Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:2073

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
AWB - 21 _ 33
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Wet OBArt. 135 lid 1 onder g Richtlijn 2006/112/EGArt. 5 lid 3 PensioenreglementArt. 6 lid 3 PensioenreglementArt. 9 lid 3 Pensioenreglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank oordeelt dat Pensioenfonds CDC-regeling geen gemeenschappelijk beleggingsfonds is voor omzetbelasting

Eiseres betwistte de opgelegde omzetbelasting over beheersdiensten aan het Pensioenfonds voor een Collectieve beschikbare premieregeling (CDC-regeling). De kern van het geschil was of het Pensioenfonds als gemeenschappelijk beleggingsfonds kan worden aangemerkt volgens artikel 11 Wet Pro OB en de btw-richtlijn, waarbij de vraag centraal stond of de deelnemers het beleggingsrisico dragen.

De rechtbank analyseerde de pensioenregeling, waarin deelnemers jaarlijkse pensioenrechten op basis van salaris en dienstjaren opbouwen, en waarbij toeslagen afhankelijk zijn van de financiële positie en beleggingsresultaten. Hoewel toeslagen variëren met beleggingsresultaten, is de hoogte van de pensioenrechten vooraf vastgesteld en niet primair afhankelijk van deze resultaten. Korting op pensioenen is een ultimum remedium.

Het Hof van Justitie (HvJ) oordeelde in het BPL Pensioen-arrest dat deelnemers alleen het beleggingsrisico dragen als de pensioenrechten en uitkeringen primair afhankelijk zijn van beleggingsresultaten. De rechtbank concludeerde dat dit niet het geval is bij het Pensioenfonds, waardoor de vrijstelling van omzetbelasting niet van toepassing is. Ook het neutraliteitsbeginsel leidde niet tot een andere uitkomst. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard omdat het Pensioenfonds voor de CDC-regeling niet als gemeenschappelijk beleggingsfonds kan worden aangemerkt.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 21/33

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] N.V. c.s., eiseres

(gemachtigde: mr. E.M. van Kasteren),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het bedrag aan omzetbelasting dat zij op aangifte heeft voldaan voor de periode 1 april 2018 tot en met 30 juni 2018 (het tweede kwartaal 2018). Bij uitspraak op bezwaar van 13 november 2020 heeft verweerder dat bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder een verweerschrift ingediend.
Op 10 november 2022 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat de behandeling van het beroep wordt aangehouden in afwachting van de beantwoording door het Europese Hof van Justitie (HvJ) van de prejudiciële vragen die rechtbank Gelderland op 5 oktober 2022 heeft gesteld.
Verweerder heeft op 9 februari 2024 een nader stuk ingediend.
Het HvJ heeft de prejudiciële vragen beantwoord in zijn arrest van 5 september 2024 [1] (het BPL Pensioen-arrest). Eiseres is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Dat heeft zij bij brief van 18 december 2024 gedaan. Verweerder heeft, desgevraagd, hierop gereageerd bij brief van 6 februari 2025.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2025.
Namens eiseres zijn verschenen mr. [naam 1] , mr. [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] bijgestaan door de gemachtigde en mr. [naam 5] , mr. [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 9] , bijgestaan door mr. [naam 10] , mr. drs. [naam 11] en mr. [naam 12] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiseres heeft op haar aangifte voor het tweede kwartaal 2018 op 31 juli 2018 een bedrag van € 7.181.410 voldaan
.Hiervan ziet een bedrag van € 220.687 op vergoedingen die aan [bedrijf 1] (het Pensioenfonds) in rekening zijn gebracht voor beheersdiensten verleend door [bedrijf 2] B.V., onderdeel van eiseres.
2. In 2018 heeft het Pensioenfonds een Pensioenreglement opgesteld (het Pensioenreglement). Op 9 december 2019 heeft het Pensioenfonds een Actuariële en Bedrijfstechnische Nota (de ABTN) vastgesteld en op 26 juni 2020 een Uitvoeringsovereenkomst (het Uitvoeringsovereenkomst). Partijen hebben ter zitting verklaard dat deze stukken ook hebben te gelden voor het hier in geding zijnde tijdvak.
