ECLI:NL:RBNHO:2026:1741

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
15/225610-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 45 SrArt. 317 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot afpersing met mes bij supermarkt in Heemskerk

De rechtbank Noord-Holland heeft op 23 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van poging tot diefstal met geweld en/of poging tot afpersing. De rechtbank verklaarde wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 31 juli 2025 met gezichtsbedekking een supermarkt in Heemskerk betrad, een plastic tas op de kassa gooide, een mes trok en een stekende beweging maakte richting een medewerker, daarbij eisend om geld uit de kassa.

Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend en de rechtbank achtte de bewijsvoering, waaronder het proces-verbaal en de bekentenis, overtuigend. De poging tot afpersing werd als ernstig misdrijf beoordeeld vanwege de bedreigende situatie en de impact op het slachtoffer.

De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn psychische problematiek, verslaving en instabiele leefomstandigheden, zoals beschreven in het reclasseringsrapport. Gezien de ernst van het feit en de noodzaak tot begeleiding legde de rechtbank een gevangenisstraf van 16 maanden op, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, inclusief bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en schuldhulpverlening.

De rechtbank besloot dat de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis had doorgebracht in mindering werd gebracht op de straf en sprak verdachte vrij van wat niet bewezen werd verklaard. De straf is passend geacht gezien de ernst van het feit en de persoonlijke situatie van verdachte.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 16 maanden gevangenisstraf, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/225610-25 (P)
Uitspraakdatum: 23 februari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 februari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[woonadres],
thans gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. H. van der Ploeg en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.W. Kuijpers, advocaat te Hoofddorp, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, kort samengevat, een poging tot diefstal met geweld en/of een poging tot afpersing ten laste gelegd.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als
bijlage Iaan dit vonnis gehecht.

2.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, in de zin dat sprake is van een poging tot afpersing.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdachte heeft toegegeven dat hij heeft geprobeerd om de [naam supermarkt] te overvallen. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt op grond van de inhoud van de hierna te noemen bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Aangezien de verdachte het bewezenverklaarde feit heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en door of namens hem hiervan geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opgave van deze bewijsmiddelen, namelijk:
- de bekennende verklaring van de verdachte, ter terechtzitting van 9 februari 2026 afgelegd;
- een proces-verbaal van aangifte door [naam aangever] van 31 juli 2025 (dossierpagina 57 e.v.).
Het hiervoor genoemde proces-verbaal is in de wettelijke vorm opgemaakt door een persoon die daartoe bevoegd is en voldoet ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 31 juli 2025 te Heemskerk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld, [naam aangever] te dwingen tot de afgifte van geld, dat toebehoorde aan de [naam supermarkt],
- met gezichtsbedekking de [naam supermarkt] is binnen gegaan en
- naar een kassa is gelopen en
- een plastic tas op/over de kassa heeft gegooid en daarbij heeft gezegd: ”geef me de inhoud van de kassa” of woorden van gelijke strekking en
- een mes heeft getrokken en met dat mes een stekende beweging heeft gemaakt in de richting van die [naam aangever], en
- daarbij heeft gezegd: “en snel een beetje” of woorden van gelijke strekking terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
poging tot afpersing.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Zij heeft gevorderd aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht bij een strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden. Zij heeft aangevoerd dat de verdachte waarschijnlijk op zeer korte termijn in aanmerking komt voor een woning en dat een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf ervoor zorgt dat hij daarvoor niet meer in aanmerking komt. De raadsvrouw heeft daarom verzocht om aan de verdachte en een straf op te leggen gelijk aan het voorarrest, met daarbij nog een voorwaardelijk deel en eventueel een taakstraf.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing van een medewerker van de [naam supermarkt] in Heemskerk en heeft daarbij een stekende beweging met een mes in haar richting gemaakt. De verdachte heeft een voor de aanwezigen in de winkel zeer bedreigende situatie gecreëerd. Het spreekt voor zich dat de poging tot afpersing voor de betrokken medewerker een bijzonder ingrijpende ervaring is geweest. De verdachte heeft deze gevolgen kennelijk op de koop toe genomen en heeft zich laten leiden door de gedachte aan zijn eigen financieel gewin. Strafbare feiten als deze zorgen voor gevoelens van onveiligheid in onze maatschappij. De rechtbank rekent de verdachte het bewezen verklaarde feit daarom ernstig aan.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank onder meer acht geslagen op het strafblad van de verdachte (de justitiële documentatie van 20 oktober 2025). Daaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk misdrijf. De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 5 november 2025. Dit rapport houdt onder meer het volgende in. Voorafgaand aan het voorarrest was sprake van instabiliteit op veel leefgebieden. De verdachte had geen vaste woon- of verblijfplaats, hij rookte dagelijks cocaïne en hij was niet afspraken- en medicatietrouw (antipsychotica) bij Parnassia, hetgeen resulteerde in psychoses. Daarnaast heeft de verdachte schulden, hetgeen de reclassering als risicofactor beschouwt in combinatie met de huidige verdenking van een vermogensdelict. Wel lijkt er sprake te zijn van een enigszins stabiele dagbesteding en kan zijn moeder beschouwd worden als steunende factor. Op basis van de voornoemde risicofactoren schat de reclassering het recidiverisico alsmede het risico op letsel momenteel in als gemiddeld-hoog. De reclassering acht bijzondere voorwaarden noodzakelijk om het recidiverisico te verlagen. De verdachte heeft aangegeven dat hij hieraan wil meewerken. De reclassering acht ondersteuning bij de financiën van de verdachte noodzakelijk alsmede een ambulante behandeling gericht op de psychische- en verslavingsproblematiek van de verdachte. Daarbij is de verdachte aangemeld voor een begeleid woontraject, maar de verwachting is dat er op korte termijn geen plek voor de verdachte gevonden zal worden. Al met al adviseert de reclassering om een (deels) voorwaardelijke straf aan de verdachte op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:
  • Meldplicht bij reclassering;
  • Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname);
  • Begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
  • Meewerken aan schuldhulpverlening;
  • Meewerken aan middelencontrole.
Op te leggen straf
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de
oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hierin wordt voor het plegen van een overval op een winkel een gevangenisstraf van twee jaar als uitgangspunt genomen. Het vertrekpunt bij een
pogingtot een overval is twee derde deel daarvan: zestien maanden. Daartegenover staat dat de rechtbank oog heeft voor de persoon van de verdachte. Uit de e-mail van Fivoor van 9 februari 2026 blijkt dat er op korte termijn geen zicht is op een plaatsing binnen een begeleid woontraject. Indien de verdachte op korte termijn een eigen woning zou kunnen vinden, zijn zij bereid de verdachte die kans te geven en hem in dat geval aan te melden voor ambulante behandeling en begeleiding. Indien blijkt dat zelfstandig wonen te hoog gegrepen is, kan de aanmelding voor begeleid wonen alsnog worden voortgezet. Verder is er een lopende zorgmachtiging, welke kan worden ingezet in geval van crisis. De raadsvrouw heeft onderbouwd aangevoerd dat de verdachte hoog op de wachtlijst voor een woning staat en het zeer waarschijnlijk is dat hij in de maand maart 2026 een woning toegewezen kan krijgen in een project dat dan wordt opgeleverd, mits hij op dat moment op vrije voeten is en de woning kan accepteren. De rechtbank ziet in dat een vaste woon- of verblijfplaats van groot belang is voor de verdachte en zijn omgeving, en acht het van belang deze positieve ontwikkeling niet te doorkruisen met de oplegging van een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, onder de voorwaarden die de reclassering adviseert. Gelet op het feit dat de verdachte naar alle waarschijnlijkheid zeer binnenkort over een eigen woning beschikt, zal de rechtbank de bijzondere voorwaarde “begeleid wonen of maatschappelijke opvang” niet opleggen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van zestien maanden passend en geboden is. De rechtbank bepaalt dat hiervan negen maanden vooralsnog niet ten uitvoer worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
14a, 14b, 14c, 45, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

