ECLI:NL:RBNHO:2026:1793

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
C/15/373400
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 195 RvArt. 223 RvArt. 137 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing provisionele voorzieningen inzake bouwschade en inzagerecht bij burenruzie

Eisers zijn sinds 1991 eigenaar van een woning en buren sinds 2016 van een aangrenzend perceel. Eisers stellen dat de heiwerkzaamheden van gedaagden in 2024 schade aan hun woning hebben veroorzaakt en vorderen schadevergoeding en een verbod op bouwactiviteiten zonder hun instemming. Tevens vorderen zij inzage in bouwdocumenten.

De rechtbank oordeelt dat eisers onvoldoende belang hebben bij het gevorderde verbod als voorlopige voorziening, omdat er geen concrete dreiging van schadelijke handelingen is aangetoond. Ook wijst de rechtbank het verzoek tot inzage af, omdat niet is gebleken dat de gevraagde documenten bestaan of dat er een voldoende belang is, en omdat artikel 194 Rv Pro geen onbeperkt inzagerecht biedt.

De incidentele vorderingen worden afgewezen en eisers worden veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank beveelt een mondelinge behandeling om de standpunten nader te bespreken en een minnelijke regeling te beproeven. De procedure wordt aangehouden voor verdere beslissing.

Uitkomst: De rechtbank wijst de provisionele vorderingen van eisers af en beveelt een mondelinge behandeling voor verdere procedure.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/373400 / HA ZA 26-22
Vonnis in incident van 25 februari 2026
in de zaak van

1.[eiser 1],

2.
[eiser 2],
beiden wonende te [plaats],
eisende partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [eisers].,
advocaat: mr. S.R. Kieffer,
tegen

1.[gedaagde 1],

2.
[gedaagde 2],
beiden wonende te [plaats],
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. L.A.H.M. Creemers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis d.d. 11 december 2025 waarin de kantonrechter de zaak in de stand waarin deze zich op dat moment bevond heeft verwezen naar de sectie Handel van deze rechtbank, locatie Haarlem, naar de rolzitting van 7 januari 2026
- de stelbrief d.d. 17 december 2025 van de zijde van [eisers]. waarbij als aanvullende productie het op 28 november 2025 verkregen beslagverlof is overgelegd
- de ongedateerde brief met bijlagen van de advocaat van [gedaagden]
- de akte van de zijde van [gedaagden], tevens eis in reconventie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De uitgangspunten

