ECLI:NL:RBNHO:2026:1671

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
11881279 \ CV FORM 25-6111
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 5 lid 3 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 20 lid 2 Verordening (EG) nr. 861/2007
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Passagiers krijgen compensatie voor geannuleerde vlucht wegens geen buitengewone omstandigheden

De passagiers hebben compensatie gevorderd van de vervoerder EasyJet Europe Airline GmbH wegens annulering van vlucht EJU8683 van Amsterdam naar Londen op 14 september 2023. De vervoerder stelde dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk een capaciteitsbeperking die de uitvoering van een latere vlucht zou belemmeren en de nachtsluiting van Schiphol zou schenden.

De kantonrechter oordeelde dat de vervoerder onvoldoende concreet had onderbouwd dat de vlucht niet alsnog uitgevoerd kon worden. De vertraging zou alleen de latere vlucht raken, wat interne operationele keuzes betreft en geen buitengewone omstandigheden oplevert. Hierdoor was de vervoerder gehouden tot compensatie.

De passagiers werden veroordeeld tot een bedrag van €750 per persoon, vermeerderd met wettelijke rente, en daarnaast werden buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten toegewezen. De vervoerder werd veroordeeld tot betaling van in totaal €862,50 plus rente en kosten. Er is geen hoger beroep mogelijk tegen deze beschikking.

Uitkomst: De vervoerder wordt veroordeeld tot betaling van compensatie, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten aan de passagiers wegens onterecht geannuleerde vlucht.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11881279 \ CV FORM 25-6111
Uitspraakdatum: 18 februari 2026
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

1.[eiser 1]

2. [eiser 2]

3. [eiser 3]

allen wonende te [plaats]
verzoekende partijen
verder te noemen: de passagiers
gemachtigde: ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
EasyJet Europe Airline GmbH
gevestigd te Wenen, Oostenrijk
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. B. Koolhaas (BK Legal)
De zaak in het kortDe passagiers hebben compensatie van de vervoerder verzocht voor een geannuleerde vlucht. De vervoerder voert aan dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden; de vertraging van de vlucht in kwestie dreigde door te werken op een latere vlucht, waardoor de latere vlucht de nachtsluiting van Schiphol dreigde te schenden. Dit levert echter geen buitengewone omstandigheid voor de vlucht in kwestie op. Het verweer slaagt niet en het verzoek wordt toegewezen.

1.Het procesverloop

1.1.
Dit verloop blijkt uit:
  • het vorderingsformulier (formulier A);
  • het verweerschrift

2.De feiten

2.1.
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 14 september 2023 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Londen, Verenigd Koninkrijk, met vlucht EJU8683 (hierna: de vlucht).
2.2.
De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.
2.3.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder verzocht.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3.Het geschil

3.1.
De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
- € 750,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 september 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 112,50 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten.
3.2.
De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,- per persoon. [1]
3.3.
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden. [2]

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
4.2.
Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een omstandigheid buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij daar ook geen invloed op kon uitoefenen. [3]
4.3.
De vervoerder stelt dat de vlucht in kwestie (Amsterdam – Londen) door een capaciteitsbeperking zodanig vertraagd uitgevoerd dreigde te worden, dat het niet langer mogelijk zou zijn om de daarop volgende vlucht (Londen – Amsterdam) uit te voeren zonder de nachtsluiting van Schiphol te schenden. Daarop heeft hij zowel de vlucht in kwestie als de daarop volgende vlucht geannuleerd.
4.4.
Dit verweer slaagt niet. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat het niet mogelijk was om de vlucht in kwestie alsnog, hetzij vertraagd, uit te voeren. De daarop volgende vlucht van Londen naar Amsterdam zou namelijk het nachtregime schenden en niet de vlucht in kwestie. De stelling dat het toestel nog moest terugkeren naar Amsterdam omdat het gepland stond om de dag erna weer andere vluchten uit te voeren, maakt dit niet anders. Dit zijn namelijk interne, operationele gronden. Wellicht heeft de vervoerder daarbij keuzes gemaakt die vanuit het oogpunt van zijn onderneming het meest gunstig waren, maar dit ontslaat hem niet van zijn verplichting om gedupeerde passagiers te compenseren. Daarom kon de vervoerder zelf invloed uitoefenen op de annulering en was deze niet het gevolg van buitengewone omstandigheden.
4.5.
Het verzoek van de passagiers zal worden toegewezen. De verzochte wettelijke rente over de hoofdsom is als anderszins onweersproken eveneens toewijsbaar.
4.6.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten verzocht. De vervoerder heeft dit verzoek betwist. Omdat het onderhavige verzoek geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en dat hiervoor door de passagiers kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II, omdat de tarieven neergelegd in voornoemd Besluit worden geacht redelijk te zijn. Omdat het verzochte bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de verzochte buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.
4.7.
De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder omdat deze ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.
4.8.
Op verzoek van de passagiers zal een certificaat aan deze beschikking worden gehecht. [4]

5.De beslissingDe kantonrechter:

5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 862,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 750,00 vanaf 14 september 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op € 226,00 aan griffierecht en € 144,00 aan salaris gemachtigde,
en veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 72,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.W. Koenis, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open

Voetnoten

1.Artikel 7 van Pro de Verordening.
2.Artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening.
3.Zie onder meer HvJEU 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:771.
4.Zoals bedoeld in artikel 20 lid 2 van Pro de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2421 van 16 december 2015.