Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:1740

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
C/15/373487 / JU RK 26-40
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:113 BWArt. 7 Brussel II terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens onveilige thuissituatie

De rechtbank Noord-Holland heeft op 5 februari 2026 een beschikking gegeven over de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige is geboren in een onveilige en instabiele thuissituatie, gekenmerkt door conflicten en middelengebruik van de ouders, gebrekkige opvoedvaardigheden en risico’s voor haar sociaal-emotionele ontwikkeling. De minderjarige verblijft sinds oktober 2025 in een pleeggezin bij haar grootmoeder.

De gecertificeerde instelling (GI) heeft verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling voor een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI onderbouwt dit met het ontbreken van verbetering in de thuissituatie en het niet slagen van eerdere hulpverleningstrajecten. De ouders tonen weinig zelfinzicht en werken niet voldoende mee aan hulpverlening.

De moeder wenst contact met de minderjarige en is bereid tot hulpverlening, terwijl de vader het probleem minder ernstig acht en zelf zijn GGZ-traject stopzette. De rechtbank oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging zijn vervuld en dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk blijft. De machtiging wordt verlengd voor zes maanden met aanhouding van het resterende deel. De ondertoezichtstelling wordt verlengd tot 14 februari 2027. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling tot 14 februari 2027 en de machtiging tot uithuisplaatsing tot 14 augustus 2026 wegens aanhoudende ernstige zorgen over de thuissituatie.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/373487 / JU RK 26-40
Datum uitspraak: 5 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Velserbroek,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. L.T.C.M. Geurts, kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,
hierna gezamenlijk ook te noemen: de ouders.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van 23 december 2025 met bijlagen, ontvangen op 31 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 februari 2025 de toen nog ongeboren baby [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 14 februari 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 oktober 2025 een (spoed)machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 30 oktober 2025. Bij beschikking van 15 oktober 2025 is voornoemde machtiging vervolgens verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, tot 14 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft het verzoek – samengevat – als volgt onderbouwd. [de minderjarige] groeit bij haar ouders op binnen een opvoedomgeving waarin sprake is van langdurige relationele instabiliteit, psychische kwetsbaarheid, beperkte opvoedvaardigheden en een structureel tekort aan beschermende factoren. Deze omstandigheden vormen een ernstige en voortdurende bedreiging voor haar sociaal-emotionele ontwikkeling, hechting en algehele welzijn. Een verlenging van zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing zijn noodzakelijk om de ontwikkeling van [de minderjarige] te beschermen en om de ouders de mogelijkheid te bieden om te werken aan het herstel van hun ouderlijk functioneren.
3.3.
Ter zitting heeft de GI naar voren gebracht dat er sinds [de minderjarige] bij de grootmoeder (vaderszijde) is geplaatst op 23 december 2025, veel is gebeurd. De grootmoeder kan [de minderjarige] de verzorging bieden die zij nodig heeft, maar er bestaan wel zorgen over de draagkracht en daadkracht van de grootmoeder. Met de ouders is het lastig om in contact te komen. Bij een onverwacht huisbezoek op 12 januari 2025 mocht de GI niet binnenkomen, afspraken worden door de ouders afgezegd en de ouders reageren niet meer op berichten van de GI, ook niet op de berichten om de omgang mogelijk te maken. De GI vindt het belangrijk dat de ouders hulpverlening voor zichzelf gaan zoeken. Er is nog geen perspectiefbesluit genomen door de GI, maar omdat niet gewerkt wordt aan de voorwaarden voor een thuisplaatsing, wordt op dit moment ook niet terug naar huis gewerkt. De GI heeft tegen de moeder gezegd dat zij zelf moet regelen dat zij therapie krijgt. Gezien de ontwikkelingen van de afgelopen maanden en de onveranderde problematiek van de ouders, is een uithuisplaatsing voor de duur van een jaar in het belang van [de minderjarige] .

