ECLI:NL:RBNHO:2026:209

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
24/8307
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om verstrekking fiscale gegevens op grond van de Wet open overheid

In deze uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland, gedateerd 16 januari 2026, wordt het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om verstrekking van fiscale gegevens door de staatssecretaris van Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane behandeld. Eiser had op 5 april 2024 een verzoek ingediend op basis van artikel 5.5 van de Wet open overheid (Woo) om toegang te krijgen tot zijn persoonlijke fiscale gegevens. De staatssecretaris heeft dit verzoek afgewezen, stellende dat artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) een uitputtend verstrekkingenregime voor persoonlijke fiscale gegevens bevat, waardoor de Woo niet van toepassing zou zijn. Eiser is het niet eens met deze afwijzing en heeft verschillende beroepsgronden aangevoerd.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en bevestigd dat de afwijzing van het verzoek op goede gronden is gedaan. De rechtbank legt uit dat artikel 67 van de Awr prevaleert boven artikel 5.5 van de Woo, en dat de geheimhoudingsplicht voor belastinggegevens niet kan worden opgeheven op basis van de Woo. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die de interpretatie van de Awr bevestigen. Eiser heeft ook betoogd dat de Afdeling in haar uitspraak van 4 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4984) onterecht heeft geoordeeld, maar de rechtbank volgt deze redenering niet. De rechtbank concludeert dat de staatssecretaris terecht heeft geweigerd de gevraagde informatie te verstrekken en dat het beroep van eiser niet ontvankelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/8307

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit Purmerend, eiser

(gemachtigde: drs. T.A.R. van Brederode),
en

de staatssecretaris van Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane, verweerder

(gemachtigde: mr. I. Talhaoui).

Samenvatting

1.1
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het door eiser bij verweerder op 5 april 2024 ingediende verzoek voor het verstrekken van op zijn persoon betrekking hebbende fiscale gegevens op grond van artikel 5.5 van de Wet open overheid (Woo). Verweerder heeft het verzoek afgewezen. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de afwijzing van het verzoek.
1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.3
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat een inleiding, onder 4 staat het standpunt van verweerder, onder 5 staat een weergave van de beroepsgronden, onder 6 staat een korte beschrijving van het geschil en onder 7 wordt ingegaan op de stelling van verweerder dat het beroep niet ontvankelijk zou zijn. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 8. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2.1
Eiser heeft op 5 april 2024 bij verweerder een verzoek ingediend op grond van artikel 5.5 van de Woo voor het verstrekken van op hem betrekking hebbende fiscale gegevens.
2.2
Bij e-mail van 3 mei 2024 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld.
2.3
Bij besluit van 30 april 2024 heeft verweerder het Woo-verzoek afgewezen.
2.4
Eiser heeft bij brief van 24 mei 2024 bezwaar gemaakt.
2.5
Voorts heeft eiser op 24 mei 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het Woo-verzoek. Dit beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van 20 februari 2025 niet ontvankelijk verklaard (ECLI:NL:RBNHO:2025:1776).
2.6
Bij e-mail van 11 juli 2024 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld.
2.7
Bij besluit op bezwaar van 25 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
2.8
Eiser heeft op 4 september 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank Den Haag heeft het beroep bij brief van 18 december 2024 aan deze rechtbank doorgezonden ter verdere behandeling. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brieven van 26 maart 2025 en 15 november 2025.
2.9
Verweerder heeft bij brief van 12 november 2024 op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Voorts heeft verweerder op 26 november 2024 de rechtbank verzocht om de zitting aan te houden totdat de Afdeling heeft beslist op een zaak waarin dezelfde rechtsvraag voorligt. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat in zijn ogen het beroep niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Bij e-mail van 29 oktober 2025 heeft verweerder de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4984) ingebracht.
2.1
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich eerst na sluiting van het onderzoek ter zitting gemeld, zodat zij moeten worden geacht niet te zijn verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
3.1
De relevante wettelijke regels staan in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
3.2
Eiser heeft bij brief van 5 april 2024 op grond van artikel 5.5 van de Woo gevraagd om alle stukken te verstrekken die betrekking hebben op de (navorderings)aanslagen IB van de jaren 2009 tot en met 2013, ‘controlerapporten, preweegdocumenten, emailwisselingen, boeteadviezen, processtukken, documenten na afwikkeling van de procedures van 2014 t/m 2019 en relevante gegevens in de applicaties die een rol hebben kunnen spelen bij de uitworp/controle van de heer Abdi, die bij de Belastingdienst/FIOD, Inspecteur en Ontvanger zijn geregistreerd’.
