De rechtbank Noord-Holland heeft op 16 januari 2026 uitspraak gedaan in een zaak betreffende ondertoezichtstelling en zorgregeling van twee minderjarige kinderen. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling voor de duur van één jaar, met als doel de belangen van de kinderen te beschermen en de continuïteit van het contact met de vader te waarborgen. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag, maar er is sprake van een ernstig verstoorde verstandhouding en wantrouwen, waardoor overleg over de belangen van de kinderen niet mogelijk is.
De Raad constateerde dat er geen directe signalen zijn van seksueel misbruik, maar dat de uitlatingen van een van de kinderen over seksueel overschrijdend gedrag nader onderzocht moeten worden. De ontwikkeling van de kinderen wordt ernstig bedreigd door het ontbreken van onbelast contact met de vader en de gespannen communicatie tussen de ouders. De Raad adviseerde de ondertoezichtstelling en het aanhouden van de zorgregeling voor negen maanden, waarbij professionele begeleiding en evaluatie centraal staan.
Zowel de moeder als de vader stemden in met de ondertoezichtstelling. De moeder benadrukte het belang van onderzoek naar de uitlatingen van het kind en het monitoren van de omgang onder begeleiding. De vader wil zo spoedig mogelijk onbegeleid contact en co-ouderschap. De rechtbank oordeelde dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is en dat een jeugdbeschermer noodzakelijk is. De ondertoezichtstelling is daarom voor één jaar uitgesproken en de zorgregeling wordt aangehouden, met regelmatige evaluatie door de gecertificeerde instelling en Actief & Advies.
De rechtbank verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wees op de mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden na uitspraak. De beslissing beoogt de veiligheid en het welzijn van de kinderen te waarborgen in een complexe gezinssituatie met conflicterende belangen.