4.De standpunten

4.1.
De moeder heeft naar voren gebracht dat zij [de minderjarige] sinds de uithuisplaatsing niet heeft gezien en dat zij graag contact met haar wil. De moeder wil het liefst met de vader in relatietherapie, zodat zij samen met [de minderjarige] een gezin kunnen vormen. Als dat niet kan, wil zij een eigen woning en hulpverlening voor zichzelf zoeken. De moeder begrijpt niet waarom de ouders [de minderjarige] niet gewoon kunnen zien. Zij vindt dat de GI daar meer moeite voor had kunnen doen. De moeder is bereid om naar de GGZ te gaan voor behandeling.
4.2.
De advocaat heeft namens de vader primair verzocht om afwijzing van het verzoek tot uithuisplaatsing en subsidiair een uithuisplaatsing voor kortere duur, om vinger aan de pols te houden. De vader wil het liefst dat [de minderjarige] nu naar huis komt. Als dat niet kan, moet er aandacht zijn voor het contact tussen de ouders en [de minderjarige] . De ouders willen meewerken aan de voorwaarden om [de minderjarige] te zien. De ouders begrijpen de zorgen en willen werken aan hun relatie om samen hun ouderschap het best vorm te geven, en daarvoor de nodige hulpverlening aangaan. De vader heeft ter zitting verteld dat hij de problematiek niet zo ernstig vindt en dat hij mensen kent bij wie het thuis veel agressiever en gevaarlijker is en nog steeds kinderen wonen. De ambulante ondersteuning is gestopt omdat het juist goed ging en de melding daarna kwam omdat de moeder hoog zat in haar hormonen. De vader vindt het onduidelijk wat de GI van de ouders verwacht en welke hulpverlening nodig is, en heeft sterke behoefte aan duidelijkheid.

