ECLI:NL:RBNHO:2026:2037

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
AWB - 21 _ 34
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 1 letter i ten derde Wet op de omzetbelasting 1968Art. 135 lid 1 aanhef en letter g Btw-richtlijn 2006/112/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijstelling omzetbelasting op beheersdiensten pensioenfondsen niet van toepassing

Eiseres, een fiscale eenheid voor de omzetbelasting, verricht beheersdiensten aan diverse pensioenfondsen die Collectieve beschikbare premieregelingen (CDC) en Beschikbare premieregelingen (DC) uitvoeren. Zij heeft bezwaar gemaakt tegen de door haar betaalde omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2019, stellende dat een deel van haar diensten vrijgesteld zou moeten zijn op grond van artikel 11, eerste lid, letter i, ten derde, van de Wet op de omzetbelasting 1968.

De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak in een gerelateerde zaak (HAA 21/33) waarin is geoordeeld dat de CDC-regeling van Stichting R niet kwalificeert als een beleggingsinstelling en dat de vrijstelling daarom niet van toepassing is. Het primaire geschilpunt behoeft daarom geen verdere behandeling.

Het subsidiaire geschil betreft de vraag of de vrijstelling gedeeltelijk kan worden toegepast op de diensten aan Stichting C, die zowel CDC- als DC-regelingen uitvoert. Eiseres stelt dat het beheer van het nabestaandenpensioen als bijkomende dienst opgaat in de overige vrijgestelde diensten, of subsidiair dat de vrijstelling moet gelden voor het deel van de vergoeding dat betrekking heeft op de excedent- en vrijwillige regeling.

De rechtbank oordeelt dat de vrijstelling beperkt moet worden uitgelegd en dat de beheersdienst een allesomvattende dienst is die niet kan worden gesplitst in afzonderlijke componenten met verschillende fiscale kwalificaties. De verwijzing naar het Blackrock-arrest ondersteunt dit oordeel. De brief van de inspecteur Grote Ondernemingen leidt niet tot een ander oordeel.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de btw-vrijstelling af.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 21/34

