook is [de minderjarige] aangemeld voor iHub Familiezorg. IHub heeft aangegeven dat hulpverlening voor [de minderjarige] op dit moment niet passend is, omdat zij zich goed ontwikkelt en geen last lijkt te hebben van het feit dat zij de vader niet kent. Het is nodig om eerst hulp voor de moeder in te zetten, voordat stappen kunnen worden gezet in de hulpverlening voor [de minderjarige] en contactherstel met de vader, aldus iHub. De GI heeft een verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling ingediend, omdat zij van mening zijn dat zij niets meer kunnen inzetten wat de situatie zal veranderen. Desgevraagd heeft de GI geen concreet antwoord kunnen geven op de vraag waarom juist nu het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling is ingediend, terwijl de ondertoezichtstelling over twee maanden afloopt.
5.3.
Anders dan de GI is de kinderrechter van oordeel dat niet alle mogelijkheden om te komen tot de mogelijkheid van contact tussen de vader en [de minderjarige] uitgeput zijn. IHub heeft zijn best gedaan, maar heeft moeten concluderen dat iHub door de grote weerstand van de moeder niet verder komt. Dat betekent echter niet dat niet anderszins hulpverlening ingezet zou kunnen worden, in eerste instantie gericht op de moeder maar tegelijkertijd ook op [de minderjarige] door bijvoorbeeld voorzichtig aan de gang te gaan met het opstellen van een levensverhaal van de vader. De kinderrechter ziet dat de moeder heel emotioneel wordt bij de gedachte aan de vader, maar niet uit het oog moet worden verloren dat – hoewel geen zorgen zijn over [de minderjarige] – het eenzijdige beeld dat zij nu heeft van haar vader met wie ze ook nooit echt contact heeft gehad, niet in haar belang is en dus al een ontwikkelingsbedreiging is. Aan [de minderjarige] moet de kans worden gegeven om haar eigen beeld over de vader te vormen.
5.4.
Zonder dwingend kader van de ondertoezichtstelling en strakke regie van de GI, ziet de kinderrechter deze moeder niet zelfstandig overgaan tot contactherstel tussen [de minderjarige] en de vader. De kinderrechter is het uiteraard met de GI en de ouders eens dat voorkomen moet worden dat [de minderjarige] angsten en spanningen gaat ervaren als gevolg van het contactherstel. Het is dus aan de GI om de resterende twee maanden van de ondertoezichtstelling te gebruiken om te beoordelen of nog hulpverlening ingezet kan worden, zonder de ontwikkeling van [de minderjarige] daarbij te schaden. Indien blijkt dat dit niet mogelijk is, kan de GI besluiten om geen verlengingsverzoek in te dienen en de ondertoezichtstelling te laten aflopen op 5 april 2026.
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat het nu beëindigen van de ondertoezichtstelling, en daarmee accepteren dat [de minderjarige] haar vader niet zal leren kennen, niet in het belang van [de minderjarige] is. De kinderrechter wijst het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling daarom af.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door A.K. Mireku, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en vastgesteld en ondertekend op 20 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 Burgerlijk Pro Wetboek.