ECLI:NL:RBNHO:2026:1571

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
15/093067-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 77c SrArt. 77i SrArt. 77x SrArt. 77y Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling meervoudige gekwalificeerde opzetverkrachtingen met toepassing jeugdstrafrecht

De rechtbank Noord-Holland heeft op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte geboren in 2003, die zich schuldig heeft gemaakt aan meervoudige gekwalificeerde opzetverkrachtingen in de periode van 12 tot 13 maart 2025 in Purmerend. De rechtbank achtte het bewezen dat de verdachte het slachtoffer op drie momenten seksueel heeft binnengedrongen onder dwang, geweld en bedreiging.

De bewijsvoering berustte op de consistente en gedetailleerde verklaringen van het slachtoffer, die werden ondersteund door forensisch medisch onderzoek, DNA-sporen, getuigenverklaringen van conducteurs en een spijtbetuigend bericht van de verdachte. De verdediging voerde ontkenning en betwistte de betrouwbaarheid van het slachtoffer, maar dit werd door de rechtbank verworpen.

De rechtbank paste het jeugdstrafrecht toe vanwege de leeftijd en psychische problematiek van de verdachte, waaronder PTSS en borderline trekken, en legde een jeugddetentie van 14 maanden op, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast werden bijzondere voorwaarden en toezicht door de reclassering opgelegd.

