Art. 3:178 BWArt. 3:185 lid 2 sub c BWArt. 3:300 lid 1 BWArt. 3:300 lid 2 BW
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vordering tot medewerking passeren akte verdeling woning en gebruiksvergoeding afgewezen
Partijen zijn gescheiden en hebben de woning gezamenlijk in eigendom. In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de woning aan de vrouw toekomt, mits zij de man voor 1 januari 2017 uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek kan ontslaan. Dit is niet gelukt vanwege een flexibel krediet waarvoor zij beiden aansprakelijk waren.
De man vordert in kort geding verkoop van de woning aan een derde en betaling van een gebruiksvergoeding door de vrouw. De vrouw vordert medewerking van de man aan de toedeling van de woning aan haar zonder gebruiksvergoeding.
De rechtbank oordeelt dat de opschortende voorwaarde niet tot nietigheid van de verdeling leidt en dat de woning aan de vrouw toekomt. De man heeft geen recht op overwaarde of gebruiksvergoeding. Wel moet de vrouw de helft van de box 3-heffing betalen die de man als mede-eigenaar is opgelegd. De kosten worden tussen partijen gecompenseerd.
Uitkomst: De vrouw krijgt de woning toegewezen zonder gebruiksvergoeding, de man moet 50% van de box 3-heffing betalen en de overige vorderingen van de man worden afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/372738 / KG ZA 25-778
Vonnis in kort geding van 10 februari 2026
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [plaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. R.M. Vessies,
tegen
[de man],
wonende te [plaats 2],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
mr. B. Kochheim-Bossink.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 8 producties - de conclusie van antwoord, tevens houdende een eis in reconventie, met 9 producties
- de aanvullende producties 9 t/m 15 van de vrouw - de mondelinge behandeling van 27 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitnota van de vrouw - de pleitnota van de man.
2.De feiten
2.1.
Partijen zijn op 26 juni 1997 in de gemeente Heemstede onder huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Het huwelijk is op 11 november 2015 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 23 september 2015 in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Tijdens het huwelijk hebben partijen in gezamenlijk eigendom verkregen de woning aan de [adres] te ([postcode]) te [plaats 1] (hierna: de woning). Partijen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de hypothecaire geldlening die zij ten behoeve van de aankoop van de woning zijn aangegaan.
2.3.
In de echtscheidingsbeschikking zijn partijen over de verdeling, voor zover van belang, het volgende overeengekomen:
Wat betreft de echtelijke woning en de daarop rustende hypothecaire geldlening:
De echtelijke woning, de hypothecaire lening en de aan deze lening gekoppelde polis komen aan de vrouw toe, waarbij zij tot 1 januari 2017 de gelegenheid heeft de man te doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake deze hypothecaire verplichting.
Indien de vrouw hiertoe op deze datum niet in staat is gebleken, zal de woning verkocht worden aan een derde en zullen beide partijen meewerken aan verkoop.
De opbrengst, na aflossing van de hypothecaire lening en voldoening van de verkoopkosten, komt alsdan toe aan de vrouw, zonder nadere verrekening.
Wat betreft een flexibel krediet bij ABN Amro ter hoogte van € 40.000.00, waarvoor beide partijen hoofdelijk aansprakelijk waren:
Het flexibel krediet komt geheel voor rekening van de man, met de verplichting voor hem om deze af te lossen. De man dient de vrouw ter zake van deze schuld te vrijwaren.
Overweging 2.7.3 van de echtscheidingsbeschikking over de lasten van de woning luidt:
Voorts hebben partijen ter zitting afgesproken dat de vrouw de lasten van de echtelijke woning, zowel de gebruikers- als de eigenaarslasten, voor haar rekening zal nemen vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk.
2.4.
De registratie van het voornoemde flexibel krediet bij het BKR heeft in de weg gestaan aan het verkrijgen van financiering door de vrouw, benodigd om de man te ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. In 2018 heeft de vrouw daarom een kort geding procedure gestart strekkende tot – kort gezegd – herfinanciering van het flexibel krediet door de man en medewerking van de man aan de overdracht van de woning aan de vrouw zonder ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Dit heeft geleid tot een vonnis in kort geding van deze rechtbank van 10 oktober 2018, waarbij die vordering is afgewezen.
2.5.
