Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:183

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
366275
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:14 BWArt. 2:48 BWArt. 2:393 BWArt. 2:396 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid besluiten kascommissie en jaarstukken woningbouwvereniging

Een lid van een woningbouwvereniging heeft de besluiten van de algemene ledenvergadering (ALV) aangevochten, waaronder de opheffing van de kascommissie waarvan hij lid was en de goedkeuring van de jaarstukken over 2021, 2022 en 2023. Hij vorderde inzage in financiële stukken vanwege vermoedens van fraude door een oud-penningmeester. De vereniging betwistte deze vorderingen en eiste betaling van achterstallige verhuurdersheffingen.

De rechtbank oordeelde dat het besluit tot opheffing van de kascommissie op 4 oktober 2023 nietig is, omdat dit besluit niet op de agenda stond en het vereiste quorum niet werd gehaald. Ook het besluit tot goedkeuring van de jaarstukken over 2023 is nietig wegens het ontbreken van een kascommissie of accountantsverklaring, zoals voorgeschreven in het Burgerlijk Wetboek. De besluiten tot goedkeuring van de jaarstukken over 2021 en 2022 zijn echter niet nietig, omdat de kascommissie toen nog in functie was.

De vordering tot verstrekking van financiële stukken aan het lid werd afgewezen, omdat hij geen lid meer was van de kascommissie. De rechtbank veroordeelde het lid tot betaling van een achterstand aan verhuurdersheffingen van €572,53, vermeerderd met wettelijke rente, en in de proceskosten van €699. De proceskosten werden tussen partijen gecompenseerd in conventie. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Besluit tot opheffing kascommissie en goedkeuring jaarstukken 2023 nietig; lid veroordeeld tot betaling achterstallige verhuurdersheffing.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/366275 / HA ZA 25-348
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
[eiser 1],
te [plaats],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser 2],
advocaat: mr. R. Vane,
tegen
de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
WONINGBOUWVERENIGING [naam],
te [plaats],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vereniging,
advocaat: mr. R. Vos.
De zaak in het kort
Een lid van een woningbouwvereniging vecht bepaalde besluiten van de algemene ledenvergadering aan, zoals de opheffing van de kascommissie waarvan hij lid was en de goedkeuring van de jaarstukken van 2021, 2022 en 2023. Hij wil als lid van de kascommissie toegang tot de financiële stukken van de vereniging naar aanleiding van fraude door een oud-penningmeester van de vereniging. De vereniging is het daar niet mee eens en betwist de vorderingen. Zij eist als tegenvordering onder meer dat het lid een achterstand aan verhuurdersheffingen betaalt. De rechtbank geeft partijen deels gelijk. Het besluit tot opheffing van de kascommissie en tot goedkeuring van de jaarstukken van 2023 zijn naar het oordeel van de rechtbank nietig; en anderzijds moet het lid de verhuurdersheffingen betalen. De vereniging hoeft niet de door het lid gevorderde informatie aan hem te verstrekken, omdat hij geen lid meer is van de kascommissie.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 26 mei 2025 met elf producties
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met 27 producties
- de conclusie van antwoord in reconventie van [eiser 2]
- het tussenvonnis van 22 oktober 2025
- de akte tot aanvulling antwoord en uitbreiding eis in reconventie, en overlegging dertien aanvullende producties van de vereniging
- de mondelinge behandeling van 24 november 2025, waarbij de vereniging spreekaantekeningen heeft overgelegd en [eiser 2] zijn vordering heeft verminderd en waarvan de griffier zittingsaantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
De vereniging is opgericht op 5 maart 1915 en is werkzaam in het belang van de volkshuisvesting in de gemeente [plaats]. Zij verhuurt daartoe woningen aan haar 68 leden.
2.2.
[eiser 2] huurt sinds 1 april 1985 van de vereniging de woning gelegen aan [adres] (hierna: de woning) te [plaats].
2.3.
De vereniging heeft op 12 september 2002 haar statuten gewijzigd. In de statuten staat, voor zover relevant, het volgende:

