ECLI:NL:RBNHO:2026:1701

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
HAA 26/164
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 125 GemeentewetArt. 5:21 AwbArt. 2:80 Apv Stede BroecArt. 174 GemeentewetArt. 51 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting kapperszaak wegens faciliteren strafbare activiteiten

De burgemeester van Stede Broec legde op 7 januari 2026 een last onder bestuursdwang op tot sluiting van een pand met een kapperszaak voor drie maanden wegens het aantreffen van 102 lege lachgascilinders en explosies bij het pand, wat duidt op faciliteren van strafbare gedragingen. Verzoeker, eigenaar en gebruiker van de kapperszaak, maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang voldoende was aangetoond vanwege de directe financiële en bedrijfsmatige gevolgen voor verzoeker. De burgemeester was bevoegd op grond van artikel 2:80 van Pro de Apv om het pand te sluiten in het belang van de openbare orde, mede gelet op de strafbaarheid van lachgas sinds 2023 en eerdere meldingen over drugshandel.

De voorzieningenrechter vond dat de burgemeester de sluiting terecht als geschikt, noodzakelijk en evenwichtig had beoordeeld. De ernst van de situatie, de aard van de strafbare gedragingen en de impact op de openbare orde rechtvaardigden de maatregel. De financiële gevolgen voor verzoeker en zijn gezin wogen niet zwaarder dan het algemene belang. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen en het besluit tot sluiting bleef van kracht.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van het pand wordt afgewezen en het besluit tot sluiting blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/164

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker

(gemachtigde: mr. F.M.H. van Mullekom),
en

de Burgemeester van de gemeente Stede Broec, de burgemeester

(gemachtigden: mr. A. Nolten en mr. J.A.A. van Gaalen).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats 2]

(gemachtigde: mr. W.J.M. Loomans).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het opleggen van een last onder bestuursdwang aan verzoeker. Die houdt in dat het pand gelegen op het adres [adres] in [plaats 1] (het pand) met ingang van 14 januari 2026, voor een periode van drie maanden, tot en met 13 april 2026 wordt gesloten. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 7 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester op grond van artikel 125 van Pro de Gemeentewet in samenhang gelezen met artikel 5:21 en Pro volgende van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 2:80, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Stede Broec 2019 (hierna: Apv) voornoemde last onder bestuursdwang aan verzoeker opgelegd.
2.1. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.
2.2.
Bij beslissing van 28 januari 2026 heeft de rechtbank bepaald dat beperking van de kennisneming van de niet-geanonimiseerde versie van een door de burgemeester overgelegd stuk (aangeduid als een e-mail van een bewoner) gerechtvaardigd is.
2.3.
De burgemeester heeft de griffie van de rechtbank schriftelijk laten weten dat de sluiting van het pand wordt opgeschort in afwachting van de uitspraak van de voorzieningenrechter. De burgemeester heeft ook een daartoe strekkend wijzigingsbesluit genomen inhoudende dat de ingangsdatum van de sluiting nader is bepaald op drie dagen na de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening met procedurenummer HAA 26/164 of drie dagen na intrekking van dit verzoek.
2.4.
De burgemeester heeft op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 5 februari 2026 op zitting behandeld gezamenlijk met het verzoek om een voorlopige voorziening geregistreerd onder zaaknummer HAA 26/661. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigden van de burgemeester, de derde-partij en de gemachtigde van de derde-partij.

