ECLI:NL:RBNHO:2026:1574

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
15/265559-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 38n SrArt. 310 SrArt. 279 SvArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oplegging ISD-maatregel voor stelselmatige diefstal na recidive

De rechtbank Noord-Holland heeft op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die op 7 oktober 2025 te Hoorn flessen alcoholische drank heeft weggenomen met het oogmerk deze wederrechtelijk toe te eigenen. De rechtbank verklaarde het ten laste gelegde feit van diefstal wettig en overtuigend bewezen en sprak verdachte vrij van overige tenlasteleggingen.

De verdachte heeft een strafblad met meerdere onherroepelijke vrijheidsstraffen voor soortgelijke feiten. De reclassering adviseerde oplegging van de ISD-maatregel, waarbij zowel harde als zachte criteria zijn vervuld. De rechtbank volgde dit advies en legde een ISD-maatregel van twee jaar op, waarbij de tijd in voorlopige hechtenis in mindering wordt gebracht.

De verdediging voerde aan dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is en verzocht om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken of een voorwaardelijke ISD-maatregel. Dit werd verworpen omdat onvoldoende is vastgesteld dat verslavingsproblematiek het gedrag beïnvloedde en omdat de ISD-maatregel passend is gezien het recidivegevaar en het ontbreken van interventiemogelijkheden buiten de maatregel.

