Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:2033

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
12001247
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitbetaling loon en transitievergoeding na beëindiging arbeidsovereenkomst

Een werknemer verzocht de rechtbank om uitbetaling van het loon over de laatste drie weken van haar dienstverband en de transitievergoeding na het einde van haar arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.

De werkgever betwistte de transitievergoeding en stelde dat het loon en de vergoeding verrekend mochten worden met teveel uitbetaalde vakantiedagen. De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst niet met wederzijds goedvinden was beëindigd, omdat hiervoor geen schriftelijke overeenkomst of bewijs was geleverd.

De kantonrechter stelde vast dat de werknemer recht had op het loon over de laatste drie weken en op de transitievergoeding. Het beroep van de werkgever op verrekening met teveel uitbetaalde vakantiedagen faalde omdat niet transparant was gemaakt dat sprake was van een all-in salaris en het onredelijk was om de werknemer achteraf met de financiële gevolgen van een administratieve fout op te zadelen.

De werkgever werd veroordeeld tot betaling van het achterstallige loon, de transitievergoeding en de wettelijke rente, alsmede de proceskosten. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Werkgever moet loon over laatste drie weken en transitievergoeding betalen, verrekening met vakantiedagen wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer / rekestnummer: 12001247 \ AO VERZ 25-98 (rvk)
Beschikking van 6 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker],
te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
procederend in persoon,
tegen
[verweerder],
te [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt een werknemer om uitbetaling van het loon over de laatste drie weken van het dienstverband en de transitievergoeding. De kantonrechter wijst dit verzoek toe omdat het beroep van de werkgever op verrekening van het loon en de transitievergoeding met teveel uitbetaalde vakantiedagen faalt.