Namens de vrouw is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. De man heeft incidenteel appel ingesteld en gevorderd dat de vrouw wordt veroordeeld tot verkoop van de woning aan een derde, met ontslag van hem uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Op 17 november 2020 heeft het gerechtshof Amsterdam arrest gewezen en het volgende overwogen:
3.5 (…)
Vast staat dat de man het flexibel krediet (nog) niet heeft afgelost, zodat ook de vrouw voor deze schuld nog hoofdelijk aansprakelijk is. Tussen partijen is niet in geschil dat zij geen afspraken hebben gemaakt over de wijze waarop en de periode waarbinnen het
flexibel krediet door de man moet worden afgelost. Ook zijn partijen niet uitdrukkelijk overeengekomen dat de man de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor het flexibel krediet moet laten ontslaan. Voorts staat vast dat de vrouw de man nog niet uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening voor de woning heeft doen ontslaan. Uit hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd volgt dat de vrouw de man niet uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid kan doen ontslaan zolang zij hoofdelijk aansprakelijk is voor het flexibel krediet én dat de man de vrouw niet kan doen ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid zolang hij hoofdelijk aansprakelijk blijft voor de hypothecaire geldlening. Aldus zijn partijen over en weer van elkaars handelen afhankelijk en belemmeren zij elkaar in het kunnen nakomen van de tussen hen gemaakte afspraken.
(,,,)
3.11
In het licht van de tussen partijen bestaande situatie waarin zij elkaar over en weer belemmeren, kan thans niet van de vrouw worden verwacht dat zij de woning aan een derde verkoopt. De man kan zich pas in redelijkheid beroepen op een gehoudenheid van de vrouw om de woning aan een derde te verkopen, indien en zodra hij zijnerzijds al het redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om de op hem rustende verplichtingen na te komen. Daarvan is geen sprake. (…)
2.6.
De man is doorgegaan met het betalen van rente en aflossing op de restantschuld van het flexibel krediet. Op 4 augustus 2025 heeft de vrouw de laatste termijn voldaan.
3.Het geschil
in conventie
3.1.
De vrouw vordert – samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de man te bevelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis mee te werken aan het passeren van de akte van verdeling en de toedeling van de woning aan de [adres], [postcode], kadastraal bekend gemeente [kadaster nummer], aan de vrouw, ten overstaan van mr. [betrokkene], notaris in de gemeente [gemeente], zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat gedaagde in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;
te bepalen dat, indien de man weigert mee te werken aan het passeren van de ad A bedoelde akte, dit vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BWPro, in de plaats treedt van de ontbrekende wilsverklaring van de man benodigd voor totstandkoming van de notariële levering van toedeling van de woning aan de vrouw;
de man te veroordelen in de kosten van dit geding.
3.2.
De vorderingen van de vrouw zijn gegrond op nakoming van de overeenkomst tussen partijen die is vastgelegd in de echtscheidingsbeschikking van 23 september 2015.
3.3.
De man voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten. Volgens de man kan geen nakoming van de overeenkomst worden verlangd, omdat de opschortende voorwaarde waaronder de overeenkomst is gesloten niet is vervuld.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
De man vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. verkoop woning
de wijze van verdeling gelast van de woning aan de [adres], [postcode] te [plaats 1], conform artikel 3:185 lid 2 sub c BWPro, inhoudende verkoop aan een derde tegen de huidige marktwaarde;
de vrouw veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis haar medewerking te verlenen aan het gezamenlijk verstrekken van een verkoopopdracht aan een door partijen in onderling overleg aan te wijzen NVM-makelaar voor de verkoop van de woning, bij gebreke van overeenstemming binnen zeven dagen na betekening een door de voorzieningenrechter op voorhand aan te wijzen NVM-makelaar gevestigd in de regio [plaats 1];
de vrouw veroordeelt om de door de makelaar geadviseerde marktconforme vraagprijs en verkoopstrategie te accepteren, althans zich te onthouden van handelingen die de verkoop frustreren of vertragen;
e vrouw veroordeelt om haar medewerking te verlenen aan alle handelingen die nodig zijn voor de verkoop, waaronder maar niet beperkt tot:
• het toelaten van de makelaar en potentiële kopers tot de woning voor bezichtigingen;
• het verstrekken van alle benodigde informatie aan de makelaar;
• het tijdig reageren opbiedingen en onderhandelingsvoorstellen;
de vrouw veroordeelt om binnen veertien dagen na ontvangst van een redelijk bod dat de makelaar adviseert te accepteren, althans een bod ter hoogte van minimaal 95% van de taxatiewaarde, haar medewerking te verlenen aan het ondertekenen van de koopovereenkomst;
de vrouw veroordeelt om haar medewerking te verlenen aan het passeren van de notariële leveringsakte bij een door partijen gezamenlijk aan te wijzen notaris, bij gebreke van overeenstemming een door de Voorzieningenrechter aan te wijzen notaris, uiterlijk op de in de koopovereenkomst bepaalde leveringsdatum;
de vrouw veroordeelt om te gehengen en te gedogen dat uit de verkoopopbrengst achtereenvolgens worden voldaan:
• de hypothecaire schuld aan Florius (hypotheeknummer 976.169);
• de gebruikelijke verkoop- en notariskosten;
• de makelaarscourtage;
en dat het restant (de overwaarde) bij helfte wordt verdeeld tussen partijen;
bepaalt dat dit vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BWPro in de plaats treedt van de vereiste medewerking en wilsverklaring van de vrouw voor zover zij weigert de in dit vonnis genoemde handelingen te verrichten, waaronder:
• de ondertekening van de verkoopopdracht aan de makelaar;
• de ondertekening van de koopovereenkomst en de notariële leveringsakte;
• alle overige rechtshandelingen benodigd voor de eigendomsoverdracht;
i. de vrouw veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke blijft te voldoen aan het onder 1.a tot en met g gevorderde, met een maximum van € 50.000,-, onverminderd het recht van de man om nakoming en/of aanvullende schadevergoeding te vorderen.
