ECLI:NL:RBNHO:2026:2036

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
AWB - 21 _ 3541
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 1 sub i Wet op de omzetbelasting 1968Art. 135 lid 1 aanhef en letter g Richtlijn 2006/112/EGArtikel 1 PensioenreglementArtikel 6 PensioenreglementArtikel 5 Pensioenreglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijstelling omzetbelasting op vermogensbeheer pensioenfonds in opbouw- en uitkeringsfase

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de door haar betaalde omzetbelasting over beheersdiensten aan een pensioenfonds met een beschikbare premieregeling (DC-regeling) die bestaat uit een opbouwfase en een uitkeringsfase. Het geschil betreft de vraag of het pensioenfonds als gemeenschappelijk beleggingsfonds kan worden aangemerkt en of het beheer van het vermogen in de uitkeringsfase onder de btw-vrijstelling valt.

De rechtbank stelt vast dat in de opbouwfase de deelnemers het beleggingsrisico dragen en de vrijstelling van toepassing is. Voor de uitkeringsfase heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de deelnemers het beleggingsrisico dragen, aangezien het pensioenfonds de uitkeringen in eigen beheer verzekert en het beleggingsrisico overneemt. De enkele stelling dat het vermogen in de opbouwfase groter is dan in de uitkeringsfase is onvoldoende om de vrijstelling op de gehele vergoeding toe te passen.

De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat de beheersdienst één samengestelde prestatie is die niet kan worden opgesplitst in een vrijgesteld en een belast deel. De vrijstelling kan daarom niet gedeeltelijk worden toegepast. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en oordeelt dat het beheer van het vermogen in de uitkeringsfase niet onder de btw-vrijstelling valt.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 21/3541

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] N.V. c.s., eiseres

(gemachtigde: mr. E.M. van Kasteren),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het bedrag aan omzetbelasting dat zij op aangifte heeft voldaan voor het tijdvak januari 2015. Bij uitspraak op bezwaar van 4 juni 2021 heeft verweerder dat bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder een verweerschrift ingediend.
Op 10 november 2022 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat de behandeling van het beroep wordt aangehouden in afwachting van de beantwoording door het Europese Hof van Justitie (HvJ) van de prejudiciële vragen die rechtbank Gelderland op 5 oktober 2022 heeft gesteld.
Verweerder heeft op 9 februari 2024 een nader stuk ingediend.
Het HvJ heeft de prejudiciële vragen beantwoord in zijn arrest van 5 september 2024 [1] (het BPL Pensioen-arrest). Eiseres is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Dat heeft zij bij brief van 18 december 2024 gedaan. Verweerder heeft, desgevraagd, hierop gereageerd bij brief van 6 februari 2025.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2025.
Namens eiseres zijn daar verschenen mr. [naam 1] , mr. [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] bijgestaan door de gemachtigde en mr. [naam 5] , mr. [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 9] , bijgestaan door mr. [naam 10] , mr. drs. [naam 11] en mr. [naam 12] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiseres heeft op haar aangifte voor januari 2015 op 27 februari 2015 een bedrag van € 811.243 aan omzetbelasting voldaan. Hiervan ziet een bedrag van € 3.260 op vergoedingen die in rekening zijn gebracht aan de Stichting [X] ( [X] , het Pensioenfonds) voor beheersdiensten verleend door [A] N.V. (A), onderdeel van eiseres.
2. In oktober 2008 heeft het Pensioenfonds een Pensioenreglement opgesteld (het Pensioenreglement). Op 11 juni 2012 hebben het Pensioenfonds en A een overeenkomst inzake pensioenuitvoering (de Uitvoeringsovereenkomst) gesloten. Op 1 januari 2015 heeft het Pensioenfonds een Actuariële en Bedrijfstechnische Nota (de ABTN) vastgesteld.
3. De pensioenregeling van het Pensioenfonds is een beschikbare premieregeling (DC-regeling). [2] Deze bestaat uit een opbouwfase en een uitkeringsfase. In de opbouwfase bouwt de deelnemer tegen betaling van een premie een pensioenkapitaal op. [3] In deze opbouwfase houdt het Pensioenfonds voor de deelnemers pensioenkapitalen aan die worden gevormd door de ten behoeve van de deelnemers betaalde premies en de netto beleggingsopbrengsten. [4]
4. Bij het vaststellen van de beschikbare premie wordt uitgegaan van de pensioengrondslag van de deelnemer, zijn leeftijd en een deeltijdfactor. [5] De pensioengrondslag is het pensioengevend salaris minus een franchise. [6]
5. Op de pensioenleeftijd wordt de waarde van het pensioenkapitaal omgezet in een levenslange gelijkblijvende uitkering. [7] Op dat moment start de uitkeringsfase.
