AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid beroep teruggaafbeschikking en ongegrondverklaring beroep naheffingsaanslagen omzetbelasting pensioenfonds
Eiseres, een bedrijfstakpensioenfonds, stelde beroep in tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting en een teruggaafbeschikking voor het jaar 2011. De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen de teruggaafbeschikking niet-ontvankelijk is omdat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt, een vereiste volgens de Algemene wet bestuursrecht.
Inhoudelijk draait het geschil om de vraag of eiseres kan worden aangemerkt als een gemeenschappelijk beleggingsfonds in de zin van artikel 11, eerste lid, letter i, onder 3, van de Wet op de omzetbelasting 1968, en daarmee recht heeft op vrijstelling van omzetbelasting voor beheersdiensten. De kern is of de deelnemers het beleggingsrisico dragen.
De rechtbank stelt vast dat de pensioenregeling van eiseres een uitkeringsovereenkomst is waarbij de pensioenrechten primair afhankelijk zijn van het pensioengevend salaris en dienstjaren, en niet in de eerste plaats van beleggingsresultaten. Hoewel toeslagen uit beleggingsopbrengsten kunnen worden gefinancierd, is niet aannemelijk gemaakt dat deze in verhouding staan tot het beleggingsresultaat. Daarom dragen de deelnemers niet het beleggingsrisico zoals vereist.
Ook het beroep op het neutraliteitsbeginsel faalt omdat de regeling wezenlijk verschilt van een individuele Defined Contribution regeling waarbij het beleggingsrisico wel bij de deelnemers ligt. De naheffingsaanslagen zijn daarom terecht opgelegd en het beroep wordt ongegrond verklaard.
De rechtbank wijst verder proceskostenveroordeling af en wijst op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Het beroep tegen de teruggaafbeschikking is niet-ontvankelijk en het beroep tegen de naheffingsaanslagen wordt ongegrond verklaard.
Voetnoten
1.HvJ 5 september 2024, Stichting BPL Pensioen e.a., C-639/22 tot en met C-644/22, ECLI:EU:C:2024:688.
2.Hoofdstuk A, onderdeel I, artikel 8, van het Pensioenreglement.
3.Uitvoeringsreglement, pagina 19.
4.Hoofdstuk A, onderdeel I, artikel 1.25, van het Pensioenreglement.
5.Hoofdstuk A, onderdeel I, artikel 1.22, van het Pensioenreglement.
6.Hoofdstuk A, onderdeel II, artikel 2.2, van het Pensioenreglement.
7.Hoofdstuk 2, artikel 2, van het Uitvoeringsreglement en Hoofdstuk A, onderdeel VII, artikel 1, van het Pensioenreglement.
8.Hoofdstuk A, onderdeel I, artikel 8, van het Pensioenreglement.
9.Hoofdstuk A, onderdeel II, artikel 7, van het Pensioenreglement.
10.Artikel 8.2, van het Uitvoeringsreglement.
11.Hoofdstuk A, onderdeel V, artikel 1, van het Pensioenreglement.
12.Artikel 7.1, van het Uitvoeringsreglement.
13.Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 32 043, nr. 228.
14.HvJ 13 maart 2014, C-464/12 (ATP PensionService), ECLI:EU:C:2014:139.
15.HvJ 7 maart 2013, C-424/11 (Wheels Common Investment Fund Trustees e.a.), ECLI:EU:C:2013:144, HvJ 13 maart 2014, C-464/12 (ATP PensionService), ECLI:EU:C:2014:139 en HvJ 9 december 2015, C-595/13 (Fiscale Eenheid X), ECLI:EU:C:2015:801.
16.vgl. HvJ 19 juli 2012 Deutsche Bank AG, C-44/11, ECLI:EU:C:2012:484, overweging 42.
17.vgl. HvJ EU 10 september 2002, (Kügler), ECLI:EU:C:2002:473 en HvJ EU 15 november 2012, (Zimmermann). ECLI:EU:C:2012:716.