II. primair: voorschot gebruiksvergoedingde vrouw veroordeelt
- tot betaling van een bedrag van € 12.250,- als voorschot op een gebruiksvergoeding over de periode van januari 2021 tot januari 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede tot betaling van een voorschot op een gebruiksvergoeding van € 245,- per maand, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, bij wijze van voorschot voor iedere maand of gedeelte daarvan dat de vrouw vanaf januari 2026 het exclusieve gebruik van de woning behoudt, tot aan de datum van levering van de woning aan een derde dan wel aan de vrouw;
II subsidiair: vergoeding eigenaarsbelasting box 3
Voor het geval vordering II geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, de vrouw veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 8.164,- als voorschot op een vergoeding voor eigenaarslasten wegens de door de man over de jaren 2023 t/m 2026 verschuldigde box 3-heffing, te vermeerderen met de wettelijke rente,
III.de vrouw veroordeelt in de kosten van het geding in reconventie, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.6.
De man legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de overeenkomst van verdeling tot stand is gekomen onder de opschortende voorwaarde dat de man voor 1 januari 2017 ontslagen zou zijn uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. De voorwaarde is niet ingetreden en de overeenkomst is derhalve niet tot stand gekomen. Conform het bepaalde in de beschikking moet de woning verkocht worden aan een derde, aldus de man. Als eigenaar van de woning, waarin de vrouw woonachtig is, acht de man zich gerechtigd tot de ontvangst van een gebruikersvergoeding, althans een vergoeding van geheven belasting in box 3, zijnde een eigenaarslast.
3.7.
De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.
De vrouw voert aan dat partijen zijn overeengekomen dat ook bij verkoop aan een derde de overwaarde aan haar toekomt. Dat staat in de weg aan de vorderingen van de man zowel tot betaling van 50% van de overwaarde als tot betaling van een gebruiksvergoeding. Bovendien zijn partijen een gebruik van de woning door de vrouw om niet overeengekomen. Zij betwist ook het bestaan van een rechtsgrond voor een vergoeding van de box-3 heffing.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4.De beoordeling
4.1.
Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie met elkaar samenhangen, behandelt de voorzieningenrechter de vorderingen gezamenlijk.
in conventie en in reconventie
4.2.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen, waarbij vereist is dat partijen daarbij een spoedeisend belang hebben. Gelet op de vorderingen van partijen over en weer met betrekking tot de toedeling dan wel verkoop van de woning en de lange periode dat zij vast zitten in deze situatie, acht de voorzieningenrechter spoedeisend belang aanwezig.
De woning
4.3.
Tussen partijen is in geschil de uitleg van de overeenkomst die zij hebben gesloten met betrekking tot de verdeling van de woning, welke is opgenomen in de echtscheidingsbeschikking van 23 september 2015. Meer concreet is de vraag of de in de overeenkomst besloten termijn om de man te ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor 1 januari 2017 heeft te gelden als opschortende voorwaarde en het niet vervullen daarvan leidt tot de conclusie dat geen verdeling tot stand is gekomen.
4.4.
Er is sprake van een opschortende voorwaarde, die gebonden is aan een termijn. De gevolgtrekking van de man dat daardoor in zijn geheel geen verdeling tot stand is gekomen volgt de voorzieningenrechter echter niet.
4.5.