3. Het ouderdomspensioen van het Pensioenfonds heeft het karakter van een uitkeringsovereenkomst gebaseerd op een voorwaardelijk geïndexeerd middelloon; het is een zogenoemde Collectieve beschikbare premieregeling (CDC-regeling). [2] Het ouderdomspensioen wordt vooraf vastgesteld in concrete pensioenbedragen. [3]
4. Aan de werknemers worden jaarlijkse pensioenrechten toegekend die zijn gebaseerd op het (gemaximeerde) jaarinkomen en het aantal pensioenjaren. [4] De werknemers bouwen ieder jaar 1,875% van de pensioengrondslag (het jaarsalaris verminderd met de opbouwfranchise) op. [5]
5. De werkgevers zijn jaarlijks een vaste pensioenpremie verschuldigd aan het Pensioenfonds van 32,6% van de premiegrondslag (het salaris onder aftrek van de premiefranchise) [6] . Dit percentage bestaat uit een werkgeversbijdrage van 20% en een deelnemersbijdrage van 12,6%. [7] De werkgever houdt het werknemersdeel in op het salaris. [8] Voor de werkgever geldt geen bijstortingsverplichting als er bij het pensioenfonds een tekort is. [9] Er een automatische koppeling tussen het salaris en de te betalen pensioenpremie voor elke deelnemer. De berekening voor het werkgeversdeel is hieraan gekoppeld. [10]
6. Afhankelijk van de financiële positie en de te verwachten ontwikkeling daarvan van het Pensioenfonds worden in beginsel jaarlijks toeslagen verleend op de pensioenaanspraken en pensioenrechten tot ten hoogste het prijsindexcijfer. Voor die eventuele toeslagen wordt geen reserve gevormd, zij worden in voorkomend geval gefinancierd uit het beleggingsrendement. Afhankelijk van de beleidsdekkingsgraad kan verder extra toeslag worden verleend om misgelopen toeslagen in het verleden te compenseren of in het verleden doorgevoerde vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten te compenseren (incidentele toeslagverlening). [11]
7 In de ABTN is bepaald dat het besluit om een toeslag toe te kennen wordt gebaseerd op de beleidsdekkingsgraad. Bij een beleidsdekkingsgraad lager dan of gelijk aan 110% wordt geen toeslag verleend. Bij een beleidsdekkingsgraad tussen 110% en 130 % is de toeslag opbouwend en bij een beleidsdekkingsgraad van 130% en hoger wordt volledige toeslag verleend en eventueel ook een incidentele toeslag. [12]
8. Indien de premiebijdragen in een bepaald jaar onvoldoende zijn om de toename van de pensioenaanspraken in dat jaar in te kopen, moeten deze aanspraken worden vastgesteld op een naar rato van het premietekort verminderd bedrag, tenzij op een andere wijze in het premietekort kan worden voorzien. [13] Is sprake van een vermogenstekort bij het pensioenfonds en is voldaan aan de voorwaarden van artikel 134 Pensioenwet Pro, dan kan het Pensioenfonds besluiten de aanspraken op reeds ingegane pensioenuitkeringen en op toekomstige pensioenen te verminderen naar evenredigheid van hun aanspraken ten tijde van de vermindering. [14]
9. Er wordt slechts tot korting overgegaan indien alle andere beschikbare sturingsmiddelen maximaal zijn ingezet en het Pensioenfonds desondanks naar verwachting niet binnen de gekozen herstelperiode aan het vereist eigen vermogen kan voldoen. [15]
10. Het Pensioenfonds beschikt over de volgende sturingsmiddelen [16] :
-beperken toeslagverlening;
-aanpassen beleggingsbeleid;
-premieverhoging (waarbij verhoging van het werkgeverspremie niet mogelijk is en verhoging van de werknemerspremie in het cao-overleg moet worden ingebracht);
-de werkgever verzoeken een extra storting te doen;
-korten van pensioenen;
-versoberen van de pensioenregeling.
