ECLI:NL:RBNHO:2026:2000

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
11456473
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:2 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Erfgrensgeschil: kadastrale grens geldt als juridische grens na bewijsopdracht

In deze civiele bodemzaak stond een burengeschil centraal over de erfgrens tussen twee percelen, met name rondom een betwiste strook grond aan de zijkant en onderzijde van een perceel. Gedaagde stelde dat de juridische erfgrens was gewijzigd door bevrijdende verjaring, maar de rechtbank gaf een bewijsopdracht aan gedaagde om dit aannemelijk te maken.

Tijdens de procedure werden meerdere getuigen gehoord die allen bevestigden dat de betonnen schutting al lange tijd aanwezig was, maar dat de precieze ligging van de erfafscheiding rondom de grote els onduidelijk bleef. Geen van de getuigen kon bevestigen dat de erfgrens anders lag dan de kadastrale grens, zoals gedaagde had gesteld.

De rechtbank concludeerde dat gedaagde niet was geslaagd in de bewijsopdracht en wees het beroep op bevrijdende verjaring af. De kadastrale grens geldt daarom als de juridische erfgrens en eiser is eigenaar van de betwiste strook grond. Gedaagde werd veroordeeld tot medewerking aan de plaatsing van een mandelige schutting op de erfgrens en tot betaling van de helft van de kosten, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de vorderingen van gedaagde in reconventie zijn afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de kadastrale erfgrens als juridische erfgrens en veroordeelt gedaagde tot medewerking aan een mandelige schutting en betaling van kosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11456473 \ CV EXPL 24-8936
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van

1.[eiser 1],

te [plaats 1],
2.
[eiser 2],
te [plaats 1],
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [eisers],
gemachtigde: mr. D.E.J. Maes,
tegen