Artikel 8
(…)
2. Ieder lid is jaarlijks een bedrag verschuldigd, welk bedrag wordt vastgesteld door de algemene vergadering.(…)
Artikel 16
(…)
4. Indien geen schriftelijke bijeenroeping van de algemene vergadering plaatsvond, kan de algemene vergadering niettemin rechtsgeldige besluiten nemen, mits ten minste een zodanig aantal stemgerechtigden ter vergadering aanwezig is als is gerechtigd tot het uitbrengen van de helft van het aantal stemmen dat in een voltallige vergadering kan worden uitgebracht en geen van hen, noch het bestuur, zich tegen besluitvorming verzet. (…) Het bepaalde in de eerste zin van dit lid is van overeenkomstige toepassing op besluitvorming door de algemene vergadering inzake onderwerpen die niet op de agenda werden vermeld.
2.4.
De algemene ledenvergadering (hierna: ALV) heeft op 4 juni 2014 het volgende besloten:

Voor 2015 vraagt het bestuur van de vergadering mandaat om de huurverhoging vast te stellen. In verband met de ingestelde verhuurderheffing van regeringswege wordt deze vastgesteld op niet hoger dan de inflatie + 1%. De vergadering gaat hiermee akkoord en de verhoging zal voor 1 mei 2015 aan de leden bekend worden gemaakt.
2.5.
In 2017 heeft de toenmalige penningmeester van de vereniging een bedrag van € 596.230,00 van de vereniging naar zijn eigen bankrekening overgemaakt. Het gehele bedrag is voor de vereniging verloren gegaan.
2.6.
De vereniging heeft op 13 maart 2018 aangifte tegen de oud-penningmeester gedaan. De oud-penningmeester heeft op 17 mei 2018 tijdens de ALV zijn excuses aangeboden. De vereniging heeft op 18 mei 2018 een vordering als benadeelde partij ingesteld in de door het Openbaar Ministerie gestarte strafzaak tegen de oud-penningmeester. Daarna heeft het bestuur van de vereniging op 23 augustus 2018 per brief haar leden over deze gebeurtenissen geïnformeerd.
2.7.
De vereniging en de oud-penningmeester hebben op 9 juni 2021 een vaststellingsovereenkomst (hierna: vso) gesloten waarin hij de schuld van het verduisterde bedrag aan de vereniging heeft erkend en zij onder meer ook afspraken over terugbetaling hebben gemaakt, te weten de betaling van het bedrag van € 42.565,84 waarop het Openbaar Ministerie beslag had gelegd, en een maandelijkse betaling uit de pensioeninkomsten van de oud-penningmeester.
2.8.
Het Openbaar Ministerie heeft op 22 september 2021 besloten om de zaak tegen de oud-penningmeester te seponeren. In een extra-nieuwsbrief van 27 september 2021 heeft het bestuur van de vereniging haar leden over het besluit van het Openbaar Ministerie gedeeld.
2.9.
De oud-penningmeester is in 2022 overleden, op welk moment op basis van de afspraken in de vso in totaal circa € 68.000,00 aan de vereniging was terugbetaald. Het bestuur heeft de leden daarvan in de ALV van 2 november 2022 op de hoogte gesteld.
2.10.
Eind 2022 zocht de vereniging twee leden voor haar kascommissie. [eiser 2] en zijn zoon, [betrokkene 1], hebben zich aangemeld.
2.11.
Vervolgens heeft op 30 januari 2023 een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser 2], [betrokkene 1], en de heer [betrokkene 2] en mevrouw [betrokkene 3] van het bestuur over de invulling van de werkzaamheden van de kascommissie. Tijdens het gesprek is het beleid van de vereniging op het gebied van privacy besproken, evenals de noodzaak voor de commissieleden om een geheimhoudingsverklaring te ondertekenen. De kascommissie verkreeg digitaal toegang tot de jaarstukken van de vereniging van 2021 en 2022.
2.12.
De ledenvergadering heeft op 12 april 2023 de balans en staat van baten en lasten met een toelichting (hierna: de jaarstukken) over het boekjaar 2020 goedgekeurd. [eiser 2] had over het onderwerp van inzage in de jaarstukken van de vereniging van 2019 en 2020 een brief aan het bestuur gestuurd en gevraagd dit als agendapunt toe te voegen. Tijdens de ALV is voorgesteld om de kascommissie en de nieuwe penningmeester samen naar de accountant te laten gaan en daar de verslagen en cijfers te bekijken en de kwestie dan afsluiten. Alle leden hebben hun goedkeuring aan dit voorstel gegeven. De kascommissie heeft echter geen gevolg gegeven aan dit besluit.
2.13.
[eiser 2] heeft als lid van de kascommissie op 26 april 2023 een geheimhoudingsverklaring ondertekend onder het voorbehoud van inzage in de jaarstukken van (ook) 2019 en 2020.
2.14.
[eiser 2] heeft vervolgens op 6 juli 2023 een aantal vragen aan het bestuur gesteld, waaronder waarom er niet alsnog actie plaatsvindt om het door de oud-penningmeester verduisterde geld te achterhalen.
2.15.
[eiser 2] heeft daarna op 14 juli 2023 besloten om de huurverhoging, maar ook de doorberekende verhuurdersheffing niet te betalen op grond van achterstallig onderhoud dan wel gebreken aan zijn woning, zoals het ontbreken van isolatie.
2.16.
Op 5 september 2023 hebben de leden van de vereniging een uitnodiging voor de ALV van 4 oktober 2023 ontvangen. In de uitnodiging staan, voor zover relevant, op de agenda de volgende onderwerpen:

3. Financiële rapportage:
(…)
-
MJOP; (…); Spaarplicht; kascommissie; Huurverhoging 2024;
In de toelichting bij de agenda onder het kopje “Kascommissie” staat verder, voor zover relevant, het volgende:

De interim-penningmeesters stellen voor om de Algemene Ledenvergadering (ALV) opnieuw te verzoeken een besluit te nemen over de vervolgstappen met betrekking tot de financiële afsluiting van het jaar 2021.
Verschillende overwegingen dienen hierbij in acht te worden genomen:
Inschakeling van een accountant: (…)
Samenstelling van een nieuwe kascommissie voor het jaar 2021
2.17.
[eiser 2] heeft op 4 oktober 2023 een ‘brandbrief’ naar het bestuur gestuurd. Hij schrijft dat de kascommissie door het bestuur niet in staat wordt gesteld haar taak uit te voeren omdat het bestuur in strijd met de statuten weigert de gevraagde inlichtingen te verstrekken.
2.18.
De ALV van 4 oktober 2023 heeft besloten om de kascommissie op te heffen na goedkeuring van de jaarstukken van 2021 en 2022. Er waren bij de ALV 29 leden aanwezig met twee machtigingen, voor een totaal aantal stemmen van 31. [eiser 2] was niet aanwezig. In de notulen staat, voor zover relevant, het volgende:

De jaarrekeningen van 2021 en 2022 zijn goedgekeurd (…) Stemming: Stoppen met de kascommissie voor nu:1 blanco en de rest is voor. (3.7.1)met als aanvulling dat mocht het huidige interim-bestuur of een volgend bestuur weer een kascommissie willen vormen, dit altijd mogelijk blijft en door middel van stemming kan worden voorgelegd aan de ALV.
De jaarrekening van 2021 is opgesteld door het administratiekantoor [bedrijf 1]. Het accountantskantoor [bedrijf 2] Accountants & Beslastingadviseurs heeft de jaarrekening van 2022 samengesteld. Bij beide jaarrekeningen staat dat deze op grond van een samenstellingsopdracht zijn opgemaakt en dat het bestuur verantwoordelijk is voor de juistheid van de informatie en dat het alle relevante informatie heeft aangeleverd.
2.19.
Het bestuur heeft per e-mail van 5 oktober 2023 [eiser 2] en zijn zoon geïnformeerd dat op het bericht van [eiser 2] van 4 oktober 2023 geen reactie meer zal komen omdat bij vergaderbesluit van 4 oktober is besloten om zonder een kascommissie verder te gaan.
2.20.
De vereniging heeft [eiser 2] en zijn echtgenote op 20 maart 2024 in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van deze rechtbank omdat zij geen medewerking verleenden aan inspectie van geiser(s) en/of elektrische boiler en/of de elektrische installatie in de woning; ook waren enkele andere vorderingen aan de orde. Partijen zijn ter zitting tot een schikking gekomen.
2.21.
De ALV heeft op de ledenvergadering van 16 april 2024 de jaarstukken van 2023 goedgekeurd. [eiser 2] was daarbij niet aanwezig. De notulen van deze ALV heeft hij op 29 mei 2024 ontvangen.
2.22.
De vereniging heeft vervolgens [eiser 2] en zijn echtgenote wederom in kort geding gedagvaard vanwege niet dan wel onvoldoende medewerking door [eiser 2] aan de hiervoor genoemde inspectie. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis in kort geding van 30 juli 2024 [eiser 2] en zijn echtgenote veroordeeld tot medewerking aan de inspectie.
2.23.
Tijdens de ALV van 15 oktober 2024 is met algemene stemmen besloten om de lidmaatschapsbijdrage van leden te verhogen. De nieuwe bijdrage verhuurdersheffing voor [eiser 2] bedraagt € 23,64.
2.24.
De advocaat van [eiser 2] heeft op 26 februari 2025 een brief naar de vereniging gestuurd. Hierin heeft hij gesteld dat de besluiten tot opheffing van de kascommissie en tot goedkeuring van de jaarrekeningen over de boekjaren 2021, 2022 en 2023 nietig zijn. [eiser 2] heeft het bestuur gevraagd uiterlijk 15 maart 2025 te bevestigen dat zij onderkent dat deze besluiten nietig zijn en dat zij dit tijdens de aankomende ALV ook aan de leden zal mededelen. Verder heeft hij het bestuur gevraagd de kascommissie alsnog in staat te stellen haar taken uit te voeren.
2.25.
Op de ALV van 25 juni 2025 is het besluit van de ALV van 4 oktober 2023 om de kascommissie te ontslaan, bevestigd.
2.26.
De vereniging heeft op 11 juli 2025 aan [eiser 2] een e-mail gestuurd waarin zij schrijft dat [eiser 2] sinds augustus 2023 weigert om het volledige bedrag te betalen dat hij aan de vereniging verschuldigd is. Zijn totale betalingsachterstand bedraagt per die datum € 572,53. De vereniging stelt [eiser 2] voor de laatste maal in de gelegenheid om uiterlijk 26 juli 2025 het volledige achterstallige bedrag over te maken en schriftelijk te bevestigen dat [eiser 2] vanaf september 2025 het juiste maandbedrag van € 483,57 tijdig en volledig zal voldoen. [eiser 2] heeft die achterstand niet ingelopen.