6. De hoogte van de pensioenen wordt bepaald aan de hand van de hoogte van het pensioenkapitaal, het tijdstip van de pensioendatum en het al dan niet kiezen door de deelnemer voor een meeverzekerd partnerpensioen. [8] De pensioenen worden berekend aan de hand van de ten tijde van de aanwending van het pensioenkapitaal voor het levenslange ouderdomspensioen geldende tarieven. [9]
7. De pensioenaanspraken in de uitkeringsfase zijn door het Pensioenfonds verzekerd in eigen beheer. [10]
8. Indien en voor zover de middelen van het Pensioenfonds dit toelaten, kan het jaarlijks in de uitkeringsfase een voorwaardelijk toeslag verlenen. [11]
9. De ingegane pensioenen kunnen onder omstandigheden worden verminderd, mits eerst alle overige sturingsmiddelen (met uitzondering van het beleggingsbeleid) zijn ingezet. [12]
10. De inspecteur van de Belastingdienst Grote Ondernemingen Utrecht, heeft in een brief van 29 januari 2018 ten aanzien van een ander pensioenfonds dat zowel pensioenregelingen uitvoert waarbij sprake is van ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens als pensioenregelingen waarbij dat niet het geval is, onder meer het volgende vermeld:
“Bij deze uitkeringen is de hoogte dus niet afhankelijk van enig beleggingsrisico, dus kan dit deel van het vermogen niet worden aangemerkt als een ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen. Indien [A] voor het beheer hiervan eveneens kosten in rekening brengt, kan hierop niet de vrijstelling van artikel 11 lid 1 sub i ten Pro derde Wet OB worden toegepast.
Conclusie
Zoals (…) besproken (…), kan ik ermee instemmen dat op een deel van het beheer van het vermogen door [A] geen btw in rekening is gebracht, conform bovenstaande verdeling.
Hierbij maak ik expliciet de opmerking dat u, al dan niet in overleg met [A], zult moeten bepalen welk deel van de beheerkosten aan de verschillende regeling kunnen worden toegerekend.”
11. De inspecteur van de Belastingdienst Grote Ondernemingen Amsterdam heeft in een brief van 22 februari 2018 aan het Pensioenfonds het volgende standpunt ingenomen:
“(…) deelt de Belastingdienst uw mening dat genoemde DC-regeling vergelijkbaar is met de pensioenregeling van het ATP-arrest en derhalve kwalificeert als een ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen in de zin van artikel 11, lid 1, onderdeel i, ten derde Wet OB. Dit betekent dat beheerwerkzaamheden met betrekking tot genoemde DC-regeling in de opbouwfase zijn vrijgesteld van btw. Voor toepassing van de vrijstelling is dan wel vereist dat het beheer van het vermogen van de DC-regeling in de opbouwfase een zelfstandige, onafhankelijke dienst is.”
12. Op de facturen die A aan het Pensioenfonds uitreikt, wordt de in rekening gebrachte vergoeding voor de beheersdiensten niet uitgesplitst naar opbouwfase en uitkeringsfase.
13. In zijn brief van 19 september 2014 [13] (de brief van de staatssecretaris) aan de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris van Financiën in reactie op het arrest van het HvJ van 13 maart 2014 (ATP-arrest) [14] onder meer het volgende meegedeeld:
“Pensioenlichamen die individuele DC-pensioenregelingen uitvoeren, worden gefinancierd door de pensioenontvangers. Het spaargeld wordt belegd volgens het beginsel van risicospreiding en het beleggingsrisico wordt gedragen door de leden van het pensioenfonds. Dergelijk fondsen kunnen als een gemeenschappelijk beleggingsfonds worden aangemerkt. De deelnemers ontvangen een pensioen waarvan de hoogte afhangt van de betaalde pensioenpremies en het rendement van de beleggingen. Bij een dergelijk pensioenfonds is de hoogte van de pensioenuitkering niet vooraf bepaald of gemaximeerd. Het beheer van dergelijke pensioeninstellingen is vrijgesteld van btw.