De rechtbank wees tevens de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf af, omdat de ISD-maatregel onvoorwaardelijk is en de eerdere straf daardoor niet opportuun is. Een geconstateerd vormverzuim bij inverzekeringstelling werd als niet ernstig beoordeeld en had geen invloed op de strafoplegging.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot een ISD-maatregel van twee jaar met aftrek van voorlopige hechtenis.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15/265559-25 en 15/002316-25 (vord tul) (P)
Uitspraakdatum: 13 januari 2026
Tegenspraak (art. 279 Sv Pro)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 16 december 2025 (inhoudelijke behandeling) en 30 december 2025 (sluiting onderzoek) in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres],
thans gedetineerd in P.I. Ter Apel.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. A.M.H.G. Peters, en van wat de gemachtigd raadsvrouw, mr. Y.R. Nielsen, advocaat te Hoorn, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 7 oktober 2025 te Hoorn een of meerdere flessen (alcoholische)drank, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [slachtoffer], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het bewijs en de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van het bewezenverklaarde feit sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Gelet daarop zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen, te weten:
  • een proces-verbaal van aangifte van 7 oktober 2025 (p. 6 en 7, met bijlage p. 8);
  • een proces-verbaal van bevindingen van 8 oktober 2025 (p. 11 t/m 13, met bijlage
p. 14 t/m 18);
- een proces-verbaal van verhoor verdachte van 7 oktober 2025 (p. 31 t/m p. 37).
De vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat:
hij op 7 oktober 2025 te Hoorn flessen alcoholische drank die aan de [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op: diefstal.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: de ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht geen ISD-maatregel op te leggen, omdat niet wordt voldaan aan de ‘zachte criteria’ voor het opleggen van een dergelijke maatregel. Zij heeft betoogd dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. Daarbij heeft zij aangevoerd dat aansluiting dient te worden gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden verklaard en dat het door de rechter-commissaris geconstateerde vormverzuim dient te leiden tot strafvermindering. Op grond van het voorgaande heeft de raadsvrouw verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken op te leggen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de ISD-maatregel geheel voorwaardelijk op te leggen.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Diefstal is een hinderlijk feit dat (financiële) schade en overlast veroorzaakt voor de maatschappij in het algemeen en voor de slachtoffers in het bijzonder. Dit geldt des te meer wanneer personen, zoals de verdachte, zich stelselmatig schuldig maken aan diefstal. De verdachte heeft met zijn handelen laten zien geen respect te hebben voor andermans eigendommen.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank onder meer gelet op het strafblad van de verdachte van 4 november 2025, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen voor soortgelijke feiten. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de beslissing over de toe te passen sanctie.
Verder heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsadvies van 9 oktober 2025 van GGZ Reclassering Fivoor. Uit dit advies blijkt dat de verdachte zowel aan de harde als aan de zachte criteria voor oplegging van de ISD-maatregel voldoet. Volgens de reclassering is de vreemdelingen-ISD de meest passende invulling van de ISD-maatregel voor de verdachte.
Op te leggen maatregel
De rechtbank sluit zich aan bij het advies van de reclassering en is van oordeel dat de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren moet worden opgelegd. Het door de verdachte begane feit betreft een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De verdachte is in de afgelopen vijf jaren minstens driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen en het onderhavige feit is begaan na tenuitvoerlegging hiervan. Er moet ernstig rekening mee gehouden worden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan en de veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel eist.
Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat ook aan de zachte criteria voor oplegging van de ISD-maatregel wordt voldaan. Eerder opgelegde straffen hebben niet geleid tot het terugdringen van recidive. Het belang van de samenleving, dat de verdachte geen overlast of schade meer zal veroorzaken, staat nu voorop. Daarbij komt dat buiten de ISD-maatregel, vanwege de verblijfstatus van de verdachte, feitelijk geen mogelijkheid bestaat om interventies te doen gericht op het beperken van recidive, zoals bijvoorbeeld hulpverlening voor zijn mogelijke psychische en verslavingsproblematiek. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft op 13 mei 2025 het verblijfsrecht van de verdachte ingetrokken. Tegen deze beslissing heeft de verdachte geen bezwaar ingesteld en de bezwaartermijn is inmiddels verstreken. Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw namens de verdachte verklaard dat de verdachte niet naar Polen wenst terug te keren. Het is aannemelijk dat de verdachte na zijn detentie in Nederland zal blijven, zonder dat recidivebeperkende interventies kunnen worden uitgevoerd. Oplegging van een kortdurende gevangenisstraf, zoals door de raadsvrouw is verzocht, is daarom niet passend. Daarnaast is niet gebleken dat de verdachte, zodra hij vrijkomt, in vreemdelingendetentie zal worden geplaatst. De rechtbank ziet gelet hierop ook geen reden om de ISD-maatregel in voorwaardelijke zin op te leggen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank, overeenkomstig de eis van de officier van justitie, de ISD-maatregel voor de duur van twee jaren opleggen. Aangezien de insteek van de ISD-maatregel is om de verdachte terug te laten keren naar Polen, zal de rechtbank bepalen dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de duur van de ISD-maatregel.
De rechtbank merkt op dat de ISD-maatregel bij een eventuele repatriëring kan worden opgeheven door de minister van Justitie en Veiligheid. De snelheid waarmee een dergelijke repatriëring kan plaatsvinden, hangt mede af van de mate waarin de verdachte daaraan medewerking verleent. Daarmee heeft de verdachte invloed op de duur van de ISD- maatregel.
De rechtbank is, net als de rechter-commissaris, van oordeel dat de inverzekeringstelling onrechtmatig is, omdat een vertaald bevel van de inverzekeringstelling had moeten worden uitgereikt en dit niet is gebeurd. De rechtbank volstaat met de enkele constatering van het vormverzuim, omdat geen sprake is van een zodanig ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast. De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat de verdachte voordat hij in verzekering werd gesteld is verhoord door de politie en dat hem tijdens dat verhoor in een voor hem begrijpelijke taal is medegedeeld ten aanzien van welk strafbare feit de verdenking was gerezen, waarop de verdachte reageerde met dat hij dit begreep. Daarnaast gaf de verdachte tijdens dit verhoor aan dat hij vaker is aangehouden voor soortgelijke feiten.
Tot slot verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsvrouw dat bij de straftoemeting rekening zou moeten worden gehouden met de omstandigheid dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is gelet op zijn verslaving. Er zijn geen aanwijzingen dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens. Ten aanzien van zijn verslavingsproblematiek is onvoldoende komen vast te staan of en in hoeverre deze problematiek zijn gedragskeuzes heeft beïnvloed.

7.Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 1 april 2025 in de zaak met parketnummer 15/002316-25 heeft de politierechter van de rechtbank Noord-Holland de verdachte ter zake van diefstal en lokaalvredebreuk veroordeeld tot, onder meer, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a Sv is op 4 april 2025 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 15 april 2025 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.
De officier van justitie vordert dat de rechtbank de vordering tenuitvoerlegging zal afwijzen gelet op de gevorderde ISD-maatregel.
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering moet worden afgewezen, omdat tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf, gelet op de aan de verdachte op te leggen onvoorwaardelijke ISD-maatregel, niet opportuun is.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van
2 [twee] jaren.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Noord-Holland in de zaak met parketnummer 15/002316-25 opgelegde voorwaardelijke straf.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. L. Boonstra, voorzitter,
mr. N.M.L. Rogmans en mr. A. Stronkhorst, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. D. Koppe,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 januari 2026.