11. In zijn brief van 19 september 2014 [17] (de brief van de staatssecretaris) aan de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris van Financiën in reactie op het arrest van het HvJ van 13 maart 2014 (ATP-arrest) [18] onder meer het volgende meegedeeld:
“Pensioenlichamen die individuele DC-pensioenregelingen uitvoeren, worden gefinancierd door de pensioenontvangers. Het spaargeld wordt belegd volgens het beginsel van risicospreiding en het beleggingsrisico wordt gedragen door de leden van het pensioenfonds. Dergelijk fondsen kunnen als een gemeenschappelijk beleggingsfonds worden aangemerkt. De deelnemers ontvangen een pensioen waarvan de hoogte afhangt van de betaalde pensioenpremies en het rendement van de beleggingen. Bij een dergelijk pensioenfonds is de hoogte van de pensioenuitkering niet vooraf bepaald of gemaximeerd. Het beheer van dergelijke pensioeninstellingen is vrijgesteld van btw.
(…)
Het is echter ook mogelijk dat sprake is van een collectieve DC-pensioenregeling waarbij de pensioenafspraken van de individuele deelnemers wel zijn opgebouwd op een vergelijkbare wijze als gebruikelijk is bij de individuele DC-pensioenregeling. In die gevallen zal het beheer van een dergelijk pensioenfonds wel zijn vrijgesteld van btw.
In dit soort gevallen zal aan de hand van alle feiten en omstandigheden moeten worden beoordeeld of sprake is van een gemeenschappelijk beleggingsfonds en of de belastingheffing over de beheerdiensten wijzigt naar aanleiding van het ATP-arrest”.
Geschil12. In geschil is of eiseres terecht omzetbelasting heeft voldaan terzake van de beheersdiensten aan het Pensioenfonds voor de CDC-pensioenregeling. Daarbij gaat het om de vraag of het Pensioenfonds voor de CDC-regeling kan worden aangemerktals een gemeenschappelijk beleggingsfonds als bedoeld in artikel 11, eerste lid, letter i, ten derde, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) in samenhang gelezen met artikel 135, eerste lid, aanhef en letter g, van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (de btw-richtlijn).
13. Bij brief van 9 februari 2024 heeft verweerder de rechtbank meegedeeld zich niet langer op het standpunt te stellen dat de fiduciaire dienstverlening aan het Pensioenfonds geen beheer is in de zin van de vrijstelling. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de deelnemers in het Pensioenfonds het beleggingsrisico dragen.
14. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de deelnemers in het Pensioenfonds het beleggingsrisico dragen. Zij voert daartoe het volgende aan.
De toekenning van de pensioenrechten is voorwaardelijk omdat deze afhankelijk is van de toereikendheid van de premie (pensioenopbouw) en de financiële positie van het Pensioenfonds (pensioenuitkeringen). Ook de indexatie van de pensioenrechten is afhankelijk van het resultaat dat het Pensioenfonds met de beleggingen heeft behaald.
Er is slechts sprake van de ambitie om een bepaald pensioen uit te keren, maar er is geen garantie dat dit daadwerkelijk uitgekeerd zal worden.
Zowel de positieve als negatieve beleggingsresultaten komen toe aan de deelnemers. Als de beleggingsresultaten gunstig zijn, stijgt de dekkingsgraad en mogen de pensioenaanspraken en -rechten worden geïndexeerd. Die toeslagen worden volledig gefinancierd uit het beleggingsrendement. Wanneer de beleggingsresultaten ongunstig zijn, daalt de dekkingsgraad. Bij een te lage dekkingsgraad zal niet of slechts gedeeltelijk worden geïndexeerd. Ook kunnen de pensioenuitkeringen worden verlaagd indien de pensioenpremie onvoldoende is om de pensioenopbouw in een bepaald jaar te financieren.
De financiële verplichtingen van de werkgever zijn beperkt tot het storten van de pensioenpremies. Zodra hij aan deze verplichting heeft voldaan, loopt de werkgever geen risico meer. Bij het vaststellen van de (kostendekkende) premie wordt een bepaald verwacht rendement op beleggingen verondersteld (het ingerekende rendement). Bij liquidatie van het Pensioenfonds wordt een eventueel resterend batig saldo uitsluitend aangewend ten behoeve van de deelnemers. Indien de beleggingen hun waarde verliezen of tenietgaan, zullen de geldelijke gevolgen daarvan door het Pensioenfonds worden afgewenteld op de deelnemers. Het Pensioenfonds is niets meer of minder dan een doorgeefluik; alle beleggingsrisico’s komen uiteindelijk (direct of indirect) langs de band van de voorwaardelijke aanspraken voor rekening van de deelnemers. Korten is weliswaar het ultimum remedium, maar omdat het aanpassen van het beleggingsbeleid geen geld oplevert en de premie gemaximeerd is, is dat ultimum remedium ook snel het enige remedium. Het korten is dus afhankelijk van het beleggingsresultaat en de uiteindelijke pensioenuitkeringen worden bepaald naar gelang de resultaten van de beleggingen.