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft op 5 december 2025 een verzoekschrift met producties ingediend. [verweerder] heeft een verweerschrift met producties ingediend.
1.2.
Op 6 februari 2026 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] , geboren [geboortedatum] , is op 24 april 2023 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst getreden als medewerker bediening bij [verweerder] . Het laatstverdiende salaris bedroeg € 1800,- per vier weken en [verzoeker] had een dienstverband voor 25 uur per week.
2.2.
De laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tussen partijen is, door het verstrijken van de overeengekomen duur, geëindigd op 24 oktober 2025.
2.3.
Op de arbeidsovereenkomst is de cao Horeca van toepassing. In de cao is bepaald (artikel 3.23) dat bij invalkrachten de opbouw voor vakantie-uren en vakantiebijslag als vergoeding tegelijk met het loon uitbetaald mogen worden.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt dat het loon over week 41, 42 en 43 van 2025 (€ 1.350,- bruto) aan haar uitbetaald wordt, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente. [verzoeker] verzoekt ook dat [verweerder] veroordeeld wordt tot betaling van de transitievergoeding.
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. De laatste arbeidsovereenkomst is niet verlengd en is geëindigd op 24 oktober 2025. Vanwege het eindigen van de arbeidsovereenkomst is [verweerder] een transitievergoeding verschuldigd aan [verzoeker] . Daarnaast heeft [verzoeker] op grond van de arbeidsovereenkomst recht op betaling van het loon. [verweerder] heeft het loon over week 41, 42 en 43 (1 – 25 oktober 2025) echter niet betaald.
3.3.
[verweerder] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. [verzoeker] heeft inderdaad nog recht op het loon over week 41, 42 en 43, maar [verweerder] mag overgaan tot verrekening van dit loon met een bedrag van € 4.572,68 aan teveel uitbetaalde vakantiedagen. [verzoeker] heeft volgens [verweerder] geen recht op de transitievergoeding omdat zij heeft ingestemd met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of [verweerder] moet worden veroordeeld tot betaling van het loon over de laatste drie weken van het dienstverband en of hij moet worden veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding.
4.2.
De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend. Dit oordeel wordt hieronder toegelicht.
Loon en transitievergoeding
4.3.
Tussen partijen staat vast dat [verzoeker] gedurende de laatste drie weken van het dienstverband heeft gewerkt. [verzoeker] heeft dus recht op uitkering van het loon over deze periode. Onbetwist komt dit neer op een bedrag van € 1.350,- bruto.
4.4.
Wat betreft de transitievergoeding gaat het om de vraag op wiens initiatief de arbeidsovereenkomst is geëindigd. De stelling van [verweerder] dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is geëindigd en dat [verzoeker] daarom geen aanspraak heeft op een transitievergoeding wordt verworpen.
4.5.
Een beëindiging met wederzijds goedvinden moet schriftelijk zijn overeengekomen. Dat blijkt uit niets. Ditzelfde geldt voor het betoog van [verweerder] op zitting dat [verzoeker] tegen collega’s heeft gezegd te stoppen met werken bij [verweerder] . [verweerder] heeft aangevoerd dat hij daar bewijs in de vorm van Whatsapp-berichten van heeft. Maar hij heeft dit bewijs niet overgelegd. De kantonrechter gaat aan dit verweer daarom voorbij. Dat betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat de arbeidsovereenkomst niet is voortgezet op initiatief van [verweerder] . In dat geval heeft [verzoeker] recht op een transitievergoeding.
4.6.
De hoogte van de transitievergoeding bedraagt € 1.462,50 bruto. Hierbij is uitgegaan van een duur van de arbeidsovereenkomst van 2 jaar, 6 maanden en 1 dag en een brutoloon van € 1.800,- per vier weken (€ 1.950 per maand), vermeerderd met de vakantiebijslag, maar niet de (all-in) vergoeding voor de vakantie-uren.
Verrekening?
4.7.
[verweerder] vindt dat hij de hiervoor verschuldigde bedragen mag verrekenen met teveel betaalde vakantiedagen in het kader van het aan [verzoeker] betaalde all-in loon. Volgens [verweerder] is daarmee een bedrag van € 4.572,68 bruto gemoeid.
4.8.
Uit de overlegde salarisstroken is op te maken dat [verzoeker] per periode van 4 weken een salaris van € 1.800,- kreeg, met tegelijk daarbij een bedrag van € 144,- ‘vakantiegeld direct’ en een bedrag van € 172,80 ‘vakantiedagen direct’. In zoverre staat vast dat [verzoeker] een ‘all-in’ salaris ontving.
4.9.
Verder is komen vast te staan dat [verzoeker] al haar opgebouwde vakantiedagen gedurende het dienstverband heeft opgenomen en dat zij deze dagen/uren doorbetaald heeft gekregen. Zo heeft zij op de zitting op vragen van de kantonrechter verklaard.
4.10.
Het bedrag van € 4.572,68 dat [verweerder] wil verrekenen is de optelsom van de periodieke vergoeding voor vakantiedagen van € 172,80 over de gehele duur van het dienstverband, zo heeft [verweerder] op de zitting toegelicht.
4.11.
Met betrekking tot de vraag of [verweerder] bedoeld bedrag mag verrekenen bij einde dienstverband wordt het volgende overwogen.
4.12.
Uit vaste rechtspraak volgt dat een all-in loon toelaatbaar kan zijn. Het moet dan gaan om bedragen die ‘op transparante en begrijpelijke wijze’ als vakantiedagenloon in de vorm van uitkeringen in gedeelten, verspreid over het betrokken arbeidsjaar, worden uitbetaald samen met het loon voor verrichte arbeid. Deze bedragen worden verrekend met het loon van de werknemer wanneer hij vakantie opneemt.
4.13.
In dit geval is niet verrekend bij de opname van de vakantiedagen door [verzoeker] tijdens het dienstverband. [verweerder] wenst dit alsnog bij het einde arbeidsovereenkomst te doen, omdat het een fout van de boekhouder is geweest dat de vakanties van [verzoeker] werden doorbetaald. [verzoeker] had kunnen weten dat zij dubbel betaald kreeg omdat op de salarisstroken te lezen is dat een all-in salaris betaald werd. Daarom is het gerechtvaardigd een beroep te doen op verrekening, aldus [verweerder] .
4.14.
[verzoeker] betwist dat zij er van op de hoogte was dat er een all-in salaris betaald werd; er is nooit over een all-in salaris gesproken en in haar arbeidsovereenkomst wordt er ook geen melding van gemaakt. Ook toen er tussen [verzoeker] en [verweerder] is afgesproken dat haar salaris zou worden verhoogd naar € 18,- per uur, heeft [verweerder] niet gezegd dat het om een all-in salaris ging. Zij heeft er dus niet op bedacht hoeven zijn dat zij dubbel betaald werd en het is niet redelijk om nu achteraf een beroep op terugbetaling of verrekening te doen, aldus [verzoeker] .
4.15.
De kantonrechter is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden [verweerder] geen beroep toekomt op verrekening. Weliswaar staat op de loonstrook een vergoeding voor vakantiedagen vermeld die kan wijzen op een all-in loon. Echter in de arbeidsovereenkomst is daarover niets vermeld. Er is slechts bepaald dat de werknemer een brutoloon ontvangt van € 18,00 per uur. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting kan niet worden vastgesteld dat op transparante en begrijpelijke wijze voor [verzoeker] duidelijk moet zijn geweest dat de door haar opgenomen en doorbetaalde vakantiedagen nog zouden worden verrekend. Het goed werkgeverschap verzet zich er ook tegen dat [verzoeker] als werknemer door het achteraf verrekenen wordt opgezadeld met de aanzienlijke financiële gevolgen van een fout van de werkgever.
Conclusie
4.16.
De conclusie is dat het beroep van [verweerder] op verrekening faalt. Dat betekent dat de gevorderde betaling van achterstallig loon en de transitievergoeding toewijsbaar is.
Wettelijke rente
4.17.
De gevorderde wettelijke rente over het loonbedrag van € 1.350,- bruto zal ook worden toegewezen, omdat [verweerder] te laat heeft betaald. Vanwege de te late betaling is [verweerder] ook de wettelijke verhoging verschuldigd. In dit geval is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is de wettelijke verhoging te matigen tot nihil.
4.18.
De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding van € 1.462,50 bruto wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 24 november 2025.
Proceskosten
4.19.
[verweerder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verzoeker] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- verletkosten
50,00
- nakosten
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
266,50

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] van het loon over week 41, 42 en 43 van 2025 van € 1.350,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van verschuldigdheid tot de dag van betaling,
5.2.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 1.462,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 november 2025 tot aan de dag van algehele betaling,
5.3.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 266,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het verzoek voor het overige af.
Deze beschikking is gegeven door mr. F.J. Lourens en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.