De benadeelde partij vorderde €34.100 aan schadevergoeding, waarvan de rechtbank €5.400 aan materiële schade (studievertraging) en €12.500 aan immateriële schade toekende, vermeerderd met wettelijke rente. De verdachte werd tevens veroordeeld tot betaling van de kosten en een schadevergoedingsmaatregel van €17.900 aan de Staat opgelegd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 14 maanden jeugddetentie, deels voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en schadevergoeding van €17.900 aan slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/093067-25 (P)
Uitspraakdatum: 13 januari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 16 december 2025 (inhoudelijke behandeling) en 30 december 2025 (sluiting onderzoek) in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2003 te [geboorteplaats],
thans gedetineerd in het Justitieel Complex Zaanstad en aldaar ingeschreven op het adres:
Smeet 1, 1551 NG te Westzaan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. A.M.H.G. Peters, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.E. Dijkhuis, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, verkort en zakelijk weergegeven, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het volgende feit:
primair:het meermalen plegen van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer], terwijl de verdachte wist dat de wil bij die persoon ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, in de periode van 12 maart 2025 tot en met 13 maart 2025 in Purmerend, althans in Nederland;
subsidiair:het meermalen plegen van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer], terwijl de verdachte wist dat de wil bij die persoon ontbrak, in de periode van 12 maart 2025 tot en met 13 maart 2025 in Purmerend, althans in Nederland;
meer subsidiair:het meermalen plegen van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer], terwijl de verdachte ernstige reden had om te vermoeden dat bij die persoon de wil ontbrak, in de periode van 12 maart 2025 tot en met 13 maart 2025 in Purmerend, althans in Nederland.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als
bijlage 1aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3.
Beoordeling van het bewijs
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdachte heeft verklaard dat hij orale en vaginale seks met de aangeefster heeft gehad, maar geen anale seks. Volgens de verdachte hebben de seksuele handelingen met wederzijdse instemming plaatsgevonden en was geen sprake van dwang of (bedreiging met) geweld.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de door de aangeefster afgelegde verklaring meerdere interne tegenstrijdigheden bevat, hetgeen meebrengt dat haar verklaring niet zonder meer kan worden gevolgd en kritisch moet worden bekeken. Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het dossier onvoldoende steunbewijs bevat om tot een bewezenverklaring te komen.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage 2 bij dit vonnis zijn vervat.
3.3.2.
Bewijsmotivering ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit
Bewijsminimum in zedenzaken
De rechtbank stelt voorop dat in zedenzaken doorgaans maar twee personen betrokken zijn geweest bij de ten laste gelegde seksuele gedragingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. In de kern gaat het dan ook vaak om het woord van de aangeefster tegenover dat van de verdachte. Dat geldt ook voor deze zaak: de belastende verklaringen van [slachtoffer] (hierna: de aangeefster) staan tegenover de ontkennende verklaringen van de verdachte. Het is de rechtbank volgens de wet niet toegestaan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, uitsluitend te baseren op de verklaring van één getuige (artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv)). De rechter mag daarom niet tot een bewezenverklaring komen als de door de aangeefster genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende worden ondersteund door ander bewijs.
Onderdelen van het ten laste gelegde feit kunnen wel worden bewezen op grond van de enkele verklaring van de aangeefster. Het is dus niet vereist dat de ten laste gelegde seksuele handeling als zodanig steun vindt in ander bewijs. Het kan voldoende zijn dat de verklaring van de aangeefster op specifieke punten wordt bevestigd door de inhoud van ander bewijsmateriaal. Dit bewijsmateriaal moet dan wel afkomstig zijn uit een andere bron en een voldoende duidelijk verband houden met de verklaring van de aangeefster.
In zijn algemeenheid moet zorgvuldig en behoedzaam worden omgegaan met verklaringen van getuigen en (vermeende) slachtoffers in strafzaken. In een zaak als deze, waarin de verdachte de ten laste gelegde feiten voor een belangrijk deel ontkent en er geen directe getuigen zijn van de verweten seksuele gedragingen, geldt dat des temeer. De rechtbank zal daarom eerst de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster toetsen, door te beoordelen of deze consistent en voldoende gedetailleerd zijn en of sprake is van omstandigheden die een contra-indicatie opleveren voor de betrouwbaarheid van haar verklaringen.
Vervolgens zal de rechtbank, tegen de achtergrond van de hiervoor genoemde maatstaven, beoordelen of de verklaringen van de aangeefster in voldoende mate steun vinden in ander bewijs. De vraag of er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van de aangeefster moet worden onderscheiden van de vraag of de verklaring van de aangeefster betrouwbaar is. Dit neemt niet weg dat het steunbewijs kan dienen als controlemiddel voor de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster.
Feiten en omstandigheden
