De rechtbank Noord-Holland behandelde op 19 februari 2026 het beroep van verzoeker tegen een tijdelijk huisverbod opgelegd door de burgemeester van Zaanstad. Het huisverbod betrof de periode van 16 tot 26 februari 2026 en omvatte tevens contactverboden met gezinsleden. Verzoeker stelde dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende was gemotiveerd, met name vanwege het niet horen van verzoeker voorafgaand aan het besluit.
De voorzieningenrechter constateerde dat verweerder de hoorplicht had geschonden door verzoeker niet te horen over het voorgenomen huisverbod. Daarnaast ontbrak een deugdelijke motivering, omdat relevante informatie van politie en VeiligThuis niet in het besluit was verwerkt. Hierdoor werd het besluit vernietigd.
Desondanks oordeelde de rechtbank dat het ernstig vermoeden van gevaar voor de veiligheid van de echtgenote, kinderen en overige bewoners voldoende was onderbouwd. Daarom bleven de rechtsgevolgen van het huisverbod tot 26 februari 2026 in stand. Verzoeker had geen belang meer bij een voorlopige voorziening. De gemeente Zaanstad werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.