ECLI:NL:RBNHO:2026:1588

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
HAA 26/1115
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:4 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake verplaatsing ambtenaar politie

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de korpschef van politie tot verplaatsing naar een andere werkplek. De voorzieningenrechter beoordeelt dat het verzoek om inzage in stukken die volgens verzoeker op de zaak betrekking hebben, geen voorlopig karakter heeft en daarom niet kan worden toegewezen.

Daarnaast is voor een beslissing over het geschil tussen verzoeker en de korpschef over de aard van de stukken nader onderzoek nodig, wat niet passend is in een voorlopige voorzieningsprocedure. Daarom wordt het verzoek kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen.

De voorzieningenrechter merkt op dat indien de korpschef inzage blijft weigeren en de bestuursrechter later oordeelt dat dit onjuist was, dit gevolgen kan hebben voor de rechtmatigheid van het besluit dat op bezwaar wordt genomen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan zonder zitting op 18 februari 2026 door voorzieningenrechter R.H.M. Bruin.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening inzake inzage in stukken bij verplaatsingsbesluit wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/1115

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

gemachtigde: mr. J.R. Versluis, advocaat te Amsterdam,
en

de korpschef van politie, de korpschef.

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker hangende zijn bezwaar tegen het besluit van de korpschef van 17 oktober 2025 tot verplaatsing van verzoeker naar een andere werkplek/plaats van tewerkstelling.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.1.
Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter om de korpschef, hangende zijn bezwaar tegen het rechtspositioneel besluit tot verplaatsing van 17 oktober 2025, bij wijze van voorlopige voorziening op te dragen enige stukken te verstrekken (of inzage te geven als bedoeld in artikel 7:4, van de Awb) die volgens hem op de zaak betrekking hebbende stukken zijn.
2.2.
De voorzieningenrechter kan een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat vereist. Een voorziening die een voorlopig karakter ontbeert, kan in beginsel niet worden getroffen. Voorts heeft het onderzoek in het kader van een procedure over een verzoek om voorlopige voorziening naar zijn aard een beperkt karakter.
2.3.
Het hangende de bezwaarprocedure inzage verlenen in stukken die volgens verzoeker op de zaak betrekking hebben, ontbeert een voorlopig karakter in voormelde zin. Voorts vereist een beslissing over het geschil tussen verzoeker en de korpschef over de aard van de door verzoeker bedoelde stukken nader onderzoek waarvoor deze procedure zich niet goed leent.
2.4.
Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
2.5.
De voorzieningenrechter merkt daarbij nog wel op dat mocht de korpschef volharden in het weigeren inzage te geven in de bedoelde stukken en de bestuursrechter later tot de conclusie zou komen dat dat standpunt onjuist is, dat wel consequenties kan hebben voor de rechtmatigheid van het op het bezwaar te nemen besluit.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.