3.3
Gelet op de beroepsgronden ligt aan het verzoek tot verstrekking van voornoemde gegevens het vermoeden van eiser ten grondslag dat er sprake is geweest van een fraudejacht op hem die heeft geleid tot de aanslagen IB/PVV 2009-2013).
Standpunt verweerder
4. Verweerder heeft het verzoek tot verstrekking van de gegevens op grond van artikel 5.5 van de Woo afgewezen. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) een lex specialis vormt ten opzichte van artikel 5.5 van de Woo. Dit betekent dat artikel 67 van de Awr, waarin niet alleen de geheimhoudingsplicht voor belastingambtenaren is neergelegd maar ook is opgenomen wanneer wel informatie mag worden verstrekt, prevaleert boven artikel 5.5 van de Woo. Artikel 67 van de Awr heeft derhalve voorrang op artikel 5.5 van de Woo en dat betekent dat informatie die onder artikel 67 van de Awr valt niet mag worden verstrekt op grond van artikel 5.5 van de Woo. Artikel 67 van de Awr bevat - anders dan de rechtbank Oost-Brabant in de uitspraak van 19 februari 2024 (ECLI:NL:RBOBR:2024:574) heeft geoordeeld - niet alleen een uitputtend bedoeld openbaarmakingsregime maar ook een uitputtend bedoeld verstrekkingenregime. Hangende beroep heeft verweerder ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 4 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4984)
Gronden van het beroep
5. Eiser heeft - kort samengevat - betoogd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat artikel 67 van de Awr een uitputtend bedoeld verstrekkingen-regime bevat en dat verweerder de met het verzoek van 5 april 2024 opgevraagde informatie op grond van artikel 5.5 van de Woo had dienen te verstrekken. Daarbij heeft hij verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 19 februari 2024. De uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024 is principieel onjuist, achterhaald en niet van toepassing op de feiten en omstandigheden van het geval van eiser.
Het geschil
6. Het geschil betreft de vraag of de afwijzing van het verzoek van eiser op grond van artikel 5.5 van de Woo tot verstrekking van op hem betrekking hebbende fiscale gegevens rechtmatig is. Meer specifiek gaat het om de vraag of verweerder een verzoek op grond van artikel 5.5 van de Woo om hem betreffende fiscale gegevens te verstrekken dient in te willigen dan wel dat een dergelijk verzoek uitsluitend op grond van artikel 67 van de Awr kan worden gedaan omdat dit artikel een uitputtend bedoeld openbaarmakings- en verstrekkingenregime heeft.
Is het beroep ontvankelijk?
7. Het betoog van verweerder in de brief van 26 november 2024 dat het beroep niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard omdat tegen een afwijzing van een verzoek om informatie op grond van artikel 67 van de Awr geen beroep open staat, volgt de rechtbank niet. Het verzoek van eiser om verstrekking van gegevens is immers gebaseerd op artikel 5.5 van de Woo en vanwege die rechtsgrondslag is het verzoek door verweerder afgewezen. Het beroep is derhalve ontvankelijk.
De uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024
8. Eiser heeft verwezen naar meergenoemde uitspraak van rechtbank Oost-Brabant van 19 februari 2024. Daarin is geoordeeld dat artikel 67 van de Awr weliswaar een uitputtend bedoeld openbaarmakingsregime heeft maar geen uitputtend bedoeld verstrekkingenregime. Op grond hiervan heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat hij bij verweerder een verzoek kan indienen om aan hem op grond van artikel 5.5 van de Woo fiscale informatie te verstrekken die op hem betrekking heeft. Verweerder heeft tegen voornoemde uitspraak evenwel hoger beroep ingesteld bij de Afdeling en heeft vanwege het belang van de uitkomst in die zaak de rechtbank gevraagd om ‘de zitting aan te houden’ totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan. De Afdeling heeft hangende het voorliggende beroep op het hoger beroep beslist bij uitspraak van 4 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4984). De Afdeling heeft het hoger beroep gegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen.
