ECLI:NL:RBNHO:2026:1627

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
HAA 25/6092
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens gebrek aan belanghebbenschap bij omgevingsvergunning

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland op 24 februari 2026 uitspraak gedaan over een verzoek om een voorlopige voorziening tegen de verlening van een omgevingsvergunning door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen. De vergunning betrof de wijziging van de bestemming van een recreatiewoning naar een woonbestemming op een locatie in Dirkshorn.

Verzoeker, wonende op ongeveer 220 meter afstand en zonder zicht op de betreffende woning, maakte bezwaar tegen de vergunning en diende een verzoek om voorlopige voorziening in. Het college stelde dat verzoeker geen belanghebbende was en het bezwaar niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker geen rechtstreeks, persoonlijk en actueel belang had bij het besluit, mede vanwege de afstand, het ontbreken van zicht en de aanwezigheid van andere woningen en beplanting tussen de percelen.

Daarnaast voerde verzoeker aan dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelde door de vergunning te verlenen, omdat hij zelf geen wijziging van bestemming had kunnen verkrijgen. De voorzieningenrechter verwierp dit betoog omdat dit geen direct belang bij de vergunning oplevert en een gegrond bezwaar tegen de vergunning niet automatisch leidt tot een woonbestemming voor het perceel van verzoeker.

Gelet op het ontbreken van een voldoende belang werd het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. De uitspraak is gedaan zonder zitting en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verzoeker geen belanghebbende is bij de verleende omgevingsvergunning.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/6092

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit Schagen, verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de verlening van een omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning gaat over het wijzigen van de bestemming van ‘recreatie, met functieaanduiding beheerderswoning’ naar ‘wonen’ op de locatie [adres 1] in Dirkshorn.
1.1.
Met het besluit van 19 december 2025 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft hij een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
1.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Verzoeker heeft op het verweerschrift gereageerd.
1.4.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.5.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Is verzoeker belanghebbende?
2. Het college stelt zich op het standpunt dat verzoeker geen belanghebbende is en dat het college voornemens is zijn bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Verzoeker is het niet eens met het standpunt van het college.
3. Ingevolge artikel 7:1, gelezen in samenhang met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan alleen een belanghebbende bezwaar maken of beroep instellen tegen een besluit.
3.1
Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. [1] Als uitgangspunt geldt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is. Als een betrokkene echter geen gevolgen van enige betekenis ondervindt, kan hij niet als belanghebbende worden aangemerkt.
3.2
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker woont aan de Park [adres 2] in Dirkshorn. De woning waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, is gelegen aan de [adres 1] in Dirkshorn. Beide woningen liggen op ongeveer 220 meter afstand van elkaar. Verzoeker heeft vanuit zijn eigen woning geen zicht op de woning aan de [adres 1] . Tussen de woningen bevinden zich andere (recreatie)woningen en opgaande beplanting zoals bomen en struiken. De woning van verzoeker ligt op een ander bungalowpark dan het park waartoe de woning aan de [adres 1] voorheen behoorde. Verzoeker wordt dus niet geraakt door eventuele verminderde voorzieningen. Met het college is de voorzieningenrechter daarom van oordeel dat verzoeker geen rechtstreeks feitelijke gevolgen van enige betekenis ondervindt en dat de gevolgen van realisering van de omgevingsvergunning voor hem nihil zullen zijn. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker geen belanghebbende is bij de verleende omgevingsvergunning.
3.3
Verzoeker heeft, kort samengevat, aangevoerd dat de ruimtelijke situatie van zijn woning en die van de woning aan de [adres 1] grote gelijkenissen vertonen en dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt door de omgevingsvergunning te verlenen. Verzoeker wil dat ook voor zijn woning de bestemming wordt gewijzigd naar ‘wonen’, nu dat financiële voordelen heeft, maar tot nu toe is hem dat nog niet gelukt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker hiermee nog geen persoonlijk en rechtstreeks belang heeft aangetoond bij de verleende omgevingsvergunning. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat ook wanneer het bezwaar van verzoeker tegen de omgevingsvergunning gegrond zou worden verklaard, dit niet met zich meebrengt dat in het ter plaatse geldende bestemmingsplan een woonbestemming voor zijn perceel zal gelden of zal moeten worden opgenomen. De conclusie is dan ook dat verzoeker geen rechtstreeks belang heeft bij het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning.
Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.

Conclusie en gevolgen

Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dan ook af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.W. Neleman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026.
Griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1758