2.1.
[eisers]. zijn sinds 28 oktober 1991 eigenaar van het perceel met woning [adres 1] in [plaats]. [gedaagden] zijn sinds 29 maart 2016 eigenaar van het perceel met woning [adres 2] te [plaats]. De erven grenzen aan elkaar.
2.2.
[gedaagden] zijn in 2024 begonnen met een verbouwing van hun onroerende zaak.
Onder andere hebben op 1 juni 2024 heiwerkzaamheden plaatsgevonden op het perceel van [gedaagden]
2.3.
[eisers]. stellen [gedaagden] aansprakelijk voor schade aan hun woning die volgens [eisers]. is veroorzaakt door de heiwerkzaamheden. [gedaagden] wijzen iedere aansprakelijkheid van de hand.
3. De vorderingen en standpunten van partijen in de hoofdzaak en in het incident
3.1.
[eisers]. vorderen in de hoofdzaak hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van:
I. € 9.141,39 P.M. voor herstel van schade, vermeerderd met rente,
II. € 1.149,50 voor deskundigheidskosten, vermeerderd met rente,
III. € 1.000,00 voor verblijf elders wanneer de scheuren in de muren van hun woning worden hersteld, vermeerderd met de rente,
IV. € 765,09 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met rente.
[eisers]. vorderen daarnaast [gedaagden]
V. hoofdelijk te verbieden zonder instemming van [eisers]. mandelige zaken en/of zaken rondom de erfgrens tussen de erven [adres 1] en [adres 2] in [plaats] te vervangen of te wijzigen en/of zaken te vervangen of te wijzigen en/of bouwactiviteiten te verrichten die invloed hebben op de woning van [eisers]., op straffe van verbeurte van een dwangsom,
een en ander met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.
3.2.
[eisers]. leggen aan hun vorderingen – samengevat – ten grondslag dat [gedaagden] onrechtmatig jegens hen (dreigen te) handelen. Zij stellen dat [gedaagden] in juni 2024 ongeoorloofde heiwerkzaamheden hebben uitgevoerd/doen uitvoeren als gevolg waarvan scheuren zijn ontstaan in de binnenmuur van de woning van [eisers]. en dat [gedaagden] gehouden zijn de kosten van het herstel van die schade aan hen te vergoeden. Aan het door hen gevorderde verbod leggen [eisers]. ten grondslag dat [gedaagden] ongevraagd een mandelige schutting heeft verwijderd en heeft aangekondigd een mandelige afvoer te gaan verwijderen.
3.3.
[gedaagden] betwisten schade te hebben toegebracht aan de woning van [eisers]. Zij wijzen in dit verband op de constateringen van hun eigen deskundige over de staat van de fundering van de woning van [eisers] en wijzen er op dat de deskundige van [eisers]. hierop nader zou reageren, maar dat nooit heeft gedaan. Verder betwisten [gedaagden] dat de schutting mandeling is. Hooguit is de hemelwaterafvoer mandelig. [gedaagden] hebben aangeboden deze op hun kosten separaat aan te sluiten op het rioolsysteem en hierover is volgens [gedaagden] inmiddels overeenstemming bereikt.
3.4.
Bij wijze van provisionele voorziening als bedoeld in artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vorderen [eisers].:
  • [gedaagden] hoofdelijk te verbieden zonder instemming van [eisers]. mandelige zaken en/of zaken rondom de erfgrens tussen de erven van [eisers]. en [gedaagden] te vervangen of te wijzigen en/of zaken te vervangen of te wijzigen en/of bouwactiviteiten te verrichten die invloed hebben op de woning van [eisers]., op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00 voor elke dag of gedeelte daarvan dat [gedaagden] in gebreke zijn met de nakoming van het te wijzen vonnis, tot een maximum van € 20.000,00,
  • [gedaagden] te gebieden, uiterlijk binnen tien dagen na betekening van dit vonnis, het inzagerecht na te komen en te bewerkstelligen dat ten gunste van [eisers]., inzage in de documenten wordt gegeven die zijn beschreven in randnummer 44 van de dagvaarding, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00 voor elke dag of gedeelte daarvan dat [gedaagden] in gebreke zijn met de nakoming van het te wijzen vonnis, tot een maximum van € 20.000,00,
