In februari 2024 sloten eisers een koopovereenkomst met gedaagde voor een woning uit circa 1970. Bij de verkoop was een vragenlijst over asbest ingevuld waarin werd aangegeven dat er geen asbesthoudende materialen aanwezig waren, maar wel asbestzeil achterbleef. Een bouwkundige keuring meldde de mogelijke aanwezigheid van asbesthoudend materiaal, waarna partijen overeenkwamen dat gedaagde het asbestzeil zou laten verwijderen.
Eisers ontdekten tijdens verbouwing asbesthoudend zeil en luiken en vorderden vergoeding van verwijderingskosten. De kantonrechter oordeelde dat er sprake was van non-conformiteit, maar dat eisers geen beroep konden doen op die non-conformiteit omdat zij bekend waren met de mogelijke aanwezigheid van asbest en zelf nader onderzoek hadden moeten doen.
De rechter wees de vorderingen af en veroordeelde eisers in de proceskosten. De aanwezigheid van asbestzeil belemmerde het normale gebruik, maar dit gebrek was kenbaar en het niet verrichten van nader onderzoek kwam voor rekening van eisers.