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] c.s., eiseres

(gemachtigde: mr. E.M. van Kasteren),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het bedrag aan omzetbelasting dat zij op aangifte heeft voldaan voor de periode 1 april 2019 tot en met 30 juni 2019 (het tweede kwartaal 2019). Bij uitspraak op bezwaar van 20 november 2020 heeft verweerder dat bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Op 10 november 2022 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat de behandeling van het beroep wordt aangehouden in afwachting van de beantwoording door het Europese Hof van Justitie (HvJ) van de prejudiciële vragen die rechtbank Gelderland op 5 oktober 2022 heeft gesteld.
Het HvJ heeft die prejudiciële vragen beantwoord in zijn arrest van 5 september 2024. [1] Eiseres is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Dat heeft zij bij brief van 18 december 2024 gedaan. Verweerder heeft, desgevraagd, hierop gereageerd bij brief van 6 februari 2025.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2025. Namens eiseres zijn verschenen mr. [naam 1] , mr. [naam 2] , [naam 3] en
[naam 4] bijgestaan door de gemachtigde en mr. [naam 5] , mr. [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 9] , bijgestaan door mr. [naam 10] , mr. drs. [naam 11] en mr. [naam 12] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiseres is een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Zij verricht diensten aan diverse pensioenfondsen die verschillende pensioenregelingen uitvoeren waaronder zogenoemde Beschikbare premieregelingen (DC-regelingen) en Collectieve beschikbare premieregelingen (CDC-pensioenregelingen). Het betreft in het hier voorliggende aangiftetijdvak onder meer de Stichting [B] (Stichting B), de Stichting [R] (Stichting R) en de Stichting [C] (Stichting C). Stichting B en Stichting R voeren uitsluitend een CDC-pensioenregeling uit, Stichting C voert zowel een CDC-pensioenregeling uit als een DC-regeling.
2. Eiseres heeft op haar aangifte voor het tweede kwartaal 2019 op 31 juli 2019 een bedrag van € 8.226.757 aan omzetbelasting voldaan ter zake van haar dienstverlening aan de diverse pensioenfondsen. Eiseres heeft tegen die voldoening op aangifte bezwaar gemaakt, omdat volgens haar deels (€ 2.277.429) sprake is van beheersdiensten waarop de vrijstelling als bedoeld in artikel 11, eerste lid, letter i, ten derde, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de vrijstelling) van toepassing is. Voor Stichting B gaat het om een bedrag van € 122.757, voor Stichting R om een bedrag van € 32.257 en voor Stichting C om een bedrag van € 1.101.
3. Stichting C voert in 2019 drie pensioenregelingen uit, te weten een exedent-regeling (ook aangeduid als “nieuwe basisregeling”), een vrijwillige regeling en een nabestaandenpensioen. In een brief van 29 januari 2018 heeft de inspecteur van de Belastingdienst Grote Ondernemingen, kantoor Utrecht, daarover het standpunt ingenomen dat bij de exedent-regeling en de vrijwillige regeling sprake is van ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens en dat op het beheer daarvan de vrijstelling kan worden toegepast. Bij de regeling nabestaandenpensioen is volgens die inspecteur de hoogte van de uitkeringen niet afhankelijk van enig beleggingsrisico. Voor deze regeling is volgens die inspecteur daarom geen sprake van een vermogen als bedoeld in de vrijstelling en is op de kosten die voor het beheer daarvan in rekening worden gebracht, de vrijstelling niet van toepassing.
Geschil4. In eerste instantie was primair in geschil of eiseres terecht omzetbelasting heeft voldaan ter zake van de beheersdiensten aan Stichting B. Partijen hebben vóór de zitting aan de rechtbank meegedeeld dat zij de pensioenregeling van Stichting B niet langer aan deze rechtbank willen voorleggen, maar dat in plaats daarvan het geschil ziet op de vergoedingen die eiseres in rekening heeft gebracht aan Stichting R.
In geschil is of Stichting R kan worden aangemerkt als een gemeenschappelijk beleggingsfonds als bedoeld in de vrijstelling in samenhang gelezen met artikel 135, eerste lid, aanhef en letter g, van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (de btw-richtlijn). Het geschil spitst zich toe op de vraag of de deelnemers het beleggingsrisico dragen.
5. Indien de rechtbank oordeelt dat voor wat betreft de CDC-regeling van Stichting R geen sprake is van een ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen als bedoeld in de vrijstelling, is subsidiair in geschil of eiseres op haar diensten aan Stichting C, die zowel een CDC-regeling als een DC-regeling uitvoert, de vrijstelling geheel of gedeeltelijk kan toepassen.
6. De CDC-pensioenregeling van Stichting R is door deze rechtbank beoordeeld in de, tevens op de zitting van 1 december 2025 behandelde, zaak met zaaknummer HAA 21/33. In de zaak HAA 21/33 heeft de rechtbank geoordeeld dat de deelnemers in de CDC-pensioenregeling van Stichting R geen beleggingsrisico lopen, dat Stichting R daarom niet kwalificeert als een beleggingsinstelling in de zin van de vrijstelling en dat de vrijstelling daarom niet van toepassing is op de dienstverlening van eiseres aan Stichting R.
Partijen hebben ter zitting verklaard dat het oordeel van de rechtbank in de zaak HAA 21/33 tevens heeft te gelden voor het primaire geschilpunt in onderhavige zaak.
Het primaire geschilpunt in deze zaak behoeft daarom geen verdere behandeling meer.
7. Gezien het oordeel van de rechtbank in de zaak HAA 21/33 komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling van het subsidiaire geschilpunt.
8. Eiseres stelt zich ten aanzien van het subsidiaire geschil primair op het standpunt dat het beheer van het nabestaandenpensioen als bijkomende dienst opgaat in de overige btw-vrijgestelde beheersdiensten. De vrijstelling dient daarom te worden toegepast op de totale vergoeding die zij aan Stichting C in rekening brengt voor haar beheersdiensten. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat de vrijstelling moet worden toegepast op dat deel van de vergoedingen dat ziet op de excedent-regeling en de vrijwillige regeling. Eiseres verwijst daartoe naar de brief van de inspecteur van de Belastingdienst Grote Ondernemingen aangehaald bij 3. Ook verwijst eiseres naar de parlementaire geschiedenis bij de invoering van een Algemeen Pensioenfonds (APF) waarin staat dat per beheersdienst moet worden beoordeeld of deze met btw belast is of is vrijgesteld.
9. Eiseres concludeert voor wat betreft het subsidiaire geschilpunt tot een teruggaaf van € 1.101.
10. Verweerder stelt zich ten aanzien van het subsidiaire geschilpunt op het standpunt dat het niet mogelijk is de vrijstelling toe te passen op een deel van de dienstverlening van eiseres aan Stichting C. Het is niet mogelijk de vergoeding te splitsen omdat op een prestatie maar één fiscale kwalificatie van toepassing kan zijn.
De inspecteur Grote Ondernemingen, kantoor Utrecht, heeft in zijn brief niet het standpunt ingenomen dat op één dienst gedeeltelijk de vrijstelling kan worden toegepast. De brief bevat alleen een standpuntbepaling over de aard van de pensioenregelingen van Stichting C en of sprake is van vermogen als bedoeld in de vrijstelling. De positie van eiseres is daar niet beoordeeld. De verwijzing naar de parlementaire geschiedenis bij de invoering van een APF gaat volgens verweerder mank omdat het daarbij gaat om pensioenregelingen die elk een afzonderlijke collectiviteitskring vertegenwoordigen en waarbij de dienstverlening per kring wordt verricht en moet worden beoordeeld. Verweerder verwijst verder naar het Blackrock-arrest van het HvJ. [2]
11. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