3.2
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling […] is artikel 67, eerste lid, van de Awr een bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter die prevaleert boven de Wob. De vraag of artikel 67 ook een bijzondere regeling met een uitputtend karakter bevat voor verstrekking van onder de geheimhoudingsplicht vallende informatie over de verzoeker, heeft de Afdeling niet eerder hoeven te beantwoorden. De Wob bevatte geen regeling voor verstrekking van informatie over de verzoeker.
3.3
Naar het oordeel van de Afdeling is artikel 67, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awr, gelet op de tekst van die bepaling en de geschiedenis van de totstandkoming van de Awr (Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, blz. 13 en 19 t/m 21), een bijzondere regeling voor verstrekking van onder de geheimhoudingsplicht vallende informatie over de verzoeker. Verder kan volgens de geschiedenis het derde lid worden gebruikt om voor andere gevallen verstrekking van informatie te regelen. Uit de geschiedenis blijkt ook dat de regeling uitputtend is bedoeld. Het voorgaande levert geen conflict op met artikel 5.5 van de Woo, gelet op de woorden ‘onverminderd het elders bij wet bepaalde’ in het eerste lid van dit artikel.
3.4
De verwijzing van de rechtbank naar de geschiedenis van de totstandkoming van de Awr (Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 7, blz. 24 en 25) doet aan het voorgaande niet af. In de door de rechtbank bedoelde passage uit de geschiedenis licht de staatssecretaris toe dat de fiscale geheimhoudingsbepalingen niet aangeven wanneer de Belastingdienst verplicht is tot gegevensverstrekking over te gaan en dat verplichte gegevensverstrekkingen voortvloeien uit de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), de Invorderingswet 1990 of specifieke wetten. Verder licht de staatsecretaris toe dat in het geval een belanghebbende een wettelijk recht heeft om gegevens van de Belastingdienst te ontvangen, en de Belastingdienst daarmee een plicht heeft om deze gegevens te verstrekken, de geheimhoudingsplicht niet geldt. Deze toelichting van de staatssecretaris ziet op artikel 67, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awr, ingevolge welke bepaling de geheimhoudingsplicht niet geldt indien enig wettelijk voorschrift tot de bekendmaking verplicht. Gelet op wat hiervoor in 3.3 is overwogen, is artikel 5.5 van de Woo niet zo’n voorschrift.
3.5
De constatering van de rechtbank dat er in de geschiedenis van de totstandkoming van de Woo (bijlage bij Kamerstukken I 2021/22, 33 328, AB, blz. 105), vanuit is gegaan dat artikel 67 van de Awr voor verstrekking van onder de geheimhoudingsplicht vallende informatie over de verzoeker geen bijzondere regeling met een uitputtend karakter bevat, doet evenmin af aan wat hiervoor in 3.3 is overwogen. Een dergelijk uitgangspunt is in tegenspraak met de daar bedoelde geschiedenis van de totstandkoming van de Awr. Die geschiedenis heeft voor de interpretatie van de Awr een groter gewicht dan de passage uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Woo, waarin de uitputtende werking van artikel 67 lijkt te worden beperkt tot de openbaarmakingsregeling. Daarbij komt dat uiterlijk op 31 december 2025 artikel 66a van de Awr in werking treedt. Het eerste lid van die bepaling geeft een belastingplichtige of inhoudingsplichtige het recht om op verzoek inzage te verkrijgen in de op de verzoeker betrekking hebbende gegevens, in welk geval de geheimhoudingsplicht niet geldt. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (Kamerstukken I 2023/24, 36 418, nr. B en Kamerstukken II 2023/24, 36 418, nrs. 131 en 148) blijkt dat dit inzagerecht volgens de staatssecretaris grote impact heeft op de uitvoering van de Belastingdienst in termen van personele capaciteit en ICT. Invoering van deze bepaling zou niet nodig zijn geweest indien artikel 5.5 al van toepassing was op onder de geheimhoudingsplicht vallende informatie over de verzoeker.