(…)
Het is echter ook mogelijk dat sprake is van een collectieve DC-pensioenregeling waarbij de pensioenafspraken van de individuele deelnemers wel zijn opgebouwd op een vergelijkbare wijze als gebruikelijk is bij de individuele DC-pensioenregeling. In die gevallen zal het beheer van een dergelijk pensioenfonds wel zijn vrijgesteld van btw.
In dit soort gevallen zal aan de hand van alle feiten en omstandigheden moeten worden beoordeeld of sprake is van een gemeenschappelijk beleggingsfonds en of de belastingheffing over de beheerdiensten wijzigt naar aanleiding van het ATP-arrest”.
Geschil14. Bij brief van 9 februari 2024 heeft verweerder de rechtbank meegedeeld dat hij niet langer bestrijdt dat de verschillende werkzaamheden van A voor het Pensioenfonds kunnen worden beschouwd als vermogensbeheerdienst. Tussen partijen is verder niet in geschil dat het Pensioenfonds wordt gefinancierd door de pensioenontvangers, het spaargeld wordt belegd volgens het beginsel van risicospreiding en het pensioenfonds onder bijzonder overheidstoezicht staat.
15. In geschil is of eiseres terecht omzetbelasting heeft voldaan terzake van de dienstverlening van A aan het Pensioenfonds. Daarbij gaat het primair om de vraag of het Pensioenfonds voor het geheel van de door haar uitgevoerde regelingen kan worden aangemerkt als gemeenschappelijk beleggingsfonds als bedoeld in artikel 11, eerste lid, letter i, onder 3, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de vrijstelling) in samenhang gelezen met artikel 135, eerste lid, aanhef en letter g, van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (de btw-richtlijn). Partijen verschillen niet van mening dat in de opbouwfase de deelnemers een zodanig beleggingsrisico lopen dat het beheer van het vermogen in die fase onder de vrijstelling zou kunnen worden gerangschikt. Het geschil spitst zich toe op de vraag of onderscheid moet worden gemaakt tussen het beheer van vermogen in de opbouwfase en het beheer van vermogen in de uitkeringsfase, of het beheer van het vermogen in de uitkeringsfase onder de vrijstelling kan worden gerangschikt en of de vrijstelling gedeeltelijk kan worden toegepast voor zover de vergoeding die aan het Pensioenfonds in rekening is gebracht betrekking heeft op de opbouwfase.
16. Eiseres stelt zich op het standpunt dat ook het beheer van het vermogen in de uitkeringsfase moet worden aangemerkt als beheer in de zin van de vrijstelling. Enerzijds omdat er geen onderscheid moet worden gemaakt tussen de opbouw- en uitkeringsfase, anderzijds omdat de uitkeringsfase ook separaat kan worden aangemerkt als gemeenschappelijk beleggingsfonds. Indien beide fases wel afzonderlijk in ogenschouw moeten worden genomen, stelt eiseres zich op het standpunt dat de vrijstelling kan worden toegepast op het deel van haar dienstverlening dat ziet op de opbouwfase.
17. Ter onderbouwing daarvan heeft eiseres het volgende aangevoerd. Haar dienstverlening bestaat uit één samengestelde beheerdienst in de zin van de vrijstelling. De premie wordt belegd voor rekening en risico van de deelnemer en wordt niet na storting onmiddellijk omgezet in een aanspraak op kapitaal of uitkering. De opbrengst van de opbouwfase is onzeker. Met de opbrengst van de beleggingen koopt de deelnemer bij het Pensioenfonds een pensioenuitkering en ontvangt hij een vaste uitkering. Die uitkering is slechts het gevolg van deelname en de beleggingen in het fonds. De pensioenuitkeringen bestaan de facto voor het overgrote deel uit beleggingsrendementen en zijn in de eerste plaats afhankelijk van de beleggingsresultaten. De deelnemers lopen ook in de uitkeringsfase dus het beleggingsrisico.