Overwegingen

3. Verzoeker is de eigenaar van de in het pand gevestigde kapperszaak en maakt met zijn onderneming gebruik van het pand. Hij huurt de ruimte van de derde-partij, die eigenaar is van het pand. Op 18 december 2025 heeft de politie een melding gekregen dat er brandbommen waren gegooid naar de kapsalon in het pand. Als gevolg hiervan zijn twee ontploffingen waargenomen en is er een brand ontstaan bij de voordeur van het pand. Deze brand is geblust door omstanders. Vanwege de brand is de brandweer ter plaatse gekomen en zij hebben het pand betreden. Hierbij waarschuwden zij de aanwezige politie dat er achter in de kapsalon (lachgas)cilinders lagen. Er zijn 102 cilinders aangetroffen in het pand. De burgemeester heeft op 22 december 2025 van de politie hierover een bestuurlijke rapportage ontvangen.
4. In het op schrift gestelde besluit heeft de burgemeester – kort samengevat – gemotiveerd waarom gekozen is voor sluiting van het pand en dit toegelicht in het verweerschrift. De aanwezigheid van 102 (lege) lachgascilinders duidt naar het oordeel van de burgemeester op het faciliteren van strafbare gedragingen en/of criminele activiteiten in of vanuit het pand. Handelingen met betrekking tot lachgas (distikstofmonoxide) zijn strafbaar op grond van de Opiumwet. Sinds 1 januari 2023 is lachgas opgenomen op lijst II van de Opiumwet, waardoor het voorhanden hebben, vervoer, verkoop en productie ervan strafbaar is. De burgemeester heeft daarbij – hoewel deze omstandigheden op zichzelf niet de grondslag voor de sluiting vormen – betrokken dat in de periode 2021 tot en met heden enkele anonieme meldingen over de handel van drugs vanuit het pand zijn gedaan, de explosie bij het pand op 18 december 2025 en een explosie bij een horecagelegenheid van de familie van verzoeker in de nacht van 18 op 19 december 2025. Deze omstandigheden tezamen maken het volgens de burgemeester aannemelijk dat in of vanuit het pand strafbare gedragingen worden gepleegd dan wel gefaciliteerd. De burgemeester acht de sluiting geschikt, noodzakelijk en evenwichtig.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waarover moet de voorzieningenrechter beslissen?

5. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter over het verzoek om schorsing van het bestreden besluit. Zij beoordeelt daarbij of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Om dit te beoordelen beantwoordt zij aan de hand van de argumenten die verzoeker heeft aangevoerd, de zogenoemde gronden, of de burgemeester gelet op de bevindingen, bevoegd is om tot sluiting van het pand over te gaan. Zo ja, dan beoordeelt zij vervolgens of de sluiting van het pand noodzakelijk is en of de sluiting van het bedrijfspand evenwichtig is.
Is er sprake van spoedeisend belang?
6. Verzoeker heeft ter onderbouwing hiervan onder meer gewezen op de omstandigheid dat hij zijn kapsalon in het pand heeft en dat hij zelf ook als kapper in de zaak werkt en de enige kostwinner is in zijn gezin, dat bestaat uit zijn vrouw en vier jonge kinderen. De gevolgen zijn op korte en op lange termijn groot. Hij heeft toegelicht dat hij drie maanden aan inkomsten (in totaal € 9.000,-) misloopt, terwijl de kosten van het bedrijf, te weten grofweg ongeveer € 1.700,- per maand aan huur, ongeveer € 4.000,- loonkosten per maand en ongeveer € 180,- per maand aan nutsvoorzieningen, in totaal € 18.000,- voor drie maanden, doorlopen. Hij beschikt niet over de financiële middelen om dit op te vangen. De sluiting zou voor hem een financiële strop betekenen. Los hiervan zou de sluiting van zijn kapperszaak voor de duur van drie maanden betekenen dat hij een aanzienlijk deel van zijn kappersbestand zou verliezen waardoor op de langere termijn het voortbestaan van zijn bedrijf ernstig in gevaar komt.
6.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang bij het onderhavige verzoek genoegzaam is aangetoond. Het sluiten van het pand voor de duur van drie maanden heeft immers directe gevolgen voor de onderneming die verzoeker vanuit het pand drijft en daarmee naar verwachting ook (ernstige) financiële gevolgen voor verzoeker. Daarom gaat de voorzieningenrechter over tot het geven van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over het bestreden besluit.
Was de burgemeester bevoegd tot sluiting van het pand?
7. De voorzieningenrechter dient allereerst vast te stellen of sprake is van een overtreding op grond waarvan de burgemeester bevoegd is ter zake handhavend op te treden en een last onder bestuursdwang op te leggen. Bij de beantwoording van deze vraag zijn de regels van belang die in de bijlage bij deze uitspraak zijn opgenomen.
8. Verzoeker stelt dat de bevoegdheid tot sluiting ontbreekt. Dit vanwege het feit dat er geen strafbare gedragingen en/of criminele activiteiten in of vanuit het pand hebben plaatsgevonden. Verzoeker wijst erop dat het voorhanden hebben van lege lachgascilinders geen strafbaar feit is. De lege lachgascilinders zijn bovendien niet van hem. Het ontbreekt verder geheel aan concrete feiten en omstandigheden waaruit afgeleid zou kunnen worden dat in of vanuit dit pand enige strafbare gedragingen met betrekking tot lachgas hebben plaatsgevonden. De stelling van de burgemeester dat er reeds handelingen hebben plaatsgevonden met betrekking tot het lachgas dat op enig moment in de cilinders heeft gezeten en dat ‘het pand’ daarbij betrokken moet zijn geweest berust slechts op aannames, aldus verzoeker. Ook ‘enkele anonieme meldingen’ kunnen volgens verzoeker geen grond vormen voor het sluiten van het pand, noch kunnen zij daarbij als omstandigheid worden betrokken, nu geheel onduidelijk is om wat voor meldingen het gaat, wie deze heeft gedaan maar meer nog omdat zij in het geheel niet worden ondersteund door enige concrete onderzoeksbevinding.
9. In artikel 125 van Pro de Gemeentewet staat dat de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door de burgemeester, indien de last dient tot handhaving van regels die hij uitvoert. In de gemeente Stede Broec geldt de Apv. In artikel 2:80 van Pro de Apv staat dat de burgemeester een voor het publiek openstaand gebouw als bedoeld in artikel 174 van Pro de Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij behorende erven in bepaald gebied, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk kan sluiten. In de Beleidsregels sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen Stede Broec (hierna: de beleidsregel) is verwoord dat van een gevaar voor de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid sprake is bij (…) het faciliteren van strafbare en/of criminele activiteiten.
10. In deze zaak heeft de burgemeester van zijn in artikel 2:80 van Pro de Apv neergelegde bevoegdheid gebruik gemaakt. Vast staat dat in het pand 102 lege lachgascilinders zijn aangetroffen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanwezigheid van 102 lege lachgascilinders duidt op het faciliteren van strafbare gedragingen en/of criminele activiteiten in of vanuit het pand, zodat sluiting van het pand was gerechtvaardigd. Daarbij heeft de burgemeester kunnen betrekken dat handelingen met betrekking tot lachgas strafbaar zijn op grond van de Opiumwet. Sinds 1 januari 2023 is lachgas opgenomen op lijst II van de Opiumwet, waardoor het voorhanden hebben, vervoer, de verkoop en de productie ervan strafbaar is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester zich op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheid dat de cilinders leeg waren, niet maakt dat er geen sprake is (geweest) van het plegen of faciliteren van strafbare gedragingen. Er moeten immers handelingen hebben plaatsgevonden met betrekking tot het lachgas dat zich in deze cilinders bevond, welke