3.3.1Vrijspraak feit 1
Op 8 oktober 2022 heeft er een confrontatie tussen de verdachte en de heer [benadeelde] (hierna: de aangever) plaatsgevonden voor de deur van [pleeglokatie 1] in Volendam. Toen de aangever naar buiten liep, heeft de verdachte de aangever lichtjes op het hoofd getikt, waarna de aangever de verdachte een duw gaf. De verdachte heeft hierop gereageerd door de aangever tegen de voorkant van het lichaam te schoppen, als gevolg waarvan de aangever zittend op de grond belandde. Toen de aangever probeerde op te staan (terwijl hij op zijn knieën zat), heeft de verdachte met zijn hand nog tweemaal tegen de achterkant van het hoofd, dan wel de nek van de aangever geslagen. De aangever is slap geworden en is vervolgens naar voren omgevallen en met zijn gezicht op de straat terecht gekomen. Dit heeft geleid tot flinke gebitsschade.
Vrijspraak feit 1 primair (poging tot doodslag)Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft gepleegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank kan namelijk niet vaststellen dat de verdachte de aangever op enig moment tegen het hoofd heeft geschopt. Dit blijkt niet uit de camerabeelden die zijn gevoegd in het dossier en die op de zitting zijn bekeken. De rechtbank stelt vast dat op die beelden niet te zien is dat de verdachte de aangever tegen het hoofd trapt. De resterende geweldshandelingen zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen concluderen dat de verdachte het (voorwaardelijk) opzet op de dood van de aangever heeft gehad.
Vrijspraak feit 1 subsidiair (zware mishandeling) en meer subsidiair (poging zware mishandeling)
Ook ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Voor een bewezenverklaring van (een poging tot) zware mishandeling is (naast de vraag of het letsel kwalificeert als ‘zwaar lichamelijk letsel’) van belang of de verdachte ‘vol’ of ‘voorwaardelijk’ opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de aangever.
Van vol opzet is sprake als iemand willens en wetens handelde. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat de verdachte de intentie heeft gehad om zwaar lichamelijk letsel aan de aangever toe te brengen. Van vol opzet is daarom geen sprake.
Van voorwaardelijk opzet is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zwaar lichamelijk letsel door zijn handelen zal intreden. Of in een concreet geval sprake is van een aanmerkelijke kans op dergelijk letsel, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
De geweldshandelingen die de verdachte heeft verricht, betreffen één trap tegen het lichaam en twee klappen met de blote hand op het achterhoofd of nek van de aangever. De aangever komt na de trap op zijn billen op de grond terecht en probeert omhoog te komen. Als hij op zijn knieën zit, krijgt hij de twee klappen op het achterhoofd of nek van de aangever. Hierop wordt de aangever direct slap en valt hij naar voren en komt met zijn gezicht op de straat terecht.
De rechtbank is van oordeel dat de geweldshandelingen: het geven van een trap en twee klappen met de blote hand op het achterhoofd of nek, naar algemene ervaringsregels niet de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel opleveren. Daarbij is ook van belang dat het letsel aan het gezicht niet is ontstaan door een directe krachtsinwerking van de gegeven trap of klappen door de verdachte. Dit letsel is ontstaan na een (ongelukkige) val op grond, nadat de aangever bewusteloos was geraakt. De trap en de twee klappen die de verdachte heeft gegeven, zijn niet met dusdanige kracht gegeven en de raakplekken zijn niet dusdanig, dat het een reële en niet onwaarschijnlijke mogelijkheid was, dat de aangever hierdoor bewusteloos zou raken (en als gevolg daarvan zou vallen). Uit de uiterlijke verschijningsvorm van de geweldshandelingen valt dan ook niet zonder meer af te leiden dat de verdachte een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bewust zou hebben aanvaard.
De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat geen sprake is van voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel bij de aangever (en dus niet ook van een poging daartoe) en spreekt de verdachte vrij van het onder 1 subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde.
3.3.3Bewijsmiddelen en bewijsmotivering
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 meest subsidiair, 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen in Bijlage 2 bij dit vonnis. Voor feit 1 meest subsidiair volstaat de rechtbank met een verwijzing naar de bewijsmiddelen. Voor de overige bewezenverklaarde feiten licht de rechtbank dit als volgt toe.