18. Verder stelt eiseres zich op het standpunt dat de dienstverlening ten aanzien van het vermogen in de opbouwfase de hoofddienst is en de dienstverlening ten aanzien van het vermogen in de uitkeringsfase een bijkomende dienst is die het lot van de hoofddienst volgt. In onderhavige periode zat 96% van het vermogen van het Pensioenfonds namelijk in de opbouwfase. Eiseres heeft in haar nader stuk van 18 december 2024 verder nog aangevoerd dat vanuit het oogpunt van de fiscale neutraliteit, de juridische en financiële situatie van de deelnemer ten opzicht van het Pensioenfonds, het Pensioenfonds vergelijkbaar is met een pensioenfonds met een DC-regeling als bedoeld in een brief van de Staatssecretaris.
19. Als onderscheid moet worden gemaakt tussen opbouw- en uitkeringsfase volgt volgens eiseres uit de brief van de inspecteur Grote Ondernemingen Amsterdam dat de vrijstelling gedeeltelijk kan worden toegepast. Eiseres beroept zich in dit kader ook op de brief van de inspecteur Grote Ondernemingen Utrecht waarin is ingestemd met toerekening van de beheerkosten aan verschillende regelingen. Dat er niet afzonderlijk is gefactureerd mag volgens eiseres op grond van het neutraliteitsbeginsel niet in de weg staan aan toepassing van de vrijstelling op 96% van de vergoeding.
20. Eiseres concludeert tot een teruggaaf van omzetbelasting van € 3.260.
21. Verweerder stelt zich op het standpunt dat binnen het Pensioenfonds sprake is van twee gescheiden vermogens. In de opbouwfase loopt de deelnemer beleggingsrisico. De deelnemer koopt op de pensioendatum met het opgebouwde pensioenkapitaal bij het Pensioenfonds een aanspraak op een levenslang pensioen. De hoogte van die pensioenuitkering is afhankelijk van het opgebouwde vermogen vermenigvuldigd met het tarief pensioeninkoop. Aangezien de uitkeringen door het Pensioenfonds zijn verzekerd in eigen beheer, gaat op het moment dat het pensioenkapitaal wordt omgezet in een vaste pensioenuitkering, het beleggingsrisico over op het Pensioenfonds. De deelnemer loopt in de uitkeringsfase geen beleggingsrisico meer. Het pensioenfonds kwalificeert in de uitkeringsfase daarom niet als een beleggingsfonds als bedoeld in de vrijstelling.
22. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat A aan het Pensioenfonds één onsplitsbare dienst verricht die zowel ziet op het vermogen in de opbouwfase als op het vermogen in de uitkeringsfase. Een vrijstelling kan niet gedeeltelijk op die ene prestatie van toepassing zijn. Aangezien de dienstverlening mede ziet op het vermogen in de uitkeringsfase dat niet kwalificeert als een ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen, heeft A terecht over van de hele vergoeding die door haar aan het Pensioenfonds in rekening is gebracht omzetbelasting voldaan. Verweerder verwijst in dit kader naar het Blackrock-arrest van het HvJ. [15]
23. Uit de brief van 22 februari 2018 van de inspecteur Grote Ondernemingen Amsterdam trekt eiseres volgens verweerder ten onrechte de conclusie dat de vrijstelling gedeeltelijk van toepassing kan zijn op de in rekening gebrachte vergoeding. Het standpunt in die brief gaat enkel op als sprake is van zelfstandige prestaties ten aanzien van één vermogen. Daarvan is hier geen sprake aangezien er één prestatie is ten aanzien van twee afzonderlijke vermogens.
24. Voor wat betreft de verwijzing door eiseres naar het neutraliteitsbeginsel stelt verweerder zich op het standpunt dat de strikte uitleg van vrijstellingen verhindert dat de werkingssfeer van de vrijstelling vanwege de fiscale neutraliteit wordt uitgebreid naar situaties waarvoor de vrijstelling expliciet niet is bedoeld.
25. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Juridisch kader
26. Op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel i, ten derde, van de Wet op de omzetbelasting 1968 is van omzetbelasting vrijgesteld het beheer van door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens. Met deze bepaling heeft de wetgever uitvoering gegeven aan artikel 135, lid 1, aanhef en letter g, van de btw-richtlijn, op grond waarvan is vrijgesteld “het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen als omschreven door de lidstaten”.