1.[gedaagde 1],

te [plaats 1],
2.
[gedaagde 2],
te [plaats 1],
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden].,
gemachtigde: mr. L.W. van de Wetering.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 juni 2025;
- het proces-verbaal van plaatsopneming op 29 oktober 2025;
- het getuigenverhoor van 29 oktober 2025;
- de akte na plaatsopneming en getuigenverhoor van [gedaagden].;
- de akte na plaatsopneming en getuigenverhoor van [eisers]
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Het gaat in deze zaak om een geschil over de erfgrens tussen de percelen (achtertuinen) van partijen, met name op het laatste stuk van de zijkant tussen de percelen [nummer 1] en [nummer 2] en aan de onderzijde van perceel [nummer 1]. Ter discussie staat of de juridische erfgrens samenvalt met de kadastrale erfgrens of dat deze als gevolg van bevrijdende verjaring is gewijzigd, zoals [gedaagden]. stellen. In verband hiermee heeft de kantonrechter [gedaagden]. in het tussenvonnis van 11 juni 2025 opgedragen om te bewijzen “
dat de onder randnummer 4.6. beschreven situatie ter plaatse van de betwiste strook grond gedurende (tenminste) twintig jaar heeft bestaan”. In randnummer 4.6. van het tussenvonnis staat de volgende situatie beschreven:
“Tegen de gevel van de woning van [gedaagden]. staat een betonnen muurtje. Daartegenaan stond een houten schutting. Deze schutting liep achter de coniferen langs en ging daarna over in een gaashekwerk. Het gaashekwerk liep tussen de els en het groene schuurtje van de buren door, op circa 30 centimeter afstand van het schuurtje. Na het schuurtje ging het gaashekwerk over in een lage schutting, die de hoek om ging en zich vervolgens in een rechte lijn naar achteren voortzette, op ongeveer 75 centimeter afstand van het schuurtje.”
2.2.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagden]. niet in de bewijsopdracht zijn geslaagd. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.
2.3.
Ter voldoening aan de bewijsopdracht hebben [gedaagden]. vier getuigen doen horen: [getuige 1] (hierna: [getuige 1]), [getuige 2] (hierna: dhr. [getuige 2]), [getuige 3] (hierna: [getuige 3]) en [getuige 4] (hierna: [getuige 4]). [eisers] hebben geen gebruik gemaakt van hun recht op contra-enquête.
2.4.
Getuige [getuige 1] (79 jaar) heeft, zakelijk samengevat en voor zover van belang, als volgt verklaard. Hij heeft van zijn elfde tot zijn tweeëntwintigste bij zijn ouders op nr. [nummer 2] gewoond. Daarna is hij naar [plaats 2] vertrokken. Op zijn vijfentwintigste heeft hij het bedrijf en de woning van zijn ouders overgenomen en is hij weer op nr. [nummer 2] gaan wonen. Hij heeft daar tot de verkoop van de woning aan [gedaagden]. in 2018 onafgebroken gewoond. In de tijd dat [getuige 1] met zijn ouders op het adres woonde heeft zijn vader de betonnen schutting geplaatst. In het verlengde van de betonnen schutting stonden paaltjes met wanen delen (gezaagde boomplanken). Deze zijn door de oud-eigenaar van nr. [nummer 1] (dhr. [betrokkene]) geplaatst. Ook dat was in de periode dat [getuige 1] met zijn ouders op het adres woonde. Deze schutting liep vlak langs de grote els, waarbij de els op het perceel van [getuige 2] stond. (Ongeveer) op de plek waar nu het groene schuurtje staat, stond een volière met een binnenhok en een buitenhok. [getuige 1] kan zich niet herinneren hoe de erfafscheiding de hoek om ging, maar er zat ongeveer een ruimte van 40 cm tussen de volière en de wanen delen. De hiervoor beschreven situatie was ten tijde van de verkoop aan [gedaagden]. ongewijzigd.
2.5.
Getuige dhr. [getuige 2] (54 jaar) heeft, zakelijk samengevat en voor zover van belang, als volgt verklaard. Hij heeft van zijn zevende tot zijn eenentwintigste bij zijn ouders op nr. [nummer 1] gewoond. De ouders van [getuige 2] zijn in het huis blijven wonen tot hun overlijden. [getuige 2] kwam regelmatig (wekelijks) bij zijn ouders thuis langs. Na het overlijden van zijn ouders heeft [getuige 2] de woning (samen met zijn zus, [getuige 3]) in 2023 aan [eisers] verkocht. De betonnen schutting stond er al toen zijn ouders de woning in 1977 kochten. [getuige 2] weet niet meer precies waar de betonnen schutting ophield; dat kan een schuttingdeel verder geweest zijn. De volière begon (ongeveer) waar de betonnen schutting ophield. In het verlengde van de betonnen schutting stond een houten schutting. De vader van [getuige 2] heeft deze schutting op enig moment vervangen en op dezelfde plek teruggeplaatst. De houten schutting liep tussen de els en de coniferen door. De els stond op het perceel van nr. [nummer 1] en de coniferen op het perceel van nr. [nummer 2]. De schutting (ongeveer 1.20m hoog, gemaakt van schaaldelen) ging bij het einde van de volière (ongeveer op de plek van het groene schuurtje) de hoek om, op ongeveer 80 cm afstand. De schutting liep vervolgens parallel aan de volière en stond haaks op de plek waar nu het gaashekwerk staat (een rechte hoek). Het korte stuk van de schutting is vijftien à zestien jaar geleden vervangen en op dezelfde plek teruggeplaatst. De hiervoor beschreven situatie was ten tijde van de verkoop aan [eisers] ongewijzigd.
2.6.
Getuige [getuige 3] (65 jaar) heeft, zakelijk samengevat en voor zover van belang, als volgt verklaard. Zij heeft vanaf 1979 (het moment waarop haar ouders het huis kochten) tot 1981 met haar ouders op nr. [nummer 1] gewoond. Daarna kwam zij nog wekelijks bij haar ouders thuis op bezoek. De betonnen schutting stond er al op het moment dat haar ouders de woning kochten. De vader van [getuige 2] heeft in het verlengde daarvan een houten schutting met schaaldelen geplaatst; dat was de achterwand van de volière. Deze was iets hoger dan haar vader lang was. Verder was er geen erfafscheiding. [getuige 3] heeft aangegeven dat zij niet meer weet of de volière begon waar de betonnen schutting eindigde. Ook weet zij niet meer hoe de volière stond ten opzichte van de els en/of de coniferen. Tussen de volière en het kippenhok liep een pad, van waaruit de volière kon worden betreden.