De pensioenuitkeringen bestaan gemiddeld voor 71% uit beleggingsresultaten. Als het Pensioenfonds niet zou beleggen en er dus geen beleggingsresultaten zouden zijn, zouden de pensioenuitkeringen gemiddeld 71% lager zijn.
15. In het licht van het neutraliteitsbeginsel stelt eiseres zich op het standpunt dat de vrijstelling zo moet worden uitgelegd dat het Pensioenfonds vanuit het oogpunt van de juridische en financiële situatie van de deelnemers, vergelijkbaar is met een pensioenfonds met een individuele DC-regeling als bedoeld in de brief van de staatsecretaris. Een individuele DC-regeling en een collectieve DC-regeling zijn voor de gemiddelde deelnemer
soortgelijke producten die in belangrijke mate dezelfde eigenschappen hebben. Daarom concurreren de regelingen met elkaar. Beide regelingen voorzien in opbouw en uitkering van pensioen, op basis van ingelegde premies en de daarmee behaalde beleggingsresultaten, waaraan bepaalde waarborgen en risico’s zijn verbonden. Het enige verschil is het meer of minder individuele karakter. De regelingen voorzien in dezelfde behoefte, namelijk het treffen van een pensioenregeling die is gebaseerd op ingelegde premies en de daarmee behaalde beleggingsresultaten. Het verschil in collectief/individueel zal de keuze niet beïnvloeden. Die keuze hangt af van het individuele risicoprofiel van de deelnemer. Niet valt in te zien, volgens eiseres, waarom de gemiddelde deelnemer de voorkeur zou geven voor de ene regeling boven de andere. Op grond van het neutraliteitsbeginsel dient ook het Pensioenfonds te worden beschouwd als een gemeenschappelijk beleggingsfonds.
16. Eiseres concludeert tot teruggaaf van omzetbelasting ten bedrage van € 220.587.
17. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van beleggingsrisico bij de deelnemers in het Pensioenfonds. De jaarlijkse pensioenaanspraken en -rechten worden berekend aan de hand van een percentage van de pensioengrondslag vermenigvuldigd met de arbeidsduurfactor. De beleggingsresultaten zijn hierop niet van invloed. Het is een juridische toezegging van het Pensioenfonds waarvan slechts als ultimum remedium kan worden afgeweken. Verlaging van de opgebouwde aanspraken is slechts mogelijk nadat alle andere herstelmogelijkheden zijn uitgeput. De jaarlijkse aanspraak wordt vastgesteld door per jaar te bepalen welk pensioenbedrag op basis van de voor dat jaar beschikbare premie kan worden opgebouwd. Het ingerekende rendement op de premie wordt aan de hand van de rekenrente bepaald waarbij niet wordt gerekend met de feitelijk door het Pensioenfonds behaalde beleggingsresultaten. De deelnemers lopen enkel het risico dat het Pensioenfonds een toeslag verleent of kort, waarvoor de beleidsdekkingsgraad bepalend is. Beleggingsresultaten zijn slechts ten dele van invloed op de beleidsdekkingsgraad, de rekenrente heeft daarop een veel belangrijker invloed. Daarnaast is de ontwikkeling van de levensverwachting daarop van invloed.