Het betoog van de man miskent dat de opschortende voorwaarde slechts betrekking heeft op een deel van de regeling, te weten de toedeling aan de vrouw. De oorzaak van het niet vervullen van de voorwaarde is gelegen in de omstandigheid dat de vrouw er niet in is geslaagd de man vóór ommekomst van de termijn te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Partijen hebben blijkens de inhoud van de regeling rekening gehouden met de mogelijkheid dat dit zich zou voordoen. Dat brengt mee dat in dit geding uitgangspunt moet zijn dat de voorwaarde binnen de termijn die in de regeling is genoemd niet uitvoerbaar was en dat de voorwaarde daarmee is uitgewerkt.
4.6.
Anders dan door de man betoogt, brengt dit niet mee dat de tussen partijen getroffen regeling geheel is uitgewerkt. Er is nog steeds sprake van een door de rechter bekrachtigde verdeling, die zoveel mogelijk overeenkomstig haar inhoud en strekking tot uitvoering moet worden gebracht. Uit het door de man ingeroepen artikel 3:178 lid 5 vanPro het Burgerlijk Wetboek volgt ook niet dat een verdeling binnen 5 jaar moet worden geëffectueerd.
4.7.
De in de uitspraak vastgelegde verdeling houdt in dat de (waarde van de) woning aan de vrouw toekomt. Bij toedeling van de woning aan de vrouw zou deze waarde aan haar toekomen via overname van de hypotheek, de aan de lening gekoppelde polis en het bewerkstelligen van het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de man. Bij verkoop aan een derde houdt de regeling in dat de vrouw de opbrengst toekomt, na aflossing van de hypothecaire lening en voldoening van de verkoopkosten, zonder nadere verrekening. De vrouw heeft uitgelegd dat deze regeling haar verklaring vindt in het feit dat de woning in 2015 ‘onder water’ stond en dat de vrouw een aanzienlijk bedrag aan verbouwingskosten uit de onder uitsluitingsclausule verkregen nalatenschap van haar ouders had gefinancierd. De man heeft dat betwist met blote stellingen en heeft daar geen plausibele andere lezing tegenover gesteld. Ook om die reden zal de voorzieningenrechter nog steeds van deze regeling uitgaan.
4.8.
Uit het voorgaande volgt dat de man geen aanspraak heeft op de overwaarde van de woning, zoals ook het gerechtshof Amsterdam in het hiervoor onder 2.5 genoemde arrest al heeft laten blijken. Een grondslag waarop dat recht (nu wel) zou kunnen worden geldend gemaakt is in de namens de man geponeerde stellingen ook niet te ontwaren.
Niet gezegd kan worden dat het (in overwegende mate) aan de vrouw is toe te rekenen dat de man vanwege de aanwezigheid van het flexibel krediet jaren lang niet in staat is geweest om de koopmarkt op te gaan en te profiteren van de aanzienlijke stijging van de onroerend goed prijzen, zodat in het midden kan blijven of de man wel aanspraak om een deel van de overwaarde zou hebben indien dat wel het geval zou zijn.
4.9.
Het voorgaande brengt tevens mee dat de man geen belang heeft bij een veroordeling van de vrouw tot medewerking aan de verkoop van de woning. Die verkoop zal immers niet tot uitkering van enig bedrag aan de man leiden.
4.10.
De slotsom van het voorgaande is dat de vordering van de vrouw tot toedeling van de woning toewijsbaar is evenals de gevorderde indeplaatsstelling van dit vonnis voor de benodigde medewerking van de man bij de totstandkoming van de akte (zoals bedoeld in art. 3:300 BWPro), waarbij de vordering zal worden toegewezen zoals hieronder vermeld. De vrouw heeft dan geen belang bij oplegging van een dwangsom.
4.11.
Dit leidt tot afwijzing van de vorderingen van de man betreffende de verkoop van de woning en verdeling van de waarde.
Gebruiksvergoeding
4.12.
De man vordert betaling van een voorschot op een gebruiksvergoeding door de vrouw vanaf januari 2021 tot de datum van levering van de woning.
4.13.
Het verweer van de vrouw dat het recht op een gebruiksvergoeding in strijd is met de aard en de strekking van de tussen partijen overeengekomen verdeling slaagt.
In post-maritale verhoudingen waarin een gemeenschappelijke woning na de scheiding door een der deelgenoten wordt bewoond, wordt een vordering tot betaling van een gebruikskostenvergoeding opgelegd om de niet in de woning woonachtige deelgenoot te compenseren voor het feit dat de daarin wel woonachtige deelgenoot woongenot consumeert, dat mede de vrucht is van het in de woning opgesloten liggende vermogen van de ander. Partijen zijn bij de verdeling overeengekomen dat de waarde van de woning volledig aan de vrouw toekomt. Door hierboven genoemde omstandigheden kon aan deze verdeling niet eerder gevolg worden gegeven. De inhoud van de verdelingsafspraak brengt evenwel mee dat van gemist genot of gemist rendement aan de zijde van de man geen sprake is. Daarbij heeft de man niet weersproken dat de vrouw de aan de woning verbonden lasten vanaf de datum van de regeling heeft voldaan (met uitzondering van de na te noemen post die de man daartoe ook rekent en waarover apart zal worden geoordeeld).