handelingen strafbaar zijn op grond van de Opiumwet. De voorzieningenrechter ziet verder geen aanleiding voor de conclusie dat de burgemeester het ten onrechte niet aannemelijk acht dat de cilinders door derden bij het pand zijn gedumpt, zoals verzoeker heeft verklaard. Daarbij is van belang dat het gaat om een zeer groot aantal en door verzoeker niet inzichtelijk is gemaakt op welk moment, over welke periode en onder welke omstandigheden deze zouden zijn achtergelaten. Verzoeker heeft tot op heden, ook ter zitting, geen inzicht gegeven in voornoemde omstandigheden. Daarbij is ook van belang dat de gestelde omstandigheid dat de lachgascilinders volgens verzoeker niet zijn eigendom zijn voor de bevoegdheid tot sluiting niet relevant is, omdat artikel 2:80 van Pro de Apv ziet op gedragingen die in of vanuit het pand plaatsvinden of worden gefaciliteerd en verzoeker als gebruiker verantwoordelijk is voor hetgeen zich daarin afspeelt. Voor toepassing van artikel 2:80 van Pro de Apv geldt geen strafrechtelijke bewijsmaatstaf. Dat verzoeker niet als verdachte is aangemerkt, maakt niet dat bestuursrechtelijk op grond van artikel 2:80 van Pro de Apv geen bevoegdheid bestaat tot oplegging van een last onder bestuursdwang, omdat de openbare orde immers ook in het gedrang kan komen zonder dat sprake is van een (bewezen) strafbaar feit, onder meer als strafbare gedragingen worden gefaciliteerd. De burgemeester heeft bij zijn besluit ook betrokken dat in de periode 2021 tot en met heden enkele anonieme meldingen over de handel van drugs vanuit het pand zijn gedaan, de explosie bij het pand op 18 december 2025 en een explosie bij een horecagelegenheid van de familie van verzoeker in de nacht van 18 op 19 december 2025. Verzoeker heeft de omstandigheden op zich niet betwist. Dat, zoals ook verzoeker heeft verklaard, zijn broer vermoedelijk doelwit was van de explosie, maakt niet dat deze omstandigheid niet kan worden betrokken, omdat sprake is van een op het pand gerichte maatregel.
10. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester, gelet op alle in het besluit genoemde omstandigheden, in redelijkheid tot sluiting over kunnen gaan in het belang van de openbare orde en was hij daartoe ook bevoegd.
Mocht de burgemeester van zijn bevoegdheid gebruik maken?
Geschiktheid
12. Verzoeker heeft aangevoerd dat nergens uit blijkt dat sprake was van het gebruik van het pand als locatie waar strafbare gedragingen plaatsvinden of worden gefaciliteerd of van een ‘loop’ naar het pand.
12.1.
De burgemeester heeft opgemerkt dat het aantreffen van 102 lege lachgascilinders wijst op het plegen van strafbare gedragingen. De conclusie dat in dit geval sprake is van strafbare gedragingen die in of vanuit het pand worden gepleegd dan wel gefaciliteerd, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en veiligheid, wordt volgens de burgemeester ondersteund door het feit dat zich bij het pand een explosie heeft voorgedaan, er de afgelopen jaren anonieme meldingen zijn geweest over drugshandel in, dan wel vanuit het pand, het feit dat er op dezelfde dag een explosie heeft plaatsgevonden bij een horecagelegenheid van verzoekers familie en een signaal dat hij heeft ontvangen uit de buurt waaruit duidelijk blijkt dat men zich onveilig voelt naar aanleiding van de explosie op 18 december 2025. Door het pand tijdelijk te sluiten wordt een einde gemaakt aan het gebruik van het pand als locatie waar strafbare gedragingen plaatsvinden of worden gefaciliteerd. De sluiting draagt daarmee bij aan het herstel en de bescherming van de openbare orde en veiligheid in de directe omgeving van het pand en de sluiting is tevens een geschikt middel om de loop naar een gebouw voor (bedoelde) criminele activiteiten – en het faciliteren daarvan – te doorbreken. Andere maatregelen, zoals het geven van een waarschuwing of het instellen van cameratoezicht, zijn ontoereikend om de hiervoor genoemde doelen te realiseren, aldus de burgemeester.
12.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de sluiting een geschikt middel is om het doel dat de burgemeester voor ogen heeft, namelijk het herstel en bescherming van de openbare orde en veiligheid en het weren en terugdringen van (georganiseerde) criminaliteit in en vanuit voor publiek openstaande gebouwen en het doorbreken van de loop naar een gebouw voor deze activiteiten en het faciliteren daarvan, te bereiken. In het besluit staat dat uit een melding uit 2021 blijkt dat vanuit het pand drugs zouden worden gedeald en in het verweerschrift staat dat het pand bekend staat als locatie voor criminele activiteiten, wat blijkt uit Meld Misdaad Anoniem-meldingen. Wat verzoeker heeft aangevoerd, maakt gelet hierop en gelet op hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 10 is overwogen, naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat een sluiting geen geschikt middel is.
Noodzaak
13. Verzoeker voert aan dat de sluiting van drie maanden geen proportionele en subsidiaire maatregel is. Het betreft namelijk de eerste keer dat zich ongeregeldheden bij het pand hebben voorgedaan (waarmee wordt gedoeld op de brandbommen die naar het pand zijn gegooid). Daarnaast staat lachgas op lijst II van de Opiumwet en is qua ernst vergelijkbaar met hennep. Dit maakt de noodzaak minder groot dan als sprake zou van harddrugs. Er kan volgens verzoeker worden volstaan met een waarschuwing of cameratoezicht.
13.1.