3.3.3.1 Feit 2 (poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel in Volendam) en Feit 3 (openlijke geweldpleging)
Op 12 november 2022 vond er een voetbalwedstrijd plaats tussen FC Volendam en FC Utrecht, waarbij een aantal FC Utrecht supporters (tegen het verbod van de Burgermeester in) in de horeca van Volendam aanwezig was. Dit heeft geleid tot confrontaties tussen supporters van FC Volendam en FC Utrecht in het uitgaansgebied van Volendam, waarbij er onder meer over en weer met spullen is gegooid. Uit de beschrijving van camerabeelden blijkt dat de verdachte die dag bij een confrontatie bij [pleeglokatie 2] aanwezig is geweest. De verdachte heeft tweemaal een houten barkruk (bovenhands) van een redelijke korte afstand (5 meter of minder) richting de groep FC Utrecht supporters gegooid. Daarbij heeft hij bij de tweede worp een FC Utrecht supporter geraakt. Het is niet bekend of deze persoon daaraan letsel heeft overgehouden. Ook werd er door de groep FC Volendam supporters richting de FC Utrecht supporters met een fiets gegooid.
Feit 2 (poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel)
De vraag is of de verdachte door het gooien van de barkruk zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is.
Voor een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling is van belang of de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan (één van) de FC Utrecht supporters. Het juridisch kader van (voorwaardelijk) opzet heeft de rechtbank hiervoor bij de behandeling van de vrijspraak van feit 1 primair en (meer) subsidiair uitgeschreven en dat kader geldt hier ook.
Van vol opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is niet gebleken, omdat nergens uit blijkt dat de verdachte de intentie heeft gehad om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan een ander.
Wel heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank daartoe het voorwaardelijk opzet gehad. De barkruk waarmee de verdachte tweemaal (bovenhands) gooide, betreft een grote houten barkruk en de verdachte heeft verklaard dat de barkruk in kwestie best stevig was, waaruit de rechtbank afleidt dat deze redelijk zwaar was. De verdachte heeft de barkruk van met kracht gegooid (zo blijkt onder andere uit de bovenhandse gooi) en heeft aldus de afstand van 5 meter of minder tot de FC Utrecht supporters weten te overbruggen. Er bestaat naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel indien een dergelijke barkruk tegen iemands hoofd of lichaam wordt aangegooid. De verdachte heeft de barkruk twee keer richting de groep FC Utrecht supporters gegooid. Na de eerste bovenhandse gooi vanaf een meter of 5, waarbij niemand werd geraakt, heeft de verdachte de barkruk nog een keer opgepakt en van dichterbij gegooid naar een FC Utrecht supporter, die hierdoor wel werd geraakt. Door zo te handelen heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op het zwaar lichamelijk letsel ook bewust aanvaard.
Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Dat niet bekend is wie de FC Utrecht supporter is die door de barkruk is geraakt, hoe hard deze persoon is geraakt en wat zijn letsel is, zoals door de verdediging is aangevoerd, maakt dit niet anders. Dit verweer wordt verworpen.
Feit 3 (openlijke geweldpleging)
De confrontatie vanuit de groep FC Volendam supporters (waartoe de verdachte behoorde) richting de groep FC Utrecht supporters is ook tenlastegelegd als openlijke geweldpleging. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit op basis van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen, met dien verstande dat uit het dossier niet blijkt van (met een broekriem) slaan of schoppen door FC Volendam supporters. Van dit deel van de tenlastelegging moet de verdachte daarom partieel worden vrijgesproken.
Ook spreekt de rechtbank de verdachte partieel vrij van het in het water duwen van personen. Hoewel de rechtbank op basis van het dossier vaststelt dat een FC Utrecht supporter op de Meerzijde in Volendam door een FC Volendam supporter in het water is geduwd, kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte toen al deel uitmaakte van de groep FC Volendam supporters. Hij is hier niet herkend op camerabeelden en niet valt uit te sluiten dat hij zich op dat moment nog in het café bevond en zich pas later bij de groep heeft gevoegd.
3.3.3.2 Feit 4 (openlijke geweldpleging op de Stationsweg in Alkmaar)
Op 18 mei 2023 heeft er op de Stationsweg in Alkmaar een confrontatie tussen voetbalsupporters van AZ en West Ham United plaatsgevonden. Bij die confrontatie is door de AZ supporters onder meer tegen een stoel getrapt, een riem uit een broeksband gehaald om daarmee te slaan (of dit te proberen) en met een stoel gegooid richting de supporters van West Ham United. Daarmee heeft de groep AZ supporters zich naar oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld.