3.Het geschil

In conventie
3.1.
[eiser 2] vordert – na vermindering van eis – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. Voor recht verklaart dat:
a. het tijdens de algemene ledenvergadering van 4 oktober 2023 genomen besluit de kas(controle)commissie op te heffen nietig is;
b. het tijdens de algemene ledenvergadering van 4 oktober 2023 genomen besluit tot goedkeuring van de balans en de staat van baten en lasten met een toelichting over het boekjaar 2021 nietig is;
c. het tijdens de algemene ledenvergadering van 4 oktober 2023 genomen besluit tot goedkeuring van de balans en de staat van baten en lasten met een toelichting over het boekjaar 2022 nietig is;
d. het tijdens de algemene ledenvergadering van 16 april 2024 genomen besluit tot goedkeuring van de balans en de staat van baten en lasten met een toelichting over het boekjaar 2023 nietig is, althans subsidiair dit besluit van 16 april 2024 te vernietigen;
II. Het bestuur van de vereniging veroordeelt binnen twee weken na dit vonnis, althans binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, tot het verstrekken van de stukken en informatie aan [eiser 2] over te gaan:
b. alle informatie en stukken met betrekking tot het door de oud-penningmeester aan het verenigingskapitaal onttrokken vermogen en de afspraken die in verband met de (nabestaanden van) de oud-penningmeester, althans met derden, zijn gemaakt over de terugbetaling daarvan aan de vereniging;
III. De vereniging veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
IV. De vereniging veroordeelt in de nakosten.
3.2.
[eiser 2] legt aan zijn vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag. Het besluit tot opheffing van de kascommissie is nietig, omdat het in strijd met artikel 16 lid 4 van Pro de statuten is genomen. Het voorstel tot opheffing van de kascommissie was niet op de agenda gezet. Daarom moest er een quorum voor de stemming zijn en dat is niet behaald (slechts 31 stemmen waren vertegenwoordigd, een minderheid van het totaal aantal leden van 68). De besluiten tot goedkeuring van de jaarstukken van 2021, 2022 en 2023 zijn ook nietig
,omdat de besluiten in strijd zijn met artikel 2:48 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) juncto artikel 2:393 BW Pro. Voor de goedkeuring is de controle door een accountant of een kascommissie nodig. Die waren er niet. [eiser 2] stelt subsidiair dat het besluit tot goedkeuring van de jaarrekening 2023 vernietigbaar is
,omdat het in strijd is met de statuten.
Omdat het besluit tot opheffing van de kascommissie nietig is, is de kascommissie niet in staat geweest de ledenvergadering te adviseren omdat haar vragen niet zijn beantwoord en omdat verzochte financiële informatie niet door het bestuur aan haar is geleverd. Het is in het belang van de vereniging dat de kascommissie alsnog in staat wordt gesteld de financiële verantwoording over de jaren 2021, 2022 en 2023 te controleren en haar verslag uit te brengen aan de ledenvergadering over het gevoerde beleid, zodat alsnog op concrete wijze over het al dan niet goedkeuren van het financiële beleid kan worden beslist. Het is daarnaast onbekend wat de status is van het onttrokken kapitaal en de omvang van de (resterende) vordering op de nalatenschap van de oud-penningmeester.
3.3.
De vereniging voert – samengevat – het volgende aan. [eiser 2] is nooit als lid van de kascommissie benoemd. Er is geen besluit van zijn benoeming aanwezig. Hij heeft zich alleen als kandidaat aangemeld. Hij heeft dus geen belang bij zijn vorderingen. Op 2 november 2022 heeft de algemene ledenvergadering besloten dat de restschuld van de inmiddels overleden oud-penningmeester als oninbaar wordt beschouwd. Het is [eiser 2] uitsluitend te doen om de gang van zaken rond de oud-penningmeester alsnog te onderzoeken om zodoende wellicht alsnog de verduisterde gelden te kunnen achterhalen. Het staat hem vrij om in de algemene ledenvergadering voor te stellen alsnog tot onderzoek over te (laten) gaan, alsmede de mogelijkheden van verhaal te verkennen, maar tot dan dienen de vorderingen van [eiser 2] geen belang. Hij heeft ook geen belang gelet op de ALV van 25 juni 2025, waarin het besluit van 4 oktober 2023 is bekrachtigd. Hij heeft verder volgens de vereniging geen belang bij zijn vorderingen tot inzage in de stukken, omdat het voor [eiser 2] alleen maar gaat om de oud-penningmeester.