een en ander met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van dit incident, waaronder de nakosten.
3.5.
[eisers]. leggen aan het in incident gevorderde verbod ten grondslag dat [gedaagden] hebben aangekondigd een mandelige zaak, naar de rechtbank begrijpt de hemelwaterafvoer, te vervangen en wijzigen. Zij stellen belang te hebben bij het gevorderde verbod omdat een vonnis in de hoofdzaak nog maanden op zich zal laten wachten en zij er belang bij hebben dat in de tussentijd geen schadelijke handelingen kunnen plaatsvinden en daarmee de schade en verder verhaal ten laste van [gedaagden] worden beperkt.
3.6.
De incidentele vordering van [eisers]. tot inzage ziet op de volgende stukken:
het volledige ontwerp van de architect (ook qua esthetiek);
een exact overzicht van de beoogde wijzigingen van mandelige zaken (opgesteld door [gedaagden] en/of hun aannemer/constructeur);
een exact overzicht van de beoogde activiteiten die de erfgrens of de woning van [eisers]. kunnen beïnvloeden (opgesteld door [gedaagden] en/of hun aannemer/constructeur);
e namen van betrokken werklieden (zoals de aannemer) en de wijze waarop zij zich tegen bouwschade hebben verzekerd (CAR);
de planning, de werkzaamheden en de einddatum van het project alsmede antwoord op de vraag of en wanneer het erf van [eisers]. moet worden gebruikt en wat [eisers]. dan kunnen verwachten (ladderrecht).
[eisers]. leggen aan deze vordering ten grondslag dat tussen [gedaagden] en [eisers]. een rechtsbetrekking in de zin van artikel 194 Rv Pro bestaat op grond van nabuurschap, het delen van een erfgrens en het in mede-eigendom hebben van mandelige zaken. Verder zijn de gevraagde documenten volgens [eisers]. al aanwezig dan wel zijn deze eenvoudig op te stellen. [eisers]. stellen dat zij een dringend en spoedeisend belang hebben bij hun vordering tot inzage, omdat zij daardoor in staat gesteld worden tijdig kennis te nemen van de bouwplannen en eventuele wijzigingen aan zaken die hen aangaan, waarna onomkeerbare (schadelijke) handelingen kunnen worden voorkomen. Met behulp van de gevraagde informatie kunnen zij nader beoordelen in hoeverre de bouwplannen inbreuk maken op hun recht en komt nader vast te staan of er onrechtmatige handelingen zullen plaatsvinden, welke kennis bijdraagt aan de beoordeling van de vorderingen in de hoofdzaak, aldus [eisers].
3.7.
[gedaagden] concluderen tot afwijzing van de incidentele vorderingen, met veroordeling van [eisers]. in de kosten van het incident. Zij betwisten dat er sprake is van andere mandelige zaken dan de hemelwaterafvoer, waarover partijen inmiddels overeenstemming hebben bereikt, zodat er geen grond bestaat voor toewijzing van een verbod voor de duur van de procedure.
Met betrekking tot de gevorderde inzage van stukken voeren [gedaagden] aan dat en geen vrees is voor onveiligheid en schade noch van noodzaak tot inzage in het bouwplan van [gedaagden] [eisers]. hebben namelijk al ruim de gelegenheid gehad om die inzage te krijgen maar hebben hiervan willens en wetens afgezien bij afgifte van de nieuwe omgevingsvergunning. Verder wijzen zij erop dat [eisers]. blijkbaar al beschikt over veel gevraagde informatie zoals blijkt uit rangnummer 54 van de dagvaarding, waar [eisers]. maar liefst 22 producties aanbiedt als bewijs. Tot slot betogen [gedaagden] in dit verband dat artikel 194 Rv Pro niet van toepassing is omdat [gedaagden] geen juridische relatie met [eisers]. heeft. [eisers]. zijn er naar de mening van [gedaagden] met hun vordering tot inzage slechts op uit is nieuwe problemen te creëren terwijl [gedaagden] de bouw zo spoedig mogelijk willen voltooien.