De vraag is of de verdachte onderdeel uitmaakte van de groep AZ supporters. De verdachte heeft verklaard dat hij die dag wel in het AZ stadion was en een oranje/zwarte bivakmuts bij zich had, maar niet bij de confrontatie op de Stationsweg is geweest. De rechtbank komt tot het oordeel dat de verdachte wel onderdeel uitmaakte van de supportersgroep van AZ die op de Stationsweg openlijk geweld heeft gepleegd, onder meer op basis van diverse herkenningen in het dossier. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van herkenningen staat steeds voorop dat daarbij behoedzaamheid betracht dient te worden. Factoren zoals intensiteit en frequentie van eerdere contacten met de verdachte, de vraag hoe recent die contacten zijn geweest, de vraag of bewegende beelden dan wel foto’s (stills) zijn bekeken, de kwaliteit van de beelden en wat daarop van de verdachte is te zien en de wijze waarop de herkenning tot stand is gekomen (in onderling overleg of onafhankelijk van elkaar en met of zonder voorinformatie) zijn in dit verband van belang.
Herkenning van een persoon op beeld vindt plaats op basis van een in het geheugen opgeslagen beeld en niet slechts op basis van een gezicht, maar ook op grond van andere kenmerken zoals haardracht, lengte, postuur, houding, kleding en accessoires en – wanneer het bewegend beeld betreft – de manier van bewegen. Aldus spelen verschillende elementen daarbij een rol, waarbij steeds sprake is van een ‘holistisch’ proces, dat naar zijn aard moeilijk in objectief verifieerbare elementen is op te delen en niet altijd onder woorden is te brengen. Dat moeilijk te rationaliseren holistische karakter maakt ook dat het enkele feit dat de kwaliteit van de camerabeelden te wensen overlaat of dat de verdachte daar maar ten dele op valt te zien, niet hoeft te betekenen dat de herkenning onbetrouwbaar is. Een van de factoren die de betrouwbaarheid van een herkenning positief kunnen beïnvloeden, is de mate van bekendheid met de waargenomen persoon. Hoe meer men van de betrokken persoon een beeld heeft/hoe beter men de betrokken persoon kent, des te minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Wie iemand goed kent, heeft immers maar weinig nodig om hem of haar te herkennen.
Verbalisant TO040724 heeft in het door hem opgemaakte proces-verbaal verklaard dat hij op de aan hem 4 juli 2023 toegestuurde fotostills in het onderzoek Berkley II (zijnde het onderzoek naar de confrontatie op de Stationsweg te Alkmaar) de daarop afgebeelde persoon herkent als de verdachte. De rechtbank stelt vast dat deze fotostills zijn gemaakt uit de bewegende beelden, die zijn gemaakt van de confrontatie op de Stationsweg. Op die beelden is een persoon met een oranje/zwart gekleurde bivakmuts te zien, die deze na de confrontatie afzet en waarna zijn gezicht zichtbaar wordt. Op de twee fotostills die zijn opgenomen in het proces-verbaal van herkenning, is deze persoon met de oranje/zwarte bivakmuts te zien en diezelfde persoon na het afzetten van deze bivakmuts, dus zonder gezichtsbedekking.
In dit proces-verbaal verklaart verbalisant TO040724 dat hem is gevraagd naar de twee fotostills te kijken, waarbij hij onder meer het volgende verklaart:
- hij herkent de verdachte ambtshalve op de fotostills;
- [verdachte] heeft een landelijk stadionverbod in verband met recent door hem gepleegde voetbalgerelateerde misdrijven. Bij het onderzoek naar deze misdrijven is hij nauw betrokken geweest. Zodoende heeft hij recent met [verdachte] te maken gehad;
- hij herkende de verdachte onmiddellijk en voor de volle honderd procent aan zijn gezicht, zijn dieper liggende oogkassen waarbij zijn wenkbrauwen markant naar voren steken boven zijn ogen en zijn opgeschoren haardracht;
- nadat hij de verdachte herkend had, vergeleek hij de ontvangen fotostills met een foto van de verdachte gemaakt op 20 mei 2023 bij het zogenaamde handhavingsfeest van FC Volendam te Volendam. Op deze foto is [verdachte] te zien met dezelfde opgeschoren haardracht.
In zijn getuigenverhoor bij de rechter-commissaris verklaart verbalisant TO040724 dat hij de foto’s individueel heeft bekeken, dat hij voorafgaand niet met collega’s over de herkenning heeft gesproken, dat hij de verdachte al zeker 16 jaar kent, dat hij al 18 jaar bij de voetbaleenheid werkt en dat hij de verdachte in elk geval vanaf het seizoen 2008-2009 kent. In de beginjaren vanaf 2008 was het contact met de verdachte wekelijks en de afgelopen twee jaar was dat bij benadering om de week. Hij verklaart verder dat de verdachte een heel bijzondere blik in zijn ogen heeft, wat dieper liggen oogkassen met vooruitstekende wenkbrauwen. Hij heeft na het opmaken van het proces-verbaal van herkenning aan de hand van de fotostills, ook de bewegende beelden gezien en die bevestigden voor hem de geverbaliseerde herkenning. Die bevestiging kwam voort uit het feit dat hij meer herkenningspunten had: de mimiek, de opruiende bewegingen de manier waarop de persoon positie zocht in de groep. Dat herkende hij van de manier waarop de verdachte dat altijd op een positieve manier doet bij de FC Volendam supporters.