27. Pensioenfondsen zijn als zodanig geen beleggingsfonds of beleggingsmaatschappij als bedoeld in de vrijstelling. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. Uit de jurisprudentie volgt echter dat pensioenfondsen onder bepaalde omstandigheden toch onder de vrijstelling kunnen worden gerangschikt. [16]
28. Het HvJ heeft in het arrest van 13 maart 2014 (het ATP-arrest) [17] voor recht verklaard dat artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn (thans artikel 135, eerste lid, aanhef en letter g, van de btw-richtlijn) aldus moet worden uitgelegd dat pensioenfondsen onder deze bepaling kunnen vallen wanneer zij worden gefinancierd door de pensioenontvangers, het spaargeld wordt belegd volgens het beginsel van risicospreiding en het beleggingsrisico wordt gedragen door de leden van het pensioenfonds.
29. In het BPL Pensioen-arrest heeft het HvJ het volgende voor recht verklaard:
1) Artikel 135, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112/EG (…), moet aldus moet worden uitgelegd dat
de deelnemers aan een pensioenfonds dat uit hoofde van een collectieve pensioenregeling uitvoering geeft aan een pensioenovereenkomst die voorziet in pensioenrechten en pensioenuitkeringen waarvan het bedrag, hoewel het wordt bepaald op basis van een referentiepensioen of van de arbeidsinkomsten en het aantal dienstjaren van elke deelnemer, onder bepaalde voorwaarden kan variëren als gevolg van de resultaten van de beleggingen van dat pensioenfonds, slechts kunnen worden geacht het beleggingsrisico te dragen wanneer dat bedrag in de eerste plaats afhankelijk is van de resultaten van die beleggingen. Bij een dergelijke beoordeling is noch het aantal jaren dat een deelnemer pensioenrechten heeft opgebouwd, noch het feit dat de opbouw van pensioenrechten bij een pensioenfonds op een bepaald moment is onderbroken, relevant. De omstandigheden dat het risico individueel dan wel collectief wordt gedragen, met name in geval van faillissement, en dat een werkgever zich gedurende een bepaalde periode garant heeft gesteld voor de verwachte opbouw van de pensioenrechten, zijn wel relevante factoren, die als zodanig echter niet doorslaggevend zijn.
2) Artikel 135, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112, gelezen in het licht van het beginsel van fiscale neutraliteit, moet aldus moet worden uitgelegd dat,
om te bepalen of een pensioenfonds dat geen instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) is in aanmerking komt voor de vrijstelling van deze bepaling, niet alleen een vergelijking met een dergelijke instelling moet worden gemaakt, maar ook moet worden beoordeeld of dit pensioenfonds vanuit het oogpunt van de juridische en financiële situatie van de deelnemer ten opzichte van het pensioenfonds vergelijkbaar is met andere fondsen die geen instellingen voor collectieve belegging in effecten zijn maar door de betrokken lidstaat worden beschouwd als gemeenschappelijke beleggingsfondsen in de zin van deze bepaling.
30. Het standpunt van eiseres dat het beheer van vermogen in de uitkeringsfase moet worden beschouwd als beheer in de zin van de vrijstelling, is het meest vergaand. Indien eiseres daarin kan worden gevolgd, behoeven de overige standpunten van eiseres immers geen behandeling meer. De rechtbank zal daarom eerst beoordelen of de vrijstelling van toepassing is op het beheer van het vermogen in de uitkeringsfase.
Toepassing vrijstelling op beheer van vermogen in de uitkeringsfase?
31. Vrijstellingen vormen een uitzondering op de hoofdregel dat omzetbelasting wordt geheven over iedere dienst die door een ondernemer onder bezwarende titel wordt verricht en dienen daarom beperkt te worden uitgelegd. [18] De bewijslast dat de vrijstelling van toepassing is, rust op eiseres. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van beheersdiensten, dat het Pensioenfonds wordt gefinancierd door de pensioenontvangers, dat het bijeengebrachte geld wordt belegd volgens het beginsel van risicospreiding en dat het Pensioenfonds onder bijzonder overheidstoezicht staat. Evenmin is in geschil dat op het beheer van vermogen in de opbouwfase de vrijstelling van toepassing is. Eiseres dient daarom nog uitsluitend aannemelijk te maken dat de deelnemers in de uitkeringsfase het beleggingsrisico dragen als omschreven in het BPL Pensioen-arrest.