4.De beoordeling in het incident

4.1.
Bij wijze van provisionele voorziening vorderen [eisers]. een verbod voor de duur van de procedure in de hoofdzaak. Daarnaast vorderen zij inzage in bescheiden op grond artikel 194 juncto Pro 195 Rv.
gevorderde verbod
4.2.
De rechtbank zal het gevorderde verbod afwijzen. Toewijzing van een vordering strekkende tot het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van het geding is alleen mogelijk wanneer [eisers]. daarbij voldoende belang hebben. Dit kan bijvoorbeeld zijn dat [eisers]. de afloop van de hoofdzaak niet kunnen afwachten of dat een deel van de hoofdvordering krachtens een eindbeslissing op dit moment al toewijsbaar is. Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd is de rechtbank van oordeel dat geen van voornoemde omstandigheden zich hier voordoet en dat [eisers]. onvoldoende hebben toegelicht dat zij belang hebben bij toewijzing van het gevorderde verbod. [eisers]. hebben het door hen gevorderde en algemeen geformuleerde verbod namelijk alleen concreet toegelicht voor de hemelwaterafvoer en met de stelling dat [gedaagden] hebben aangekondigd deze hemelwaterafvoer te vervangen en wijzigen. Dat er – wat er verder zij van de afspraken die volgens [gedaagden] over de hemelwaterafvoer zijn gemaakt – hiermee een concrete dreiging bestaat dat schadelijke handelingen zullen worden verricht hebben [eisers]. niet toegelicht. De enkele vrees van [eisers]. dat door de bouwactiviteiten van [gedaagden] mogelijk (verdere) schade kan ontstaan aan mandelige zaken, zaken rond de erfgrens of aan hun woning is onvoldoende voor toewijzing van het gevorderde verbod.
gevorderde inzage
4.3.
Ook het gevorderde gebod om inzage te verstrekken in de onder 3.6 bedoelde stukken zal de rechtbank afwijzen. De rechtbank legt dit hieronder uit.
4.4.
Artikel 195 juncto Pro artikel 194 Rv Pro biedt een partij, als zij daar voldoende belang bij heeft, de mogelijkheid via de rechter inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens te vorderen van een partij bij een rechtsbetrekking die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking. Een dergelijke vordering kan niet worden aangemerkt als een provisionele voorziening. Het is immers niet mogelijk om inzage te verschaffen in stukken voor (slechts) de duur van de procedure; informatie waarmee [eisers]. uit die stukken bekend wordt, is ook na afloop van de procedure nog bij hen bekend.
4.5.
Het begrip rechtsbetrekking als bedoeld in artikel 194 Rv Pro moet ruim worden opgevat en kan ook een rechtsbetrekking zijn uit onrechtmatige daad. Het bestaan van een rechtsbetrekking hoeft bovendien nog niet in rechte vast te staan. Aangezien [eisers]. stellen dat [gedaagden] schade aan hun woning hebben veroorzaakt en dat dit jegens hen onrechtmatig is, is aan dit vereiste voldaan.
4.6.
Artikel 194 Rv Pro biedt niet een onbeperkt recht op inzage van stukken ten opzichte van degene die deze tot zijn beschikking of onder zich heeft. Verder moet het gaan om bestaande gegevens. Anders dan [eisers]. veronderstellen kan geen inzage van overzichten worden verzocht die nog niet bestaan, zelfs niet als deze overzichten (zoals [eisers]. betogen) eventueel eenvoudig opgemaakt zouden kunnen worden.
Tot slot biedt artikel 194 Rv Pro niet de mogelijkheid voor het opvragen van documenten waarvan [eisers]. alleen maar vermoeden dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan hun stellingen in de hoofdzaak; het inzageverzoek mag niet uitmonden in een zogenoemde ‘fishing expedition’
4.7.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben [eisers]. niet aangetoond dat zij voldoende belang hebben bij de door hen opgevraagde stukken, voor zover deze stukken al bestaan. De rechtbank licht dit hieronder toe.
4.8.
Als productie 6 hebben [eisers]. de omgevingsvergunning van 20 februari 2025 met bijlagen overgelegd. Bij deze bijlagen bevinden zich onder meer tekeningen van de bestaande en van de nieuwe situatie en constructieve tekeningen en berekeningen. Dat [eisers]. belang hebben bij het kennisnemen van de onder 3.6 bedoelde stukken, waaronder het volledige ontwerp van de architect (ook qua esthetiek), in verband met eventuele wijzigingen aan zaken die hen aangaan of om nader te kunnen beoordelen in hoeverre de bouwplannen inbreuk maken op hun recht, valt bij gebrek aan nadere toelichting niet in te zien.
4.9.
Wat betreft de door [eisers]. gevorderde inzage in een exact overzicht van de beoogde wijzigingen van mandelige zaken en van de beoogde activiteiten die de erfgrens of de woning van [eisers]. kunnen beïnvloeden, opgesteld door [gedaagden] en/of diens aannemer/constructeur geldt bovendien (naast hetgeen in 4.8 is overwogen) dat niet is gesteld of gebleken dat zulke overzichten al bestaan. Gelet op de - met een erfrechtreconstructie onderbouwde - stelling van [gedaagden] dat hun woning geheel op eigen grond staat acht de rechtbank het niet aannemelijk dat dergelijke overzichten bestaan. Zoals hiervoor is overwogen moet de vordering tot inzage zien op bestaande stukken.
4.10.
In verband met de door [eisers]. gevorderde inzage in de namen van bij de werkzaamheden betrokken werklieden (zoals de aannemer) en de wijze waarop zij zich tegen bouwschade hebben verzekerd (CAR) constateert de rechtbank dat [gedaagden] in hun antwoord kenbaar hebben gemaakt dat zij in eigen beheer (de eenmanszaak van [gedaagden]) de werkzaamheden uitvoeren en dat zij een CAR-verzekering hebben afgesloten. Bij het bekend maken van namen van andere werklieden hebben [eisers]. geen afzonderlijk belang gesteld.
4.11.
Wat betreft de door [eisers]. gevorderde inzage in de planning, de werkzaamheden en de einddatum van het project, het antwoord op de vraag of en wanneer het erf van [eisers]. moet worden gebruikt en wat [eisers]. dan kunnen verwachten (ladderrecht) begrijpt de rechtbank dat het prettig kan zijn voor [eisers]. om precies te weten wanneer de werkzaamheden volgens [gedaagden] zullen worden uitgevoerd en wanneer ze zullen zijn afgerond, maar dit levert in de gegeven omstandigheden niet een voldoende belang op in de zin van artikel 194 Rv Pro, dit nog afgezien van de vraag of deze gegevens al beschikbaar zijn. Voor zover [eisers]. aan de hand van de gevraagde inzage invloed wil uitoefenen op de planning en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden, merkt de rechtbank op dat zijn rechten niet zo ver reiken. In dit verband merkt de rechtbank op dat ook zonder dat [eisers]. over deze gegevens beschikken [gedaagden] onrechtmatige hinder moeten voorkomen en geen misbruik mogen maken van het ladderrecht. Overigens maakt de rechtbank uit het antwoord van [gedaagden] op dat zij om verdere problemen met [eisers]. zoveel mogelijk te voorkomen indien nodig zullen kiezen voor een andere manier van metselen, voor zover mogelijk zonder gebruik te maken van het ladderrecht.
Conclusie
4.12.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen en beslist volgt dat de rechtbank alle bij wijze van incident ingestelde vorderingen van [eisers]. zal afwijzen.
4.13.
De rechtbank zal [eisers]. als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het incident. Daarbij ziet de rechtbank aanleiding voor het salaris van de advocaat de helft van het toepasselijke liquidatietarief te rekenen, omdat in de conclusie van antwoord grotendeels hetzelfde verweer is gevoerd in het incident als in de hoofdzaak. Dit betekent dat de rechtbank de kosten tot op heden aan de zijde van [gedaagden] begroot op:
salaris advocaat € 326,50 (€ 653,00 x 0,5)
nakosten
€ 189,00(plus de verhoging als vermeld in de beslissing)
Totaal € 515,50