18. Voor de toetsing aan het neutraliteitsbeginsel is het uitsluitende criterium of de juridische en financiële situatie van de deelnemer in het Pensioenfonds ten opzichte van de positie van de deelnemers in een DC-regeling als bedoeld in de brief van de staatssecretaris vergelijkbaar is. Dat is volgens verweerder niet het geval
.De deelnemers in het Pensioenfonds hebben een juridisch afdwingbaar recht op een vooraf vastgestelde uitkering. Bij de DC’s uit de brief van de staatsecretaris hebben de deelnemers geen aanspraak op een bepaalde uitkering maar is enkel de hoogte van de premie overeengekomen. Die premie wordt belegd en de uiteindelijke aanspraak is vrijwel geheel afhankelijk van de resultaten van die belegging. De hoogte van de aanspraak is pas bekend op de pensioendatum en de deelnemer zal zelf een pensioenuitkering moeten aankopen. Ook de financiële positie van de deelnemers verschilt wezenlijk omdat de deelnemer in een DC-regeling pensioen opbouwt door middel van premie-inleg, die belegd wordt op een individuele rekening. De deelnemer draagt het volledige beleggingsrisico, maar profiteert ook volledig van de beleggingsopbrengsten. De uiteindelijke hoogte van de aanspraak hangt volledig af van het vermogen dat aldus is opgebouwd op pensioendatum.
19. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

20. Op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel i, ten derde, van de Wet OB is van omzetbelasting vrijgesteld het beheer van door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens (de vrijstelling). Met deze bepaling heeft de wetgever uitvoering gegeven aan artikel 135, eerste lid, aanhef en letter g, van de btw-richtlijn, op grond waarvan is vrijgesteld “het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen als omschreven door de lidstaten”.
21. Pensioenfondsen zijn als zodanig geen beleggingsfonds of beleggingsmaatschappij als bedoeld in de vrijstelling. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. Uit de jurisprudentie volgt echter dat pensioenfondsen onder bepaalde omstandigheden toch onder de vrijstelling kunnen worden gerangschikt. [19]
22. Het HvJ heeft in het ATP-arrest voor recht verklaard dat artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn (thans artikel 135, eerste lid, aanhef en letter g, van de btw-richtlijn) aldus moet worden uitgelegd dat pensioenfondsen onder deze bepaling kunnen vallen wanneer zij worden gefinancierd door de pensioenontvangers, het spaargeld wordt belegd volgens het beginsel van risicospreiding en het beleggingsrisico wordt gedragen door de leden van het pensioenfonds.
23. In het BPL Pensioen-arrest heeft het HvJ verder het volgende voor recht verklaard:
“1) Artikel 135, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112/EG (…), moet aldus moet worden uitgelegd dat de deelnemers aan een pensioenfonds dat uit hoofde van een collectieve pensioenregeling uitvoering geeft aan een pensioenovereenkomst die voorziet in pensioenrechten en pensioenuitkeringen waarvan het bedrag, hoewel het wordt bepaald op basis van een referentiepensioen of van de arbeidsinkomsten en het aantal dienstjaren van elke deelnemer, onder bepaalde voorwaarden kan variëren als gevolg van de resultaten van de beleggingen van dat pensioenfonds, slechts kunnen worden geacht het beleggingsrisico te dragen wanneer dat bedrag in de eerste plaats afhankelijk is van de resultaten van die beleggingen. Bij een dergelijke beoordeling is noch het aantal jaren dat een deelnemer pensioenrechten heeft opgebouwd, noch het feit dat de opbouw van pensioenrechten bij een pensioenfonds op een bepaald moment is onderbroken, relevant. De omstandigheden dat het risico individueel dan wel collectief wordt gedragen, met name in geval van faillissement, en dat een werkgever zich gedurende een bepaalde periode garant heeft gesteld voor de verwachte opbouw van de pensioenrechten, zijn wel relevante factoren, die als zodanig echter niet doorslaggevend zijn.”
24. Vrijstellingen vormen een uitzondering op de hoofdregel dat omzetbelasting wordt geheven over iedere dienst die door een ondernemer onder bezwarende titel wordt verricht en dienen daarom beperkt te worden uitgelegd. [20] De bewijslast dat de vrijstelling van toepassing is, rust op eiseres. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van beheersdiensten, dat het Pensioenfonds wordt gefinancierd door de pensioenontvangers, dat het bijeengebrachte geld wordt belegd volgens het beginsel van risicospreiding en dat het Pensioenfonds onder bijzonder overheidstoezicht staat. Eiseres dient daarom nog uitsluitend aannemelijk te maken dat de deelnemers het beleggingsrisico dragen als omschreven in het BPL Pensioen-arrest.