5.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
Door de omstandigheid dat de vader in [land] is geboren en volgens de Basis Registratie Personen (BRP) een onbekende nationaliteit heeft, moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek van de GI. Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] zich in Nederland bevindt, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ter zake van de verzoeken. [1] Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht op de verzoeken van toepassing is. Dat is in dit geval het Nederlands recht. [2]
Inhoudelijke behandeling
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [3] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.3.
[de minderjarige] is een meisje van elf maanden oud dat nog voor haar geboorte onder toezicht is gesteld vanwege ernstige zorgen over de onveilige en instabiele thuissituatie bij de ouders als gevolg van conflicten tussen en middelengebruik van de ouders, de gebrekkige opvoedvaardigheden van de ouders en de bijbehorende risico’s voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] . Na haar geboorte is [de minderjarige] in de thuissituatie blootgesteld aan spanningen en geweldsincidenten tussen de ouders en is zij vanwege deze onveiligheid op 2 oktober 2025 met spoed uit huis geplaatst.
5.4.
Sindsdien is het niet gelukt de zorgen te doen afnemen. Op 20 november 2025 is de moeder met [de minderjarige] gestart met een gezinsopname bij Zorg Anders, waarbij de bedoeling was dat de vader zich later ook bij het traject zou voegen. Gedurende de plaatsing lukte het de moeder niet om zich aan de veiligheidsafspraken te houden en de adviezen op te volgen. Er hebben meerdere incidenten plaatsgevonden, onder andere een incident waarbij de ouders samen met [de minderjarige] tegen de afspraken in afwezig zijn geweest van de groep. De vader is gedurende de gezinsopname meerdere keren positief getest op THC, waardoor maar één begeleid contactmoment heeft plaatsgevonden tussen de vader en [de minderjarige] tijdens de gezinsopname bij Zorg Anders. Vanwege de toenemende incidenten en onveiligheid is de gezinsopname vroegtijdig beëindigd.
5.5.
De afgelopen maanden verloopt het contact tussen de GI en de ouders moeizaam. Het lukt de ouders niet om met de GI samen te werken en hulpverlening aan te gaan, onder andere op het gebied van omgang en persoonlijke hulpverlening. De GI heeft aangegeven dat zij voor persoonlijke hulpverlening voor de ouders een doorverwijzing van de huisarts naar de GGZ aangewezen acht. De moeder heeft ter zitting aangegeven open te staan voor hulpverlening, maar heeft hiervoor geen actie ondernomen. De vader stelt zich op het standpunt dat de zorgen niet zo ernstig zijn en dat hem geen hulp wordt geboden vanuit de GI. Hij heeft zelf zijn traject bij de GGZ in november 2025 stopgezet, omdat hij niet wil dat de GI op de hoogte raakt van de inhoud van de gesprekken.
5.6.
Kortom, de zorgen zoals beschreven in de beschikkingen van 14 februari 2025 en 15 oktober 2025 zijn onverminderd aanwezig en de inzet van hulpverlening als Intensieve Ambulante Gezinsbegeleiding (IAG) en een gezinsopname hebben niet tot verbetering van de situatie geleid. De GI heeft veel moeten doen en veel geduld moeten hebben om de ouders cq. de moeder te bewegen tot een gezinsopname. Deze is snel gestrand, terwijl een gezinsopname noodzakelijk wordt geacht. De ouders uiten kritiek op de inzet van de GI en geven geen blijk van inzicht in de ernst van de problematiek en motivatie om daaraan te werken. De kinderrechter acht dit zeer zorgelijk en is van oordeel dat de ondertoezichtstelling daarom nog steeds nodig is. Gezien de ernstige zorgen en de kwetsbaarheid van [de minderjarige] , verlengt kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de verzochte duur van een jaar.
5.7.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [4]
5.8.
De kinderrechter is van oordeel dat, gezien de bovengenoemde zorgen, het op dit moment niet mogelijk is voor [de minderjarige] om bij de ouders te wonen. Vooralsnog is het op geen enkele manier gelukt om te werken aan de problematiek van de ouders, en het is zeer de vraag of het de ouders gaat lukken om hier op korte termijn verandering in te brengen. De grootmoeder kan [de minderjarige] de nodige rust en structuur in de verzorging en opvoeding bieden, en [de minderjarige] zoekt nabijheid en veiligheid bij de grootmoeder, aldus de GI. Wel bestaan er zorgen over de draagkracht en huisvesting van de grootmoeder, en de weerbaarheid van de grootmoeder ten aanzien van de ouders. Het is van belang dat zo snel mogelijk ruim zicht komt op de thuissituatie bij en de opvoedvaardigheden van de grootmoeder. De GI heeft aangegeven dat iHub binnenkort zal starten met de pleegzorgscreening van de grootmoeder.
5.9.
Gezien de jonge leeftijd van [de minderjarige] en de onduidelijkheid over haar perspectief, de huidige instelling van de ouders en de behoefte van de ouders aan duidelijkheid, ziet de kinderrechter aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing voor kortere duur toe te wijzen. De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] daarom voor de duur van zes maanden, te weten tot 14 augustus 2026, met aanhouding van de beslissing over de overige zes maanden.
5.10.
De beslissing tot ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [5]
5.11.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 14 februari 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 14 augustus 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt de behandeling van het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting
eind juli 2026, tegen welke zitting de moeder, de vader, mr. L.T.C.M. Geurts en de GI dienen te worden opgeroepen;
6.5.
bepaalt dat de GI de kinderrechter en alle belanghebbenden uiterlijk twee weken voor de zitting schriftelijke dient te informeren over de actuele stand van zaken en haar standpunt ten aanzien van het resterende deel van het verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Maat, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en vastgesteld en ondertekend op 18 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 10:113 BW Pro jo. artikel 7 Brussel Pro II ter.
2.Artikel 15 Haags Pro Kinderbeschermingsverdrag 1996
3.Artikel 1:260 BW Pro.
4.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
5.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.