In deze zaak heeft de vader, eigenaar van een woning, een kort geding aangespannen tegen zijn zoon en diens bewindvoerder. De vader, 87 jaar oud, heeft zijn zoon, 52 jaar oud, vijftien jaar geleden toegestaan om in de woning te verblijven na zijn detentie. Sindsdien heeft de zoon, die zonder recht of titel in de woning verblijft, geweigerd te vertrekken, ondanks herhaalde verzoeken van de vader. De situatie is verslechterd; de zoon veroorzaakt overlast en de vader voelt zich onveilig in zijn eigen huis. De vader heeft de vordering tegen de zoon ingetrokken, maar houdt de vordering tegen de bewindvoerder in stand. Hij vordert ontruiming van de woning en een verbod voor de zoon om de woning te betreden. De bewindvoerder heeft geen verweer gevoerd. De voorzieningenrechter oordeelt dat de vader een spoedeisend belang heeft bij de ontruiming, aangezien de zoon zonder recht of titel verblijft. De vordering tot ontruiming wordt toegewezen, maar de verzoeken om machtiging tot ontruiming met de sterke arm en om een dwangsom worden afgewezen, omdat deze overbodig zijn. De bewindvoerder wordt veroordeeld in de proceskosten van € 983,00. Het vonnis is uitgesproken op 13 januari 2026 door mr. J.H. Gisolf.