De burgemeester heeft toegelicht dat hij gezien de ernst en omvang van de situatie heeft beoordeeld of de sluiting nodig is of dat een lichter middel, zoals een waarschuwing, volstaat. Hij stelt zich op het standpunt dat de door verzoeker genoemde omstandigheid van een ‘eerste keer’ het bredere beeld miskent. Bij zijn beoordeling van de noodzaak tot sluiting heeft de burgemeester alle omstandigheden van het geval betrokken. Doordat in of vanuit het pand strafbare gedragingen en/of criminele activiteiten worden gepleegd of gefaciliteerd, het pand bekendstaat als een locatie waar criminele activiteiten plaatsvinden dan wel worden gefaciliteerd, in samenhang met het aantreffen van 102 lachgascilinders, de explosie bij het pand en de aanslag op het restaurant van familie van verzoeker, ontstaat volgens de burgemeester een duidelijk beeld van structurele misstanden. De burgemeester heeft hierbij betrokken dat het pand kennelijk bekendstaat als een locatie waar criminele activiteiten plaatsvinden dan wel worden gefaciliteerd, of als ontmoetingsplek voor dergelijke activiteiten. De beleidsregel benoemt deze omstandigheid als één van de risico-indicatoren waardoor kan worden gesteld dat er sprake is van een voldoende ernstige situatie om over te gaan tot sluiting. Dit beeld wordt bevestigd door meerdere Meld Misdaad Anoniem-meldingen. Uit een melding uit 2021 blijkt dat vanuit het pand drugs zouden worden gedeald en in 2024 is een melding ontvangen waarin wordt gemeld over onverklaarbare en mogelijk ondermijnende activiteiten in het pand. De melder geeft daarbij aan dat het pand overdag door veel verschillende personen wordt bezocht, waarbij zowel via de voor- als de achterzijde van het pand in en uit worden bezocht en het pand in de nachtelijke uren regelmatig wordt bezocht door diverse personen. De melder vermoedt dat deze activiteiten drugsgerelateerd zijn. Alleen sluiting kan de openbare orde herstellen. Een waarschuwing of dwangsom biedt onvoldoende zekerheid. Dat lachgas als softdrug geldt, maakt de noodzaak niet minder groot. Doorslaggevend is dat de feiten een ernstig gevaar opleveren voor de openbare orde en veiligheid, aldus de burgemeester.
13.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat de sluiting van het pand noodzakelijk is. Dat het de eerste keer is dat er brandbommen naar het pand zijn gegooid, is, in het licht van wat de burgemeester heeft overwogen, geen bijzondere omstandigheid die maakt dat de burgemeester van sluiting moest afzien omdat de noodzaak tot sluiting ontbrak. Ook is de voorzieningenrechter van oordeel dat de omstandigheid dat het om een softdrug gaat, de noodzaak niet minder groot maakt.
Evenwichtigheid
14. Verzoeker voert aan dat een sluiting niet evenwichtig is. Verzoeker stelt dat de voor hem nadelige gevolgen van de sluiting zwaarder zouden moeten wegen dan het algemene belang dat met sluiting wordt gediend. Ook in dit verband heeft verzoeker aangevoerd dat de kapperszaak de enige inkomstenbron is voor verzoeker en zijn gezin met vier jonge kinderen en sluiting betekent een grote inkomstenderving. Naast deze (financiële) gevolgen op korte termijn, zou een sluiting voor drie maanden betekenen dat hij een aanzienlijk deel van zijn klantenbestand zal verliezen waardoor op langere termijn het voortbestaan van zijn bedrijf ernstig in gevaar komt. Tot slot zal een sluiting naar de buitenwereld toe de indruk wekken dat hij schuld heeft aan hetgeen gebeurd is, dan wel aan enig strafbaar feit. Dit zou in sociale zin (binnen de gemeenschap) zwaar op hem en zijn gezin drukken.
14.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester voldoende en navolgbaar heeft gemotiveerd dat en waarom het belang van de bescherming van de openbare orde en veiligheid zwaarder weegt dan de financiële belangen van verzoeker en de mogelijke aantasting van zijn goede naam. Op bladzijde 7 en 8 van het bestreden besluit heeft de burgemeester een uitgebreide toelichting gegeven bij de beoordeling van de evenwichtigheid van de sluiting en de belangenafweging. De burgemeester heeft de mogelijke gevolgen die de sluiting van het pand voor verzoeker heeft en de onmiskenbaar ingrijpende financiële gevolgen en bedrijfsmatige consequenties (zowel op korte als lange termijn) uitdrukkelijk bij de belangenafweging betrokken. De burgemeester heeft toegelicht dat het plegen of faciliteren van strafbare gedragingen alsmede ernstige geweldsincidenten zoals een explosie bij het pand, een zwaarwegend gevaar opleveren voor de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de directe omgeving aantasten. De burgemeester wijst erop dat hij een signaal uit de buurt heeft ontvangen waaruit naar voren komt dat omwonenden en andere ondernemers zich zorgen maken over de veiligheid in de omgeving naar aanleiding van de explosie op 18 december 2025. De door de burgemeester genoemde en gewogen belangen en omstandigheden maken naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat de sluiting evenredig is en dat de duur van de sluiting niet onredelijk is met het oog op de beoogde doelen van de sluiting. De burgemeester heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht meegewogen dat van verzoeker kan worden verwacht dat hij, indien hij zijn bedrijfsactiviteiten wenst voort te zetten, voor de duur van de sluiting onderzoekt of hij gebruik kan maken van een alternatieve bedrijfsruimte hiervoor. In dit kader heeft verzoeker zijn stelling dat de sluiting leidt tot onoverkomelijke (financiële) consequenties, onvoldoende onderbouwd. Eventuele beeldvorming naar de omgeving is hierbij, hoe vervelend ook, niet doorslaggevend.