De kascommissie heeft bovendien feitelijk opgehouden te bestaan. Het andere lid van de commissie heeft zich al eerder aan zijn taken onttrokken. De kascommissie had toegang tot de cijfers van 2021 en 2022. Zij had de ALV kunnen rapporteren over de getrouwheid van de cijfers, maar liet dit na. Daarnaast heeft zij geen gehoor gegeven aan de wens van de ALV om naar het accountantskantoor te stappen, samen met de penningmeester. Onjuist is ook de conclusie van [eiser 2] dat het opheffingsbesluit inzake de kascommissie van 4 oktober 2023 in strijd is met artikel 16 lid 4 van Pro de statuten. Het was duidelijk waarop het onderwerp “kascommissie” sloeg, gelet op de langdurige discussie over de taakinvulling van de kascommissie. Hoewel de jaarrekening van 2021 niet is gecontroleerd door een accountant, geldt ook daarvoor dat het [eiser 2] alleen maar te doen is om de gang van zaken rond de oud-penningmeester te onderzoeken. Daar komt nog bij dat uit artikel 2:396 BW Pro voortvloeit dat kleine rechtspersonen vrijgesteld zijn van verplicht onderzoek door een registeraccountant. De vereniging voldoet niet aan de criteria voor middelgrote rechtspersonen.
3.4.
De rechtbank zal op de stellingen van partijen hierna, voor zover nodig, nader ingaan.
In reconventie
3.5.
De vereniging vordert – na vermeerdering van eis – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad [eiser 2] veroordeelt tot betaling aan de vereniging van € 572,53, vermeerderd met rente vanaf 30 juli 2025 tot aan de algehele betaling en beveelt bij de (girale) betaling aan de vereniging van de lidmaatschapsbijdrage die betaling als zodanig te omschrijven althans niet van een afwijkende omschrijving te voorzien, en die betaling te combineren met de betaling van de huur, met veroordeling van [eiser 2] in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.6.
De vereniging legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. [eiser 2] is verplicht de verhuurdersheffing te betalen op grond van artikel 8 lid 2 van Pro de (oude) statuten. Bij de ALV van 4 juni 2014 is besloten tot de betalingsverplichting per 1 juli 2015. Volgens de rechtspraak is het verhogen van bijdragen/heffingen van leden naast de huur mogelijk. De algemene ledenvergadering heeft over de relevante jaren waarin van de verhuurdersheffing voor de vereniging sprake was, over de bijdrage van de leden beslist. Van die besluiten is niet de nietigheid gevorderd noch gesteld. [eiser 2] heeft, als enige van alle leden de verhuurdersheffing onbetaald gelaten, in totaal vanaf augustus 2023 een bedrag van € 572,53. Het verweer van [eiser 2] over de gebreken aan de woning gaat niet op omdat [eiser 2] de verplichting tot betaling van de bijdrage niet heeft als huurder maar als lid van de vereniging. Daarnaast heeft de vereniging de huren altijd laag gehouden en binnen de daarvoor geldende verhogingspercentages verhoogd. [eiser 2] moet verder stoppen met de onjuiste betalingsomschrijvingen van de lidmaatschapsbijdrage en moet deze bijdrage samen met de huur betalen op grond van goed huurderschap (artikel 7:213 BW Pro). Daarvoor is het opleggen van een dwangsom nodig.
3.7.
[eiser 2] betwist de vordering. Hij acht zich niet verplicht enig aanvullend bedrag aan de vereniging te voldoen. Bovendien heeft het bestuur van de vereniging bij het bepalen van het bedrag dat haar leden verschuldigd zouden zijn in verband met de verhuurdersheffing bij herhaling fouten gemaakt. Zo heeft zij in het verleden gemeend die heffing als onderdeel van de huurprijs door te mogen belasten en dus onderhevig te maken aan een jaarlijkse huurindexering.

