De rechtbank Noord-Holland heeft op 5 februari 2026 een beschikking gegeven over de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige is geboren in een onveilige en instabiele thuissituatie, gekenmerkt door conflicten en middelengebruik van de ouders, gebrekkige opvoedvaardigheden en risico’s voor haar sociaal-emotionele ontwikkeling. De minderjarige verblijft sinds oktober 2025 in een pleeggezin bij haar grootmoeder.
De gecertificeerde instelling (GI) heeft verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling voor een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI onderbouwt dit met het ontbreken van verbetering in de thuissituatie en het niet slagen van eerdere hulpverleningstrajecten. De ouders tonen weinig zelfinzicht en werken niet voldoende mee aan hulpverlening.
De moeder wenst contact met de minderjarige en is bereid tot hulpverlening, terwijl de vader het probleem minder ernstig acht en zelf zijn GGZ-traject stopzette. De rechtbank oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging zijn vervuld en dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk blijft. De machtiging wordt verlengd voor zes maanden met aanhouding van het resterende deel. De ondertoezichtstelling wordt verlengd tot 14 februari 2027. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep.