ECLI:NL:RBNHO:2026:2102

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
C/15/368433
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 lid 1 onder f Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk wegens ontbreken minnelijke regeling

Schuldenaar verzocht de rechtbank om toepassing van de schuldsaneringsregeling in plaats van faillissement. De rechtbank beoordeelde of schuldenaar eerst een poging had gedaan tot een buitengerechtelijke schuldregeling, zoals vereist in artikel 285 lid 1 onder Pro f van de Faillissementswet.

Uit de procedure bleek dat schuldenaar geen aanbod aan zijn schuldeisers had gedaan om tot een minnelijke regeling te komen. De schuldhulpverlener gaf aan dat dit kwam door tijdsgebrek vanwege het faillissementsverzoek, en dat een goed onderbouwd voorstel niet kon worden voorgelegd. Schuldenaar had geprobeerd een BBZ-lening te verkrijgen, maar deze aanvraag werd buiten behandeling gesteld wegens ontbrekende stukken en de weigering van zijn ex-partner om garant te staan.

De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van een saneringskrediet niet betekent dat schuldenaar geen voorstel had kunnen doen. Schuldenaar had een stabiel inkomen en was voor de helft eigenaar van een woning met overwaarde, wat in een prognoseakkoord betrokken had kunnen worden. Ook al was er tijdsdruk, schuldenaar had de rechtbank kunnen verzoeken om aanhouding van het faillissementsverzoek om meer tijd te krijgen.

Omdat schuldenaar geen minnelijke regeling had aangeboden en het niet aannemelijk was dat dit onmogelijk was, verklaarde de rechtbank het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een minnelijke regeling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND toepassing schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk

Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer: C/15/368433
vonnis van 26 februari 2026
op het verzoek van:
[schuldenaar],
geboren op [geboortedatum] 1989 te [plaats 1],
wonende te [plaats 2],
schuldenaar.

1.De procedure

1.1
Tegen schuldenaar is een verzoek ingediend om hem failliet te verklaren. Schuldenaar heeft verzocht in plaats van het faillissement de schuldsanering op hem van toepassing te verklaren. Op 7 januari 2026 is ter griffie van deze rechtbank binnengekomen het verzoekschrift met bijlagen van schuldenaar strekkende tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De behandeling van het faillissementsverzoek is aangehouden totdat de rechtbank op het verzoek tot toepassing van de schuldsanering heeft beslist.
1.2
Ter zitting van 19 februari 2026 is schuldenaar over het schuldsaneringsverzoek gehoord. Schuldenaar is ter zitting bijgestaan door zijn schuldhulpverlener van [bedrijf] .

2.De beoordeling

2.1
Op grond van het bepaalde in artikel 285 lid 1 onder Pro f van de Faillissementswet (Fw) dient in het verzoekschrift of in een daarbij te voegen bijlage te worden opgenomen een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, alsmede over welke aflossingsmogelijkheden de schuldenaar beschikt. De bepaling beoogt eerst onderzoek te laten doen naar een buitenwettelijke oplossing. Als aannemelijk is dat onvoldoende aflossingsmogelijkheden bij de schuldenaar of andere omstandigheden het onmogelijk maken om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, hoeft niet eerst een poging te zijn gedaan om tot een dergelijke regeling te komen.
2.2
Schuldenaar heeft voorafgaand aan zijn verzoek om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling geen aanbod gedaan aan zijn schuldeisers om tot een minnelijke regeling te komen. De schuldhulpverlener heeft toegelicht dat zij geen aanbod aan schuldeisers heeft kunnen doen omdat zij vanwege het tijdsgebrek als gevolg van de faillissementsaanvraag geen goed onderbouwd aanbod aan de schuldeisers heeft kunnen voorleggen. Schuldenaar heeft eerst geprobeerd een BBZ lening ten behoeve van een saneringskrediet bij de gemeente Purmerend te verkrijgen. Die aanvraag is in december 2025 buiten behandeling gesteld omdat schuldenaar niet alle benodigde stukken had ingediend. Er waren ook stukken en een handtekening van zijn ex-partner nodig, omdat zij garant moest staan voor de lening. Schuldenaar wilde haar niet belasten met zijn schuldenproblematiek. Het is schuldenaar ook niet gelukt om de gezamenlijke woning met zijn ex-partner tijdig te verkopen. Schuldenaar verrichtte tot voor kort werkzaamheden als zelfstandig stratenmaker op Curaçao. Als hij weer in Nederland zal moeten verblijven met het oog op de schuldsaneringsregeling, zal zijn inkomenssituatie ook wijzigen. Daarnaast kan de schuldhulpverlener de (volledige) schuld bij de Belastingdienst door het ontbreken van een recent overzicht nog niet met zekerheid worden vastgesteld.
2.3
De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden die schuldenaar naar voren heeft gebracht niet maken dat het onmogelijk is om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. De omstandigheid dat de gemeente geen saneringskrediet aan schuldenaar heeft verleend, maakt niet dat schuldenaar geen voorstel aan zijn schuldeiser had kunnen doen op basis van een prognoseakkoord. Schuldenaar had immers een stabiel inkomen uit zijn onderneming met een ruime aflossingscapaciteit. Daarnaast is schuldenaar voor de helft eigenaar van een woning met overwaarde. Ook die overwaarde had hij kunnen betrekken in een voorstel aan zijn schuldeisers op basis van een prognoseakkoord. Gedurende het minnelijk traject heeft schuldenaar vervolgens de gelegenheid om de woning te verkopen, of de overwaarde op een andere manier te gelde te maken. Schuldenaar heeft weliswaar nog geen definitieve bevestiging van de Belastingdienst over de hoogte van zijn belastingschuld, maar volgens de schuldhulpverlener is zij daarover al wel telefonisch geïnformeerd, zodat schuldenaar die schuld in het voorstel aan de schuldeisers had kunnen meenemen. Alleen over de aanslag omzetbelasting voor het derde kwartaal 2025 heeft schuldenaar twijfel, omdat hij stelt dat hij de btw kon verleggen en mogelijk sprake is van een ambtshalve aanslag. Mocht alsnog blijken dat die aanslag ten onrechte (of te hoog) is opgelegd, is dat slechts in het voordeel van de (overige) schuldeisers, omdat zij dan een hogere uitkering tegemoet kunnen zien.
2.4
Voor zover sprake was van tijdsdruk vanwege het faillissementsverzoek tegen schuldenaar, zoals de schuldhulpverlener naar voren heeft gebracht, betekent dat nog niet dat het onmogelijk was om tot een minnelijke schuldregeling te komen. In plaats van de aanvraag tot het verlenen van een saneringskrediet af te wachten, had de schuldhulpverlener immers meteen een voorstel aan de schuldeisers op basis van een prognoseakkoord kunnen voorbereiden. Voor zover daar meer tijd voor nodig zou zijn geweest, had schuldenaar de rechtbank om een nadere aanhouding van het faillissementsverzoek kunnen vragen. Het is niet gebleken dat schuldenaar een dergelijk verzoek heeft gedaan.
2.5
Omdat schuldenaar voorafgaand aan zijn verzoek om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling geen aanbod heeft gedaan aan zijn schuldeisers voor een minnelijke schuldregeling en niet is gebleken dat het onmogelijk is om tot die regeling te komen, zal de rechtbank het verzoek van schuldenaar om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk verklaren.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1
verklaart schuldenaar niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Kluit en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier op 26 februari 2026. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.