25. Uit het BPL Pensioen-arrest volgt dat voor de beoordeling of de deelnemers het beleggingsrisico dragen, moet worden vastgesteld of in de pensioenregeling het bedrag van de pensioenrechten en -uitkeringen kan variëren als gevolg van de beleggingsresultaten van het Pensioenfonds én daarmee in de eerste plaats afhankelijk is van de resultaten van die beleggingen.
26. Vaststaat dat in deze zaak aan de werknemers jaarlijkse pensioenrechten worden toegekend die zijn gebaseerd op het (gemaximeerde) jaarinkomen en het aantal pensioenjaren. De pensioenaanspraken zijn dus niet gebaseerd op eventuele beleggingsresultaten. Indien de premiebedragen in een bepaald jaar onvoldoende zijn om de toename van de pensioenaanspraken in dat jaar in te kopen, worden deze aanspraken weliswaar naar rato van het premietekort verlaagd, maar dat brengt geen wijziging in de pensioengrondslag van jaarinkomen en pensioenjaren. De grondslagen variëren dan ook niet als gevolg van eventuele beleggingsresultaten van het Pensioenfonds.
27. De pensioenpremie wordt vastgesteld op basis van het salaris van de premiegrondslag (het salaris onder aftrek van de premiefranchise). Ook de pensioenpremie varieert dus niet al naar gelang de beleggingsresultaten van het Pensioenfonds. Eiseres heeft, tegenover de weerspreking door verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat het ingerekend rendement op de premie wordt bepaald aan de hand van de feitelijk door het Pensioenfonds behaalde beleggingsresultaten.
28. Voor wat betreft de eventuele toeslagen die uitsluitend worden gefinancierd uit de beleggingsresultaten, is wel sprake van variatie als gevolg van beleggingsresultaten. Gesteld noch gebleken is echter dat, indien die toeslagen worden toegekend, deze in verhouding staan tot het daadwerkelijk behaalde beleggingsresultaat. Zo dat al het geval is, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat dit een zodanige grote invloed heeft dat het bedrag van de pensioenaanspraken en -rechten in de eerste plaats afhankelijk is van de beleggingsresultaten.
29. De verschillende voorbeeldberekeningen van eiseres laten weliswaar zien dat uiteindelijk een groot deel van de pensioenuitkeringen wordt bekostigd uit het beleggingsresultaat, maar die berekeningen zien op de financiering van de pensioenuitkeringen. In punt 50 van het BPL Pensioen-arrest overweegt het HvJ echter dat de vraag of de deelnemers beleggingsrisico lopen, moet worden beantwoord rekening houdend met alle kenmerken van de betrokken pensioenovereenkomsten. De wijze waarop de uiteindelijke pensioenuitkeringen worden gefinancierd is dus niet bepalend.
30. Gelet op al het voorgaande is eiseres niet geslaagd in de op haar rustende bewijslast. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat de deelnemers in onderhavige pensioenregeling een beleggingsrisico lopen dat vergelijkbaar is met dat van de deelnemers in een beleggingsfonds of -instelling.
31. De opmerking van de president van de Nederlandsche Bank in zijn speech op 29 september 2020 dat de hoogte van het pensioen primair afhangt van de inleg en het behaalde rendement waarnaar eiseres verwijst, leidt niet tot een ander oordeel. Een dergelijke algemene opmerking zegt immers niets over hoe een en ander in een concrete pensioenregeling is geregeld.
Neutraliteitsbeginsel
32. Het neutraliteitsbeginsel verzet zich ertegen dat soortgelijke diensten, dat wil zeggen diensten die met elkaar concurreren, voor de heffing van de omzetbelasting verschillend worden behandeld. [21]
In het BPL Pensioen-arrest heeft het HvJ daarover het volgende voor recht verklaard:
“2) Artikel 135, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112, gelezen in het licht van het beginsel van fiscale neutraliteit, moet aldus moet worden uitgelegd dat, om te bepalen of een pensioenfonds dat geen instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) is in aanmerking komt voor de vrijstelling van deze bepaling, niet alleen een vergelijking met een dergelijke instelling moet worden gemaakt, maar ook moet worden beoordeeld of dit pensioenfonds vanuit het oogpunt van de juridische en financiële situatie van de deelnemer ten opzichte van het pensioenfonds vergelijkbaar is met andere fondsen die geen instellingen voor collectieve belegging in effecten zijn maar door de betrokken lidstaat worden beschouwd als gemeenschappelijke beleggingsfondsen in de zin van deze bepaling.”