32. Uit het BPL Pensioen-arrest volgt dat voor de beoordeling of de deelnemers het beleggingsrisico dragen, moet worden vastgesteld of in de pensioenregeling het bedrag van de pensioenrechten en -uitkeringen kan variëren als gevolg van de beleggingsresultaten van het Pensioenfonds én daarmee in de eerste plaats afhankelijk is van de resultaten van die beleggingen.
33. Vaststaat dat de hoogte van de pensioenuitkeringen wordt bepaald aan de hand van de hoogte van het pensioenkapitaal, het tijdstip van de pensioendatum en het al dan niet kiezen door de deelnemer voor een meeverzekerd partnerpensioen. Ook staat vast dat de pensioenuitkeringen door het Pensioenfonds zijn verzekerd. De hoogte van het pensioenkapitaal is weliswaar afhankelijk van de beleggingsresultaten, maar eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat na het aanwenden van het pensioenkapitaal voor de aankoop van het pensioen beleggingsresultaten nog een rol spelen.
Uit de brief van de staatssecretaris blijkt expliciet dat bij de DC-regeling waarvoor hij het uitvoerende pensioenfonds aanmerkt als een gemeenschappelijk beleggingsfonds, het beleggingsrisico wordt gedragen door de deelnemers. Dat daarvan in de uitkeringsfase nog sprake is, heeft eiseres onvoldoende geconcretiseerd. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat vanuit het oogpunt van de fiscale neutraliteit het Pensioenfonds vergelijkbaar is met een pensioenfonds met een DC-regeling als bedoeld in een brief van de Staatssecretaris.
34. Voor zover de eventuele toeslagen worden gefinancierd uit de beleggingsresultaten, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat dit een zodanige grote invloed heeft dat het bedrag van de pensioenuitkeringen geacht moet worden in de eerste plaats afhankelijk te zijn van die beleggingsresultaten.
35. Gelet op het voorgaande heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat in de uitkeringsfase de deelnemers een beleggingsrisico lopen dat vergelijkbaar is met dat van de deelnemers in een beleggingsfonds of -instelling.
36. De opmerking van de president van de Nederlandsche Bank in zijn speech op 29 september 2020 dat de hoogte van het pensioen primair afhangt van de inleg en het behaalde rendement waarnaar eiseres verwijst, leidt niet tot een ander oordeel. Een dergelijke algemene opmerking zegt immers niets over hoe een en ander in een concrete pensioenregeling is geregeld.
Samengestelde prestatie
37. De vrijstelling kan alleen worden toegepast op het beheer van door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens. A verricht één alles omvattende beheersdienst die betrekking heeft op zowel het vermogensbeheer in de opbouwfase als op het vermogensbeheer in de uitkeringsfase en zij brengt daarvoor één vergoeding in rekening. Eiseres, op wie in deze de bewijslast rust, heeft haar stelling dat het beheer van het vermogen in de uitkeringsfase als bijkomende dienst opgaat in het beheer van het vermogen in de opbouwfase niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling van eiseres dat in het hier voorliggende tijdvak het vermogen in de opbouwfase beduidend hoger is dan het vermogen in de uitkeringsfase is daarvoor onvoldoende. Het desalniettemin toepassen van de vrijstelling op de gehele vergoeding die eiseres aan het Pensioenfonds in rekening brengt, zou dan betekenen dat de vrijstelling ook zou worden toegepast op dienstverlening waarop die vrijstelling niet ziet. Daarmee zou het uitgangspunt dat vrijstellingen beperkt moeten worden uitgelegd geweld worden aangedaan.
38. Deze allesomvattende beheersdienst van A kan niet worden gesplitst in afzonderlijke componenten die als onderscheiden en zelfstandig moeten worden beschouwd en die aanleiding zouden kunnen geven die componenten elk als een afzonderlijke dienst te beschouwen. De dienst verschilt niet al naar gelang het beheer betrekking heeft op de opbouw- dan wel de uitkeringsfase. De rechtbank volgt eiseres daarom evenmin in haar stelling dat de vrijstelling moet worden toegepast op het deel van de vergoeding dat betrekking heeft op de opbouwfase.