2.7.
Getuige [getuige 4] (73 jaar) heeft, zakelijk samengevat en voor zover van belang, als volgt verklaard. Hij woont sinds 1986 tot op heden op nr. [nummer 3]. De oud-bewoners van nr. [nummer 1] zijn familie van hem ([betrokkene] was de broer van zijn moeder). Hij kwam daarom regelmatig bij nr. [nummer 1] over de vloer. De betonnen schutting heeft er altijd (in ieder geval vanaf 1986) gestaan, maar liep verder door. Er heeft altijd een volière gestaan, waardoor het deel van de schutting dat daarachter stond voor hem niet zichtbaar was. [getuige 4] kan niets verklaren over de vraag op welk perceel de els en de coniferen stonden.
2.8.
Het voorgaande brengt de kantonrechter tot de volgende conclusies.
2.9.
De getuigen hebben eenduidig en consistent verklaard over het feit dat de betonnen schutting er al lange tijd staat. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Het gaat partijen met name, zoals al in het tussenvonnis is overwogen, om de grond rondom de grote els.
2.10.
Getuigen [getuige 1] en dhr. [getuige 2] hebben verklaard dat het betonnen muurtje overging in een houten schutting die tussen de coniferen en de grote els doorliep, waarbij de els op het perceel van nr. [nummer 1] (nu [eisers]) stond. Dat de els naast de schutting aan de kant van [gedaagden]. stond, zoals [gedaagden]. stellen, is door geen van de getuigen verklaard.
2.11.
Volgens getuige [getuige 3] vormde de (houten) achterzijde van de volière de (enige) erfafscheiding na het betonnen muurtje. Getuige [getuige 4] kon de (eventuele) erfafscheiding achter de volière niet goed zien en kan daarover daarom niet verklaren. De stelling van [gedaagden]. dat
tussen de els en het groene schuurtje een gaashekwerk doorliep, op ongeveer 30 cm van het schuurtje, is door geen van de getuigen bevestigd.
2.12.
De getuigen hebben evenmin eenduidig en overtuigend verklaard over waar de erfafscheiding precies de hoek omging. Er heeft een volière gestaan, maar onduidelijk is of deze op precies dezelfde plek heeft gestaan als het huidige groene schuurtje. Onduidelijk is ook op hoeveel afstand de (eventuele) erfafscheiding van deze volière c.q. het schuurtje zou hebben gestaan. Dit heeft tot gevolg dat ook de stelling van [gedaagden]. dat
het gaashekwerk na het schuurtje overging in een lage schutting, die de hoek om ging en zich vervolgens in een rechte lijn naar achteren voortzette, op ongeveer 75 centimeter afstand van het schuurtje,niet is bewezen.
2.13.
Gelet op het vorenstaande moet de conclusie luiden dat [gedaagden]. niet zijn geslaagd in het bewijs dat gedurende (ten minste) twintig jaar de door hen beschreven situatie heeft bestaan. Het beroep van [gedaagden]. op bevrijdende verjaring wordt daarom afgewezen.
2.14.
Uit het vorenstaande volgt dat de kadastrale grens tussen de percelen als de juridische grens heeft te gelden en [eisers] eigenaar is van de betwiste strook grond. Dit betekent dat de in conventie door [eisers] gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen en de in reconventie door [gedaagden]. gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen. Daarnaast wordt [gedaagden]. veroordeeld om mee te werken aan de plaatsing van een gemeenschappelijke schutting op de erfgrens. Ook moet [gedaagden]. voor de helft in de kosten van deze erfafscheiding bijdragen. [1]
2.15.
[eisers] vorderen een bedrag van € 750,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. Nu de onderhavige vordering geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen voor dergelijke vorderingen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. [eisers] heeft gesteld dat voorafgaand aan de procedure uitvoerig is gecorrespondeerd. Voor wat betreft de vraag of de hoogte van de kosten redelijk is, zoekt de kantonrechter aansluiting bij het rapport BGK-integraal waarin deze kosten bij vorderingen van onbepaalde waarde voor kantonzaken gesteld worden op een vergoeding van € 462,50. [eisers] hebben onvoldoende onderbouwd op grond waarvan in afwijking van deze aanbeveling een hoger bedrag voor vergoeding in aanmerking zou moeten komen.
2.16.
[gedaagden]. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten in conventie en in reconventie betalen. De proceskosten van [eisers] in conventie worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
138,81
- griffierecht
233,00
- salaris gemachtigde
648,00
(4,5 punten × € 144,00)
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.091,81
2.17.
Gelet op de samenhang van de vorderingen in conventie en reconventie, worden de proceskosten in reconventie begroot op nihil.
2.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2.19.
De veroordelingen worden (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
in conventie
3.1.
verklaart voor recht dat de kadastrale erfgrens tussen de percelen van partijen ook de juridische erfgrens is;
3.2.
veroordeelt [gedaagden]. tot medewerking aan de oprichting van een mandelige schutting op de erfgrens tussen beide percelen en de helft van de kosten hiervoor te dragen;
3.3.
veroordeelt [gedaagden]. hoofdelijk tot betaling aan [eisers] van de buitengerechtelijke incassokosten van € 462,50;
3.4.
veroordeelt [gedaagden]. hoofdelijk in de proceskosten van [eisers], vastgesteld op € 1.091,81, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden]. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
3.5.
veroordeelt [gedaagden]. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
3.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
3.7.
wijst af het meer of anders gevorderde;
in reconventie
3.8.
wijst de vorderingen van [gedaagden]. af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Pott Hofstede en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Artikel 5:[nummer 2] van het Burgerlijk Wetboek (BW).