De betekenis van de Afdelingsuitspraak voor het geschil
9. Gelet op deze recente uitspraak van de Afdeling kan de conclusie geen andere zijn dan dat verweerder het verzoek van eiser tot verstrekking van hem betreffende fiscale gegevens op grond van artikel 5.5 van de Woo op goede gronden heeft afgewezen omdat artikel 67 van de Awr een uitputtend bedoeld verstrekkingenregime voor persoonlijke, fiscale gegevens bevat. De verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant kan eiser derhalve niet baten. In het hiernavolgende zal de rechtbank ingaan op hetgeen eiser heeft aangevoerd.
Bespreking van de beroepsgronden
10.1
Eiser is het niet eens met de uitspraak van de Afdeling. Volgens eiser zou het voor de hand hebben gelegen als de Afdeling doorslaggevende betekenis had toegekend aan de totstandkominggeschiedenis van de Woo (in plaats van die van de Awr) nu die van recentere datum is. Voorts wijst eiser er op dat artikel 5.5 van de Woo niet wordt genoemd in artikel 8.8 van de Woo en dat artikel 67 van de Awr in de bijlage staat waarnaar in artikel 8.8 wordt verwezen. Dat betekent dat artikel 5.5 van de Woo naast artikel 67 van de Awr staat en dus had verweerder het verzoek van eiser tot verstrekking van hem betreffende fiscale gegevens op grond van artikel 5.5 van de Woo dienen te honoreren. Dat artikel 67 van de Awr geen uitputtend verstrekkingenregime bevat, ligt ook besloten in de uitzondering genoemd in artikel 67, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awr, aldus eiser.
10.2
De rechtbank stelt gelet op de hiervoor weergegeven rechtsoverwegingen vast dat de Afdeling zijn oordeel dat artikel 67 van de Awr een uitputtend bedoeld verstrekkingen-regime voor persoonlijke, fiscale gegevens bevat, heeft gebaseerd op een wetshistorische interpretatie waarbij uitdrukkelijk doorslaggevende betekenis is toegekend aan de geschiedenis van totstandkoming van de Awr (en niet aan de totstandkomingsgeschiedenis van de Woo). De reden waarom de Afdeling (als hoogte bestuursrechter) die keuze heeft gemaakt, is niet onbegrijpelijk en inzichtelijk gemotiveerd. Dat ook een andere keuze op zichzelf genomen verdedigbaar zou kunnen zijn, doet aan het vorenstaande verder niet af.
10.3
De Afdeling heeft in haar uitspraak artikel 8.8 van de Woo geciteerd en aangegeven dat artikel 67 van de Awr in de in dat artikel genoemde bijlage staat. Naar de rechtbank begrijpt, heeft de Afdeling daarmee bedoeld aan te geven zich bewust te zijn van het feit dat artikel 5.5 in artikel 8.8 voornoemd niet is uitgezonderd. Naar de letter is de in rechtsoverweging 10.1 weergegeven lezing van eiser dan ook niet onbegrijpelijk. De rechtbank kan evenwel niet anders dan vaststellen dat de Afdeling de door eiser bepleite taalkundige interpretatie van artikel 8.8 van de Woo niet heeft toegepast bij haar rechtsoordeel en op grond van de hiervoor weergegeven wetshistorische interpretatie en het toekennen van een doorslaggevend belang aan de geschiedenis van totstandkoming van de Awr tot een andere slotsom is gekomen. Ook het betoog van eiser dat artikel 67 van de Awr geen uitputtend verstrekkingenregime is hetgeen ligt besloten in de uitzondering genoemd in artikel 67, tweede lid, aanhef en onder a van de Awr, kan geen afbreuk doen aan het door de Afdeling gegeven rechtsoordeel dat artikel 67 van de Awr uitputtend is bedoeld.
10.4
Voorts heeft eiser er op gewezen dat verweerder in zijn aan de Tweede Kamer gerichte brief van 20 januari 2025 heeft aangegeven dat 31 december 2025 als beoogde invoeringsdatum van het recht op inzage in het eigen fiscale dossier ex artikel 66a van de Awr niet haalbaar is en dat door het kabinet is voorgesteld om artikel 66a voornoemd te wijzigen in een actief inzagerecht zonder bezwaar- en beroepsmogelijkheid. Deze voorgestelde wetswijziging holt het recht op inzage in het eigen fiscale dossier flagrant uit, waardoor de vraag rijst of de Afdeling thans opnieuw dezelfde uitspraak zou doen. Naar de mening van eiser komt hiermee de uitspraak van de Afdeling op losse schroeven te staan.