5.De beoordeling in de hoofdzaak

5.1.
Na de verwijzing door de kantonrechter hebben [gedaagden] een akte genomen waarin zij een eis in reconventie hebben geformuleerd.
Op grond van het bepaalde in artikel 137 Rv Pro moet een eis in reconventie dadelijk bij het antwoord in de hoofdzaak worden ingesteld. [gedaagden] hebben op 17 september 2025 in de procedure bij de kantonrechter al van antwoord gediend. Daarbij hebben zij niet hun eis in reconventie ingesteld. Dit betekent dat de eis in reconventie te laat is ingesteld en dat [gedaagden] niet kunnen worden ontvangen in hun reconventionele vordering. De rechtbank laat de akte daarom buiten beschouwing.
5.2.
De rechtbank zal een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.
5.3.
De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.
5.4.
Op de mondelinge behandeling wordt aan de advocaten van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zijn niet toegestaan.
5.5.
Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden beslist hoe de procedure verder zal gaan. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank tijdens of na de mondelinge behandeling direct mondeling uitspraak kan doen.
5.6.
De rechtbank wijst partijen erop dat zij schriftelijk en gemotiveerd om extra behandeltijd kunnen vragen indien zij van mening zijn dat de geplande anderhalf uur voor de mondelinge behandeling niet toereikend is.
5.7.
De naam van de betrokken rechter wordt vanaf één week voor de zitting vermeld in het roljournaal.
5.8.
Partijen wordt verzocht er zorg voor te dragen dat bescheiden die voor de zaak van belang zijn – voor zover deze nog niet zijn overgelegd – uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling in het bezit zijn van de rechtbank en de wederpartij.
5.9.
Uitgangspunt is dat er geen proces-verbaal wordt opgemaakt van de mondelinge behandeling. De rechter maakt alleen een proces-verbaal op indien hij dit, ambtshalve of op verzoek van een partij die daarbij belang heeft, bepaalt of op verzoek van de hoger-beroepsrechter.

6.De beslissing

De rechtbank
in het incident
6.1.
wijst het gevorderde af,
6.2.
veroordeelt [eisers]. in de proceskosten van [gedaagden] van € 515,50, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekent,
in de hoofdzaak
6.3.
beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en het beproeven van een minnelijke regeling, door een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank,
6.4.
bepaalt dat de partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn,
6.5.
bepaalt dat de advocaten van partijen op de rol van
woensdag 11 maart 2026door middel van het B5 formulier vanuit het roljournaal aan de griffier van deze rechtbank zullen opgeven de verhinderdata van partijen en hun raadslieden
in de periode april tot en met augustus 2026.De rechtbank zal vervolgens het tijdstip voor de mondelinge behandeling vaststellen, waarvoor in beginsel anderhalf uur zal worden uitgetrokken. Bij gebreke van (tijdige) opgave van verhinderdata zal de rechtbank een tijdstip voor de mondelinge behandeling vaststellen, waarvan niet kan worden afgeweken,
6.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op
25 februari 2026.
1155