De rechtbank is van oordeel dat de herkenning door verbalisant TO040724, die niet alleen op basis van de fotostills maar daarna ook op basis van de bewegende beelden plaatsvond, terwijl hij de verdachte in persoon al zoveel jaren kent en de herkenning bovendien gestoeld is op specifieke gezichtskenmerken, mimiek en manier van bewegen, op zichzelf al voldoende is voor een betrouwbare herkenning van de verdachte.
Daar komt nog bij dat ook verbalisant TO040725 is verhoord bij de rechter-commissaris en ook hij heeft verklaard dat hij de verdachte heeft herkend op de bewegende beelden van de vechtpartij voor het station Alkmaar. Hij heeft verklaard de verdachte bijna twee jaar te kennen en dat hij twee keer een huisbezoek bij de verdachte heeft gebracht om te controleren of hij thuis was, nadat hij een stadionverbod had gekregen. Hij heeft de verdachte op de bewegende beelden herkend aan de houding en beweging, namelijk lompe bewegingen, waarbij hij grote bewegingen maakt, onder andere het zwaaien met zijn armen. Het spatte van de beelden af, dat dit de verdachte was, aldus deze verbalisant. Hij verklaarde verder dat hij de verdachte voorafgaand aan de confrontatie op 23 mei 2023 heeft gesproken in een zijstraatje van het Waagplein te Alkmaar en toen zag dat de verdachte een soort van mutsje, duidelijk zwart oranje bij zich had en dat de verdachte bij die ontmoeting exact dezelfde kleding droeg als op de bewegende beelden.
Beide verbalisanten omschrijven op grond waarvan zij de verdachte herkennen, namelijk aan de blik in zijn ogen, zijn wat dieper liggende oogkassen met vooruitstekende wenkbrauwen, zijn kleding, zijn haar, de zwart/oranje bivakmuts en zijn manier van bewegen. Beide verbalisanten verklaren ambtshalve bekend te zijn met de verdachte, waarbij verbalisant TO040724 hem al ruim 16 jaar regelmatig persoonlijk sprak en verbalisant TO040725 hem al twee jaar persoonlijk kent. Dat de verbalisanten voorafgaand aan de herkenning al wisten dat de verdachte een zwart/oranje bivakmuts had en die dag in Alkmaar was geweest, doet niet af aan de betrouwbaarheid van hun herkenning. De rechtbank acht daarom de herkenningen van de verbalisanten betrouwbaar en bruikbaar tot het bewijs.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat buiten redelijke twijfel staat dat de verdachte de persoon betreft die zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde openlijke geweldpleging.
3.3.3.3 Feit 6 (overtreding stadionverbod)
Aan de verdachte is op 28 februari 2023 een landelijk stadionverbod opgelegd voor de periode 9 maart 2023 tot 9 maart 2026. Op 21 maart 2023 vond een wedstrijd tussen FC Volendam en SC Cambuur plaats in het voetbalstadion van FC Volendam. De manager veiligheidszaken van het stadion en twee verbalisanten hebben verklaard dat zij de verdachte hebben herkend op beelden van de tribune in het stadion. De verdachte is onder andere herkend aan zijn gezicht, zijn haardracht en zijn manier van juichen. De aangever was al langer bekend met de verdachte vanuit zijn functie en ook [verbalisant 1] was ambtshalve bekend met de verdachte. [verbalisant 2] heeft op 2 januari 2023 contact gehad met de verdachte bij zijn aanhouding. Voor alle herkenningen geldt dat deze op basis van bewegende beelden tot stand zijn gekomen, die volgens [verbalisant 2] veel scherper zijn dan de screenshot in het dossier.
De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, de herkenningen van de verbalisanten betrouwbaar en bruikbaar tot het bewijs. Dat de herkenningen tot stand zijn gekomen na een melding van de politie dat de verdachte zich mogelijk in het stadion zou bevinden, maakt niet dat de rechtbank twijfelt aan de betrouwbaarheid van de herkenningen. De verklaring van de verdachte dat hij niet in het stadion aanwezig was, acht de rechtbank ongeloofwaardig, gelet op de bewijsmiddelen. Naar het oordeel van de rechtbank kan dus wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte op 21 april 2023 zijn stadionverbod heeft overtreden door aanwezig te zijn in het stadion van FC Volendam en zich daarmee heeft schuldig gemaakt aan lokaalvredebreuk.