33. In onderhavige zaak dient dan ook te worden beoordeeld of vanuit het oogpunt van de juridische en financiële situatie van de gemiddelde deelnemer, onderhavige pensioenregeling vergelijkbaar is met een individuele Defined Contribution regeling (DC-regeling).
34. Deze regelingen verschillen reeds ingrijpend omdat bij de DC-regeling de deelnemer bij zijn pensionering met een, vooraf niet vast te stellen uitkeringsbedrag, zelf een pensioenregeling moet inkopen terwijl bij onderhavige pensioenregeling de deelnemer bij zijn pensionering een juridische aanspraak heeft op een pensioenuitkering. De toezegging op basis van inkomen en dienstjaren is wezenlijk anders dan een toezegging op basis van onzekere beleggingsresultaten. Verder lopen de deelnemers in onderhavige pensioenregeling, zoals hiervoor bij 30 is geoordeeld, geen (noemenswaardig) beleggingsrisico. Uit de brief van de staatssecretaris blijkt echter expliciet dat bij de DC-regeling waarvoor hij het uitvoerende pensioenfonds aanmerkt als een gemeenschappelijk beleggingsfonds, het beleggingsrisico wordt gedragen door de deelnemers. De rechtbank acht dat vanuit het oogpunt van de gemiddelde deelnemer als een zodanig essentieel kenmerk, dat daarom geen sprake is van vergelijkbare regelingen.
35. Gezien het voorgaande heeft eiseres evenmin aannemelijk gemaakt dat het Pensioenfonds op basis van het neutraliteitsbeginsel gelijk gesteld moet worden met pensioenfondsen die een DC-regeling uitvoeren.
36. Gelet op al het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
37. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, voorzitter, en mr. S. Richters en mr. dr. M.M.W.D. Merkx, leden, in aanwezigheid van mr. S.A. Carter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn.
Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.HvJ 5 september 2024, Stichting BPL Pensioen e.a., C-639/22 tot en met C-644/22, ECLI:EU:C:2024:688.
2.Paragraaf 4.3, van de ABTN.
3.Artikel 5, derde lid, artikel 6, derde lid en artikel 9, derde lid, van het Pensioenreglement.
4.Artikel 4, derde en vierde lid, van het Pensioenreglement.
5.Toelichting pensioenbegrippen en artikel 5, tweede lid, van het Pensioenreglement.
6.Toelichting pensioenbegrippen en artikel 23, van het Pensioenreglement, en paragraaf 8.3, van de ABTN.
7.Artikel 6, van de Uitvoeringsovereenkomst.
8.Artikel 24, derde lid, van het Pensioenreglement.
9.Artikel 23, van het Reglement en artikel 6, vijfde lid, van de Uitvoeringsovereenkomst.
10.Paragraaf 3.3.2, van de ABTN.
11.Artikel 10, van het Reglement en paragraaf 4.3.1 en 9.4, van de ABTN.
12.Paragraaf 4.3.1, zesde lid, van de ABTN.
13.Artikel 29, derde lid, van het Reglement.
14.Artikel 29, vijfde lid, van het Reglement.
15.Paragraaf 9.6, van de ABTN.
16.Paragraaf 10.4, van de ABTN.
17.Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 32 043, nr. 228.
18.HvJ 13 maart 2014, C-464/12 (ATP PensionService), ECLI:EU:C:2014:139.
19.HvJ 7 maart 2013, C-424/11 (Wheels Common Investment Fund Trustees e.a.), EU:C:2013:144, HvJ 13 maart 2014, C-464/12 (ATP PensionService), EU:C:2014:139 en HvJ 9 december 2015, C-595/13 (Fiscale Eenheid X), EU:C:2015:801.
20.vgl. HvJ 19 juli 2012 Deutsche Bank AG, C-44/11, ECLI:EU:C:2012:484, overweging 42.
21.vgl. HvJ EU 10 september 2002, (Kügler), ECLI:EU:C:2002:473 en HvJ EU 15 november 2012, (Zimmermann). ECLI:EU:C:2012:716.