10.5
Anders dan eiser leest de rechtbank de uitspraak van de Afdeling niet zo dat zij bij haar oordeel dat artikel 67 van de Awr een uitputtend bedoeld verstrekkingenregime voor persoonlijke, fiscale gegevens bevat doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan de invoering van artikel 66a van de Awr op 31 december 2025. Het oordeel van de Afdeling is - zoals hiervoor besproken - gebaseerd op de hiervoor besproken wetshistorische interpretatie. Met rechtsoverweging 3.5 van de uitspraak laat de Afdeling alleen zien dat een artikel in de maak is waarin voor de belastingplichtige een recht op inzage in alle op hem betrekking hebbende fiscale gegevens is neergelegd. De invoering van artikel 66a van de Awr is naar het oordeel van de Afdeling juist een bevestiging dat artikel 67 van de Awr een uitputtend bedoeld verstrekkingenregime van persoonlijke, fiscale gegevens is omdat artikel 66a niet nodig zou zijn geweest indien artikel 5.5 van de Woo al van toepassing was op de door eiser opgevraagde informatie. Mede gelet op de impact die dit inzagerecht blijkens de uitspraak van de Afdeling volgens verweerder heeft op de uitvoering door de Belastingdienst in termen van personele capaciteit en ICT, ziet de rechtbank in het feit dat de invoering van artikel 66a van de Awr later zal plaatsvinden dan 31 december 2025 geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 67 van de Awr geen uitputtend bedoeld verstrekkingenregime bevat en dat verweerder de bij het verzoek van 5 april 2024 opgevraagde informatie op grond van artikel 5.5 van de Woo had dienen te verstrekken.
10.6
Het enkele feit dat er bij eiser geen sprake is van een lopende belastingprocedure waarin hij op grond van de artikelen 7:4 en 8:42 van de Awb bezien in samenhang met artikel 67, tweede lid, onderdeel a, van de Awr de mogelijkheid had tot inzage in de gevraagde stukken, acht de rechtbank vooralsnog onvoldoende voor een andere oordeel.
Conclusie en gevolgen
11. Resumerend is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden het door eiser bij verweerder op 5 april 2024 ingediende verzoek voor het verstrekken van op zijn persoon betrekking hebbende fiscale gegevens op grond van artikel 5.5 van de Woo heeft afgewezen. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Poggemeier, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Artikel 5.5 van de Woo luidt: Onverminderd het elders bij wet bepaalde, verstrekt een bestuursorgaan iedere natuurlijke of rechtspersoon op diens verzoek de op de verzoeker betrekking hebbende in documenten neergelegde informatie, tenzij een in artikel 5.1, eerste lid, onderdelen a, b en c, alsmede d en e, voor zover betrekking hebbend op derden, genoemd belang aan de orde is of een in artikel 5.1, tweede of vijfde lid, of artikel 5.2 genoemd belang zwaarder weegt dan het belang van de verzoeker bij toegang tot op hem betrekking hebbende informatie. De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.
Artikel 8.8 van de Woo luidt: De artikelen 3.1, 3.3, 4.1, 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 zijn niet van toepassing op informatie waarvoor een bepaling geldt die is opgenomen in de bijlage bij deze wet.
Artikel 67 van de Awr luidt:
1. Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige rijksbelasting als bedoeld in de Invorderingswet 1990 (geheimhoudingsplicht).
2. De geheimhoudingsplicht geldt niet indien:
a. enig wettelijk voorschrift tot de bekendmaking verplicht;
b. bij regeling van Onze Minister is bepaald dat bekendmaking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak van een bestuursorgaan;
c. bekendmaking plaatsvindt aan degene op wie de gegevens betrekking hebben voorzover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt.
3. In andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid kan Onze Minister ontheffing verlenen van de geheimhoudingsplicht.
Artikel 7:4, tweede lid, van de Awb luidt: Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage.
Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb luidt: Binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift aan het bestuursorgaan zendt dit de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter en kan het een verweerschrift indienen. Indien de bestuursrechter om een verweerschrift heeft verzocht, dient het bestuursorgaan binnen vier weken een verweerschrift in.