4.De beoordeling

In conventie
De besluiten van de ALV
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat het besluit van de ALV van de vereniging van 4 oktober 2023 om de kascommissie op te heffen en het besluit van 16 april 2024 om de jaarstukken van 2023 goed te keuren nietig zijn. Zij zal dit hierna uitleggen.
Het besluit van 4 oktober 2023 tot opheffing van de kascommissie is nietig
4.2.
Hoewel niet formeel is vastgelegd dat het besluit is genomen tot benoeming van [eiser 2] tot lid van de kascommissie, hebben partijen in 2023 gehandeld alsof hij (net als zijn zoon) lid van de kascommissie was. Dit blijkt uit de feiten zoals hiervoor opgenomen onder 2.10 tot en met 2.19 – waaronder het feit dat de ALV op 12 april 2023 heeft voorgesteld de kascommissie (bestaande uit [eiser 2] en zijn zoon) samen met de penningmeester de accountant te laten bezoeken ter verheldering van e.e.a. (2.12) – en uit de door partijen overgelegde correspondentie. De rechtbank oordeelt daarom dat [eiser 2] is benoemd tot lid van de kascommissie.
4.3.
Het besluit van de ALV van 4 oktober 2023 tot opheffing van de kascommissie is nietig, omdat het is genomen in strijd met artikel 2:14 lid 1 BW Pro in samenhang met artikel 16 lid 4 van Pro de toenmalige statuten. De opheffing van de kascommissie stond niet op de agenda van de ALV; de enkele vermelding “kascommissie” leidt niet tot een ander oordeel. In de toelichting bij de agenda wordt evenmin gerept over een voorstel tot opheffing van de toenmalige kascommissie. Het ligt voor de hand dat de kascommissie op de agenda van een ALV staat in verband met de financiële afsluiting van een boekjaar, want het is de taak van de kascommissie de financiële stukken van de vereniging te controleren en daarover aan de ALV verslag uit te brengen. De opheffing van een orgaan van een rechtspersoon is een fundamenteel besluit dat duidelijk op de agenda moet staan. Omdat de opheffing van de kascommissie niet op de agenda stond, was voor de goedkeuring van het voorstel tot opheffing volgens artikel 16 lid Pro 4, eerste en laatste volzin, van de toenmalige statuten nodig dat ten minste de helft van de stemgerechtigde leden, dus 34 leden, bij de ALV aanwezig dan wel vertegenwoordigd waren. Bij de ALV van 4 oktober 2023 waren echter slechts 31 leden aanwezig dan wel vertegenwoordigd. Dit is niet genoeg om rechtsgeldig een besluit te nemen dat niet was geagendeerd. Het besluit is nietig, omdat de in de statuten vermelde quorumeis een fundamenteel totstandkomingsvoorschrift is. De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht op dit punt toewijzen.
De goedkeuring van de jaarstukken van 2021 en 2022
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 2:48 lid 2 BW Pro bepaalt dat als bij een vereniging een raad van commissarissen ontbreekt en over de getrouwheid van de jaarstukken aan de ALV geen verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 2:393 BW Pro (accountantscontroleverklaring) wordt overgelegd, de ALV jaarlijks een commissie benoemt van ten minste twee leden die geen deel van het bestuur mogen uitmaken.
4.5.
De besluiten van de ALV van 4 oktober 2023 tot goedkeuring van de jaarstukken van 2021 en 2022 zijn, anders dan [eiser 2] stelt, niet nietig: ze zijn niet in strijd met artikel 2:48 BW Pro genomen. De kascommissie was ten tijde van deze besluiten van de ALV nog in functie. Volgens de notulen van de ALV van 4 oktober 2023 is namelijk eerst besloten tot goedkeuring van deze jaarstukken; pas daarna is het besluit tot opheffing van de kascommissie genomen. De kascommissie heeft weliswaar geen verslag uitgebracht van haar bevindingen met betrekking tot de balans en de staat van baten en lasten met toelichting van het bestuur van 2021 en 2022, maar dit enkele feit maakt het besluit van de ALV niet nietig. Voor het overige is voldaan aan het voorschrift van artikel 2:48 BW Pro. [eiser 2] en zijn zoon hebben ervoor gekozen om aan de ALV geen verslag uit te brengen, terwijl zij wel in staat zijn gesteld deze stukken te onderzoeken en van hun bevindingen verslag uit te brengen aan de ALV; zij zijn niet naar de bewuste vergadering gegaan en hebben evenmin om uitstel gevraagd. Ter zitting daarnaar gevraagd heeft [eiser 2] geen enkel element kunnen benoemen waarin het bestuur in de informatieverstrekking aan de kascommissie tekort zou zijn geschoten. De ALV heeft er geen probleem van gemaakt dat de kascommissie geen verslag van haar bevindingen heeft uitgebracht; zij was kennelijk voldoende voorgelicht om de jaarstukken goed te keuren, mede in aanmerking genomen de stukken die onder alle leden verspreid waren, waaronder de vso. De conclusie is dat de vorderingen van [eiser 2] inzake de jaarstukken van 2021 en 2022 niet toewijsbaar zijn.
Het besluit tot goedkeuring van de jaarstukken van 2023 is nietig
4.6.