8.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
16 (zestien) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte,
groot 9 (negen) maanden,
nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op
twee jarenbepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Stelt als bijzondere voorwaarden die gelden gedurende de proeftijd
:
-
Meldplicht bij de reclassering
De verdachte meldt zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd bij GGZ Reclassering Fivoor op het adres [adres]. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
-
Ambulante behandeling
De verdachte laat zich behandelen door Fivoor Ambulant Centrum/De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
-
Meewerken aan schuldhulpverlening
De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden en werkt mee aan begeleiding door de Materieel Juridische Dienstverlening (MJD).
-
Meewerken aan middelencontrole
De verdachte werkt mee aan controle op het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik inzichtelijk te maken. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. E.L. Hoogstraate, voorzitter,
mr. M.E. Francke en mr. H. Bakker, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.B.A.F. Burggraaf,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 februari 2026.
Bijlage I
hij op of omstreeks 31 juli 2025 te Heemskerk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld en/of goederen in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan De [naam supermarkt], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen
voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam aangever], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- met gezichtsbedekking de [naam supermarkt] is binnen gegaan en/of
- naar een kassa is gelopen en/of
- een plastic tas op/over de kassa heeft gegooid en/of (daarbij) gezegd: ”geef me de inhoud van de kassa” en/of woorden van gelijke strekking en/of
- ( vervolgens) een mes heeft getrokken en/of met dat mes een stekende beweging heeft gemaakt in de richting van die [naam aangever], althans een mes heeft getoond aan die [naam aangever] en/of
- ( daarbij) heeft gezegd: “en snel een beetje” en/of woorden van gelijke strekking
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
en/of
hij op of omstreeks 31 juli 2025 te Heemskerk, ter uitvoering van het door verdachte
voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld, [naam aangever] te dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen, in elk geval enig goed, dat die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan de [naam supermarkt], in elk geval aan een ander dan aan verdachte,
- met gezichtsbedekking de [naam supermarkt] is binnen gegaan en/of
- naar een kassa is gelopen en/of
- een plastic tas op/over de kassa heeft gegooid en/of (daarbij) gezegd: ”geef me de inhoud van de kassa” en/of woorden van gelijke strekking en/of
- ( vervolgens) een mes heeft getrokken en/of met dat mes een stekende beweging heeft gemaakt in de richting van die [naam aangever], althans een mes heeft getoond aan die [naam aangever] en/of
- ( daarbij) heeft gezegd: “en snel een beetje” en/of woorden van gelijke strekking
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.