Vergoeding box 3-heffing
4.14.
Omdat het verzochte voorschot op de gebruiksvergoeding wordt afgewezen, komt de voorzieningenrechter toe aan beoordeling van de subsidiaire vordering tot betaling van een voorschot door de vrouw wegens de door de man verschuldigde box 3-heffing over de jaren 2023 t/m 2026. De geheven belasting over de jaren 2023 t/m 2025 bedraagt € 6.254,00 en de man schat deze belastingpost in 2026 op € 1.910,00.
4.15.
De man wordt belast in box 3 vanwege zijn mede-eigendom van de woning.
De man stelt dat de vrouw deze belastingheffing moet betalen, omdat hij geen enkel genot van de woning heeft. De man ziet dit als een eigenaarslast waarvan is overeengekomen dat de vrouw deze op zich zou nemen, althans stelt dat de vrouw deze moet deze voldoen op grond van de redelijkheid en billijkheid die op de verhouding tussen deelgenoten/ex echtelieden van toepassing is.
4.16.
De vrouw voert aan dat geen rechtsgrond bestaat voor deze vordering en dat partijen niet zijn overeengekomen dat de vrouw deze lasten zou dragen. Volgens de vrouw had de man bezwaar moeten maken tegen deze aanslagen, omdat aangetoond had kunnen worden dat de overwaarde van de woning niet aan de man toekomt. Dan hadden deze kosten voorkomen kunnen worden.
4.17.
De voorzieningenrechter overweegt dat de redelijkheid en billijkheid die partijen als ex-echtelieden en als deelgenoten jegens elkaar in acht moeten nemen meebrengt dat de vrouw bij helfte moet bijdragen in de aan de man opgelegde aanslag. De vrouw miskent met haar verweer dat het nadeel van de onvoorziene consequenties van de verdelingsovereenkomst wel erg eenzijdig bij de man zijn terechtgekomen. Bij gebrek aan informatie die in een andere richting wijst, is zij medeverantwoordelijk dat de door het gerechtshof Amsterdam uitvoerig belichte regeling in 2020 niet tot wasdom is gekomen. Wel dient de man bij de Belastingdienst na te gaan of de aanslagen herzien kunnen worden gelet op de verdelingsovereenkomst tussen partijen uit 2015, welke bij dit vonnis in stand is gebleven. Dat is aanleiding voor de navolgende beslissing.
Proceskosten
4.18.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten in zowel conventie als reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
beveelt de man om binnen vier weken na betekening van dit vonnis mee te werken aan het passeren van de akte van verdeling en de toedeling van de woning aan de [adres], [postcode], kadastraal bekend gemeente [kadaster nummer], aan de vrouw, ten overstaan van mr. [betrokkene], notaris in de gemeente [gemeente],
5.2.
bepaalt dat deze uitspraak indien de omschreven veroordeling onder 5.1 niet wordt nagekomen, op grond van art 3:300 lid 1 BWPro dezelfde kracht heeft als een door gedaagde ondertekende volmacht aan eiser om de in die veroordeling omschreven rechtshandeling te verrichten 3:300 lid 1 BW dezelfde kracht heeft als een door gedaagde ondertekende volmacht aan eiser om de in die veroordeling omschreven rechtshandeling te verrichten
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.5.
bepaalt dat de vrouw voor 50% dient bij te dragen in een na herbeoordeling in stand gebleven of herziene aanslag, dan wel nog te ontvangen aanslag van de man voor de woning in box 3 vanaf 2023 tot levering van de woning, indien de man zich in de motivering van dat verzoek om herbeoordeling conformeert aan de hiervoor onder 4.4 t/m 4.9 vermelde oordelen over de rechtsgevolgen van de verdelingsovereenkomst (die erop neerkomen dat de vrouw van meet af aan economisch eigenaar van de woning is geweest,
5.6.
bepaalt dat de vrouw de bijdrage onder 5.5. dient te voldoen binnen twee weken na dagtekening van de aangetekende brief waarmee de man de desbetreffende aanslag(en) ter kennis van de vrouw heeft gebracht,
5.7.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.8.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.