Het tijdens de ALV van 16 april 2024 genomen besluit tot goedkeuring van de jaarstukken van 2023 is nietig, omdat dit wel is genomen in strijd met artikel 2:48 BW Pro. Er is namelijk geen raad van commissarissen, geen accountantsverklaring als bedoeld in artikel 2:393 BW Pro en evenmin was er een kascommissie – ondanks het feit dat het besluit tot opheffing van de kascommissie nietig zal worden verklaard. Een kascommissie moet immers jaarlijks – telkens opnieuw – worden benoemd door de ALV, en dat was in dat jaar niet opnieuw gebeurd. Het besluit tot goedkeuring van de jaarstukken 2023 door de ALV is genomen ondanks het ontbreken van de door de wet voorgeschreven voorafgaande handeling – het onderzoek van de stukken – door de kascommissie en is daarom gelet op artikel 2:14 BW Pro nietig. De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht toewijzen.
De vordering tot het verstrekken van stukken en informatie is niet toewijsbaar
4.7.
De rechtbank zal de vordering II van [eiser 2] afwijzen. [eiser 2] is niet opnieuw benoemd tot lid van de kascommissie. [eiser 2] is wel nog lid van de vereniging. In die hoedanigheid heeft hij echter geen recht op de stukken onder b genoemd.
De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen compenseren
4.8.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zal de rechtbank de proceskosten tussen hen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
In reconventie
4.9.
De vereniging wil dat [eiser 2] zijn achterstand aan bijdragen aan de verhuurdersheffing betaalt en dat de rechtbank hem beveelt om zijn huur, lidmaatschapsbijdrage en verhuurdersheffing in één keer te betalen met de juiste betalingsomschrijving, op straffe van een dwangsom.
4.10.
De rechtbank zal de vordering van de vereniging tot betaling van de achterstand aan verhuurdersheffing toewijzen, omdat [eiser 2] als lid van de vereniging verplicht is deze te betalen. Op grond van de statuten zijn leden een financiële bijdrage aan de vereniging verschuldigd. De ALV stelt de hoogte daarvan vast. Tot het doorberekenen van de verhuurdersheffing als onderdeel van de verplichte bijdrage is voor het eerst bij de ALV van 4 juni 2014 besloten. Dit besluit en de daarop volgende besluiten over de verhuurdersheffing zijn niet aangevochten.
4.11.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag toewijzen zoals vermeld in de beslissing, omdat [eiser 2] deze niet heeft betwist.
4.12.
De rechtbank gaat bij haar toewijzing ervan uit dat [eiser 2] zal letten op de omschrijving van de betalingen van de lidmaatschapsbijdrage en deze samen met de verschuldigde huur en verhuurdersheffing in één keer zal betalen. Op de mondelinge behandeling heeft de vereniging naar voren gebracht dat het haar veel werk kost om de betalingen van [eiser 2] bij te houden. [eiser 2] heeft tijdens de zitting de toezegging gedaan aan een mogelijke veroordeling tot betaling van de heffing te voldoen waardoor het opleggen van een dwangsom niet nodig is. Aan de betalingsomschrijving kunnen geen rechtens afdwingbare eisen worden gesteld; dat deel van de vordering zal worden afgewezen.
[eiser 2] moet de proceskosten in reconventie betalen
4.13.
[eiser 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De rechtbank begroot de proceskosten van de vereniging op:
- salaris advocaat € 521,00 (2 punten × 0,5 × € 521,00)
- nakosten €
178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 699,00
4.14.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.
De rechtbank zal de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren
4.15.
De rechtbank zal dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing van de rechtbank op deze punten moet worden gevolgd, ook als een van de partijen daartegen in hoger beroep gaat. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval in beginsel totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

5.De beslissing

De rechtbank
In conventie
5.1.
verklaart voor recht dat:
a. het tijdens de algemene ledenvergadering van 4 oktober 2023 genomen besluit de kas(controle)commissie op te heffen nietig is;
b. het tijdens de algemene ledenvergadering van 16 april 2024 genomen besluit tot goedkeuring van de balans en de staat van baten en lasten met een toelichting over het boekjaar 2023 nietig is,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af,
In reconventie
5.4.
veroordeelt [eiser 2] tot betaling aan de vereniging van € 572,53, alsmede in de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 juli 2025 tot aan de dag van volledige betaling,
5.5.
veroordeelt [eiser 2] in de proceskosten van € 699,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser 2] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
5.6.
veroordeelt [eiser 2] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
5.7.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 5.4, 5.5 en 5.6 uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Wolfs en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.
1835