12. Vrijstellingen vormen een uitzondering op de hoofdregel dat omzetbelasting wordt geheven over iedere dienst die door een ondernemer onder bezwarende titel wordt verricht en dienen daarom beperkt te worden uitgelegd. [3] De vrijstelling kan alleen worden toegepast op het beheer van door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens.
Eiseres, op wie in deze de bewijslast rust, heeft haar primaire stelling dat het beheer van het nabestaandenpensioen als bijkomende dienst opgaat in haar overige btw-vrijgestelde diensten niet aannemelijk gemaakt. Het desalniettemin toepassen van de vrijstelling op de gehele vergoeding die eiseres aan Stichting C in rekening brengt, zou dan betekenen dat de vrijstelling ook zou worden toegepast op dienstverlening waarop die vrijstelling niet ziet. Daarmee zou het uitgangspunt dat vrijstellingen beperkt moeten worden uitgelegd geweld worden aangedaan.
13. Eiseres verricht een alles omvattende beheersdienst die betrekking heeft op alle drie de pensioenregelingen van Stichting C en zij brengt voor die beheersdienst een vergoeding in rekening. Een dergelijke dienst kan niet worden gesplitst in afzonderlijke componenten die als onderscheiden en zelfstandig moeten worden beschouwd en die aanleiding zouden kunnen geven die componenten elk als een afzonderlijke dienst te beschouwen. De dienst verschilt niet al naar gelang de aard van de pensioenregeling. De rechtbank volgt eiseres daarom evenmin in haar subsidiaire stelling dat de vrijstelling moet worden toegepast op het deel van de vergoeding dat betrekking heeft op de excedent-regeling en de vrijwillige regeling.
14. Verweerder heeft in dit kader terecht verwezen naar het Blackrock-arrest waarin voor recht is verklaard dat één enkele dienst van beheer die wordt verricht ten behoeve van een fondsenbeheerder die zowel gemeenschappelijke beleggingsfondsen als andere fondsen beheert, niet onder de vrijstelling van artikel 135, eerste lid, onder g, van de btw-richtlijn valt. De rechtbank wijst in het bijzonder op de volgende overwegingen uit het Blackrock-arrest:
“35. In de tweede plaats vloeit uit de kwalificatie zelf van een uit meerdere elementen bestaande handeling als één enkele prestatie voort dat voor deze handeling een en hetzelfde btw-tarief moet gelden. Als de lidstaten de mogelijkheid werd gelaten de verschillende elementen van één enkele prestatie te onderwerpen aan de verschillende btw-tarieven die voor deze elementen gelden, zou dit immers tot gevolg hebben dat deze prestatie kunstmatig wordt opgesplitst en zou het gevaar ontstaan dat de functionaliteit van het btw-stelsel in het gedrang komt (arrest van 18 januari 2018, Stadion Amsterdam, C‑463/16, EU:C:2018:22, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
(…)
40. Onder verwijzing naar de regel die in punt 35 van dit arrest in herinnering is gebracht, volgt uit het bovenstaande dat op één enkele prestatie als die in het hoofdgeding één enkele fiscale behandeling van toepassing moet zijn.”
15. De brief van de inspecteur Grote Ondernemingen, kantoor Utrecht, leidt niet tot een ander oordeel. Zo eiseres aan die brief, die niet aan haar is gericht en uitsluitend ziet op de positie van Stichting C, al enig vertrouwen zou kunnen ontlenen, volgt daaruit slechts dat die inspecteur van mening is dat per regeling moet worden beoordeeld of sprake is van vermogensbeheer in de zin van de vrijstelling. Uit die brief volgt niet dat wanneer de vermogensbeheersdienst verleend aan Stichting C ziet op meerdere pensioenregelingen, de vergoeding die voor die dienst in rekening wordt gebracht kan en mag worden gesplitst in een deel vrijgesteld en een deel belast. De rechtbank leest in die brief eerder dat die inspecteur er kennelijk vanuit gaat dat er per pensioenregeling afzonderlijk wordt gepresteerd. Bij het nabestaandenpensioen heeft hij immers het volgende opgemerkt: “Indien (…) voor het beheer hiervan eveneens kosten in rekening brengt, kan hierop niet de vrijstelling (…) worden toegepast”.
16. Gelet op al het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
17. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, voorzitter, en mr. S.J. Richters en mr. dr. M.M.W.D. Merkx, leden, in aanwezigheid van mr. S.A. Carter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn.
Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.HvJ 5 september 2024, Stichting BPL Pensioen e.a., C-639/22 tot en met C-644/22, ECLI:EU:C:2024:688.
2.HvJ, 2 juli 2020, C-231/19 (Blackrock Investment Management (UK), ECLI:EU:C:2020:513.
3.vgl. HvJ, 19 juli 2012, Deutsche Bank AG, C-44/11, ECLI:EU:C:2012:484, overweging 42.