39. Verweerder heeft in dit kader terecht verwezen naar het Blackrock-arrest waarin voor recht is verklaard dat één enkele dienst van beheer die wordt verricht ten behoeve van een fondsenbeheerder die zowel gemeenschappelijke beleggingsfondsen als andere fondsen beheert, niet onder de vrijstelling van artikel 135, eerste lid, onder g), van de btw-richtlijn valt. De rechtbank wijst in het bijzonder op de volgende overwegingen uit het Blackrock-arrest:
“35. In de tweede plaats vloeit uit de kwalificatie zelf van een uit meerdere elementen bestaande handeling als één enkele prestatie voort dat voor deze handeling een en hetzelfde btw-tarief moet gelden. Als de lidstaten de mogelijkheid werd gelaten de verschillende elementen van één enkele prestatie te onderwerpen aan de verschillende btw-tarieven die voor deze elementen gelden, zou dit immers tot gevolg hebben dat deze prestatie kunstmatig wordt opgesplitst en zou het gevaar ontstaan dat de functionaliteit van het btw-stelsel in het gedrang komt (arrest van 18 januari 2018, Stadion Amsterdam, C‑463/16, EU:C:2018:22, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
(…)
40. Onder verwijzing naar de regel die in punt 35 van dit arrest in herinnering is gebracht, volgt uit het bovenstaande dat op één enkele prestatie als die in het hoofdgeding één enkele fiscale behandeling van toepassing moet zijn.”
40. De brief van de inspecteur Grote Ondernemingen Amsterdam leidt niet tot een ander oordeel. Daarin staat immers expliciet vermeld dat de vrijstelling alleen kan worden toegepast indien sprake is van een zelfstandige, onafhankelijke dienst bestaande uit het beheer van het vermogen van de DC-regeling. Ook de brief van de inspecteur Grote Ondernemingen Utrecht leidt niet tot een andere uitkomst. Deze brief is niet aan eiseres gericht en ziet op de positie van een hier niet voorliggende pensioenstichting. Zo eiseres daar al enig vertrouwen aan zou kunnen ontlenen, volgt daaruit slechts dat die inspecteur van mening is dat per regeling moet worden beoordeeld of sprake is van vermogensbeheer in de zin van de vrijstelling. Uit die brief volgt niet dat wanneer een vermogensbeheersdienst ziet op meerdere pensioenregelingen, de vergoeding die voor die dienst in rekening wordt gebracht kan en mag worden gesplitst in een deel vrijgesteld en een deel belast.
41. Gelet op al het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
42. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, voorzitter, en mr. S.J. Richters en mr. dr. M.M.W.D. Merkx, leden, in aanwezigheid van mr. S.A. Carter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn.
Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.HvJ 5 september 2024, Stichting BPL Pensioen e.a., C-639/22 tot en met C-644/22, ECLI:EU:C:2024:688.
2.Artikel 1, van het Pensioenreglement.
3.Artikel 6, van het Pensioenreglement.
4.Paragraaf 6.1, onderdeel b, van de ABTN.
5.Artikel 5, van het Pensioenreglement.
6.Artikel 1, van het Pensioenreglement.
7.Artikel 7, van het Pensioenreglement en paragraaf 6.2, onderdeel d, van de ABTN.
8.Artikel 7, eerste lid, van het Pensioenreglement.
9.Artikel 7, zesde lid, van het Pensioenreglement.
10.Paragraaf 6.1, onderdeel c, van de ABTN.
11.Artikel 20, van het Pensioenreglement.
12.Paragraaf 8.1, van de ABTN.
13.Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 32 043, nr. 228.
14.HvJ 13 maart 2014, C-464/12 (ATP PensionService), ECLI:EU:C:2014:139.
15.HvJ, 2 juli 2020, C-231/19 (Blackrock Investment Management (UK), ECLI:EU:C:2020:513.
16.HvJ 7 maart 2013, C-424/11 (Wheels Common Investment Fund Trustees e.a.), EU:C:2013:144, HvJ 13 maart 2014, C-464/12 (ATP PensionService), EU:C:2014:139 en HvJ 9 december 2015, C-595/13 (Fiscale Eenheid X), EU:C:2015:801.
17.HvJ, 13 maart 2014, C-464/12 (ATP PensionService A/S), ECLI:EU:C:2014:139.
18.vgl. HvJ 19 juli 2012 Deutsche Bank AG, C-44/11, ECLI:EU:C:2012:484, overweging 42.