ECLI:NL:RBNHO:2026:1669

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
11958728 \ CV EXPL 25-7547
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 6:267 lid 1 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling voorschot wegens niet-uitvoering schilderwerkzaamheden binnen afgesproken termijn

Partijen zijn overeengekomen dat de gedaagde schilderwerkzaamheden zou verrichten aan het château van eiser in Frankrijk voor een bedrag van €6.570,00, waarvan een voorschot van €3.285,00 is betaald. De werkzaamheden zijn echter niet uitgevoerd binnen de afgesproken termijn, namelijk vóór de herfst van 2025.

Eiser heeft de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden per brief van 25 september 2025, nadat gedaagde niet aan zijn verplichtingen had voldaan en ook niet bereid was de werkzaamheden alsnog uit te voeren. Gedaagde voerde aan dat privéomstandigheden hem verhinderden de werkzaamheden tijdig uit te voeren en dat hij al kosten had gemaakt.

De kantonrechter oordeelt dat de afspraken duidelijk waren en dat gedaagde tekort is geschoten in zijn verplichtingen. Omdat de termijn is verstreken en gedaagde niet meer bereid is te schilderen, mocht eiser de overeenkomst ontbinden. De vordering tot terugbetaling van het voorschot wordt toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente. De gevorderde handelsrente en incassokosten worden afgewezen. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot terugbetaling van het voorschot met wettelijke rente en betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11958728 \ CV EXPL 25-7547
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
[eiser]
te [plaats 1]
eisende partij
hierna te noemen: [eiser]
gemachtigde: mr. S.J.B. Drijber
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam [bedrijf] ,
te [plaats 2]
gedaagde partij
hierna te noemen: [gedaagde]
procederend in persoon
De zaak in het kortPartijen hebben afgesproken dat [gedaagde] schilderwerkzaamheden zou verrichten voor [eiser] . Daarvoor heeft [eiser] een voorschot betaald aan [gedaagde] . [eiser] vordert terugbetaling van dit voorschot omdat [gedaagde] de werkzaamheden niet (tijdig) heeft uitgevoerd. Het betoog van [eiser] slaagt en de vordering wordt toegewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,
- het mondeling antwoord met producties,
- het tussenvonnis van 26 november 2025,
- de mondelinge behandeling van 22 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn in 2025 overeengekomen dat [gedaagde] schilderwerkzaamheden aan het château van [eiser] in Frankrijk zou verrichten, voor een bedrag van € 6.570,00.
2.2.
[eiser] heeft een voorschot van € 3.285,00 aan [gedaagde] betaald.
2.3.
De schilderwerkzaamheden zijn niet uitgevoerd.
2.4.
Op 25 september 2025 heeft de advocaat van [eiser] een ontbindingsverklaring aan [gedaagde] verstuurd en hem daarin gesommeerd om het voorschot terug te betalen.
2.5.
[gedaagde] heeft niet terugbetaald.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 3.285,00, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[eiser] stelt dat hij met [gedaagde] heeft afgesproken dat de werkzaamheden voor het eind van de zomer van 2025 zouden plaatsvinden. Vanwege het weer is het namelijk niet mogelijk om daarna te schilderen en het was voor hem belangrijk dat het nog dat jaar zou gebeuren. [gedaagde] heeft de werkzaamheden echter niet uitgevoerd. [gedaagde] heeft voorgesteld om de werkzaamheden in het voorjaar van 2026 uit te voeren. Dit heeft [eiser] niet geaccepteerd en hij heeft de overeenkomst met de verklaring van 25 september 2025 buitengerechtelijk ontbonden. Volgens [eiser] moet [gedaagde] hem daarom het voorschot terugbetalen.
4.2.
[gedaagde] betwist dit. Hij voert aan dat zich omstandigheden in de privésfeer hebben voorgedaan, waardoor het voor hem niet mogelijk was om de werkzaamheden voor het najaar van 2025 uit te voeren. Daarom heeft hij uitstel voorgesteld. Daarnaast heeft hij al kosten gemaakt voor onder meer de inkoop van materialen.
4.3.
De kantonrechter oordeelt dat [eiser] voldoende concreet heeft gesteld en onderbouwd dat is afgesproken om de werkzaamheden uit te voeren vóór de herfst van 2025. Zo vermeldt de offerte van [gedaagde] dat de werkzaamheden zullen worden gestart nadat de aanbetaling is ontvangen (wat in augustus is gebeurd), staat op de door [gedaagde] opgestelde voorschotfactuur als leverdatum ‘augustus 2025’ en schrijft [gedaagde] in een e-mail van augustus 2025 dat hij op zeer korte termijn aan de slag wil gaan vanwege het weer en de vakantieperiode. Doordat [gedaagde] dit niet heeft gedaan, heeft hij niet voldaan aan zijn verplichtingen uit de overeenkomst.
4.4.
Het is voor [gedaagde] niet meer mogelijk om zijn verplichtingen uit de overeenkomst na te komen omdat de afgesproken termijn is verlopen. Bovendien heeft hij op de mondelinge behandeling meegedeeld dat hij niet (meer) schildert en ook niet bereid is om dit nog te doen. Daarom mocht [eiser] de overeenkomst ontbinden. [1] Dit heeft hij met de verklaring per brief van 25 september 2025 gedaan. Daarmee is de overeenkomst vanaf dat moment ontbonden. [2] Dit heeft tot gevolg dat partijen over en weer alles ongedaan moeten maken. In dit geval is alleen het voorschot betaald door [eiser] en heeft [gedaagde] nog geen werkzaamheden uitgevoerd. Dit betekent dat [gedaagde] het voorschot moet terugbetalen. De vordering wordt toegewezen, met inachtneming van het volgende.
4.5.
[eiser] vordert betaling van de hoofdsom vermeerderd met wettelijke handelsrente. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW, zodat de gevorderde handelsrente niet toewijsbaar is. In plaats daarvan zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro worden toegewezen.
4.6.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Er is niet gesteld of gebleken dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen.
4.7.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
150,92
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.127,92

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.285,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 25 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.127,92, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:265 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 6:267 lid 1 BW Pro.