Conclusie en gevolgen

15. Al het hiervoor vermelde leidt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat het bezwaar van verzoeker gelet op het bovenstaande geen redelijke kans van slagen heeft. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat geen aanleiding.
16. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het besluit tot de sluiting van het pand niet geschorst wordt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Boomsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage.

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:1
1. In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
2. Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.
3. Overtredingen kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. Artikel 51, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5:2
1. In deze wet wordt verstaan onder: […]
herstelsanctie: een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van de overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding;
[…].
Artikel 5:21
Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Artikel 5:24
De last onder bestuursdwang omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.
De last onder bestuursdwang vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.
[…].
Gemeentewet
Artikel 125
Het gemeentebestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang. […]
De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door de burgemeester, indien de last dient tot handhaving van regels welke hij uitvoert.
Algemene plaatselijke verordening Stede Broec 2019
Artikel 2:80
1. De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van Pro de Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij behorende erven in bepaald gebied, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten.
Beleidsregels sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen Stede Broec
[…]
Criminaliteit die openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid aantastDe onderstaande lijst met (strafbare) gedragingen worden aangemerkt als een gevaar voor de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid, wanneer zij in of vanuit een voor het publiek toegankelijk gebouw plaatsvinden:[…]
• Het faciliteren van strafbare en/of criminele activiteiten[…]
Object gebonden werkingMet de sluiting van een voor het publiek toegankelijk gebouw of een bij dat gebouw behorend erf, als bedoeld in artikel 174, van de Gemeentewet, is er sprake van een maatregel welke ziet op het object.[…]