Zowel de verdachte als de aangeefster hebben verklaard dat zij elkaar via Snapchat hebben leren kennen en elkaar een paar keer hadden gezien, voordat zij op 12 maart 2025 in Amsterdam hadden afgesproken. Zij ontmoetten elkaar die dag op station Muiderpoort in Amsterdam en kochten in de buurt iets te eten en te drinken, waarna zij samen met de trein naar Purmerend zijn gereisd. In Purmerend zijn zij naar een supermarkt gegaan en hebben zij op een terras gezeten. Daarna zijn zij naar een park gelopen. In de uren daarna hebben er seksuele handelingen plaatsgevonden. Op 13 maart 2025 rond 05.00 uur zijn zij met de bus en de metro naar station Amsterdam Centraal gereisd, waar zij afscheid hebben genomen. Enkele dagen later stuurde de verdachte een bericht naar de aangeefster waarin hij zegt dat hij erg veel spijt heeft en zichzelf nooit zal vergeven. In zoverre komen de verklaringen van de verdachte en de aangeefster overeen.
De betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de verklaringen van de aangeefster
De aangeefster heeft verklaard dat zij in de nacht van 12 op 13 maart 2025 op drie momenten is verkracht, zowel vaginaal, oraal als anaal. De verdachte heeft haar daarbij in de bosjes naar de grond getrokken, haar keel vastgepakt en heel hard aan haar haren getrokken. Ook heeft hij gezegd: “je doet wat ik zeg, anders vermoord ik je”. Daarnaast heeft hij gezegd dat zij haar billen moest spreiden, heeft hij haar armen vastgepakt en op haar rug vastgehouden en heeft hij in haar borst geknepen en op haar billen geslagen.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar zijn. Zij heeft consistent en gedetailleerd verklaard over de seksuele handelingen die de verdachte bij haar heeft uitgevoerd. Daar komt bij dat haar verklaring inhoudelijk op specifieke en relevante punten overeenkomt met hetgeen zij kort na het gebeuren heeft verteld aan de twee conducteurs die haar huilend en overstuur aantroffen en zagen dat zij krassen in haar nek had en onder de modder zat. Ook die waarnemingen passen bij de verklaring van de aangeefster, net als de resultaten van het forensisch medisch onderzoek dat kort na het gebeuren plaatsvond. Dit draagt bij aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen.
Dat de aangeefster een verborgen motief zou hebben om een valse en voor de verdachte belastende verklaring af te leggen, acht de rechtbank op grond van het dossier niet aannemelijk geworden. Ook is niet gebleken van andere omstandigheden die een contra-indicatie opleveren voor de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster.
De rechtbank heeft dan ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster en acht deze op grond van het bovenstaande bruikbaar voor het bewijs.
Aanwezigheid van steunbewijs
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van de aangeefster voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen. Daarmee wordt aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv voldaan. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
1. Het forensisch medisch onderzoek
De verklaringen van de aangeefster worden in de eerste plaats ondersteund door het forensisch onderzoek. Op 13 maart 2025 is de aangeefster onderzocht door een forensisch arts. Uit dit onderzoek blijkt allereerst dat zowel haar kleding als haar gezicht onder de modder zaten. Daarnaast had zij letsel en/of krasverwondingen op haar gezicht, hals, rechterarm, heupen, billen, benen en enkels. Verder is vastgesteld dat meerdere van haar nepnagels ontbraken en uit het proces-verbaal van aanvraag tot benoeming van een deskundige blijkt dat tijdens het forensisch medisch onderzoek plukken haar van het hoofd van de aangeefster vielen. De rechtbank stelt vast dat dit letsel past bij de verklaringen van de aangeefster.
Bij de aangeefster is vervolgens een zedenkit afgenomen. Uit het daaropvolgende NFI-rapport van 18 maart 2025 blijkt dat rondom de mond, de binnenste en buitenste schaamlippen, diep vaginaal, rondom de anus en diep anaal DNA-sporen zijn aangetroffen die, onweersproken, overeenkomen met het DNA van de verdachte. De rechtbank stelt vast dat de aangetroffen DNA-sporen passen bij de verklaringen van de aangeefster. Bovendien weerspreken deze de verklaring van de verdachte dat hij geen anale seks met de aangeefster heeft gehad.
2. Het bericht dat de verdachte naar de aangeefster heeft gestuurdDe verklaringen van de aangeefster worden ook ondersteund door een Snapchatbericht dat de verdachte enkele dagen na de gebeurtenissen aan de aangeefster heeft gestuurd. De verdachte heeft het volgende bericht verzonden: “
Ik ben niet die persoon van donderdag ik ben helemaal niet zo iemand het kwam door de drank Ik wil sorry zeggen omdat ik erg spijt heb en me echt een idioot voel En ook al weet ik dat je niks aan sorry hebt Wil ik het alsnog zeggen Voel me heel schuldig en zal mij niet mezelf nooit vergeven.”
3. Waarnemingen van getuigen
De verklaringen van de aangeefster worden verder ondersteund door de waarnemingen die de getuigen [naam 1] en [naam 2], beiden werkzaam als hoofdconducteur bij de Nederlandse Spoorwegen, hebben gedaan. De getuigen hebben verklaard dat zij de aangeefster op 13 maart 2025 huilend in de trein hebben aangetroffen. Nadat getuige [naam 1] aan de aangeefster vroeg wat er gebeurd was, begon zij te hyperventileren. Zij heeft aan de getuige verteld dat zij met een jongen had afgesproken en door die jongen de bosjes in was getrokken. Op de vraag of deze jongen intiem bij haar was geweest, antwoordde zij "ja". Op het moment dat de aangeefster dit tegen de getuige vertelde, was zij in tranen, trilden haar handen en kwam zij amper uit haar woorden. De getuigen zagen dat zij krassen in haar nek had, takjes in haar haar en moddervlekken op haar kleding. De getuige [naam 1] beschrijft dat het hem meestal wel lukt om reizigers rustig te krijgen door zijn elf jaar ervaring, maar bij de aangeefster lukte dat niet.
Conclusie
Naar het oordeel van de rechtbank bieden de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, voldoende ondersteuning voor de verklaring van de aangeefster om het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen te achten.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat:
primair
hij in de periode van 12 maart 2025 tot en met 13 maart 2025 in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer], seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen van zijn, verdachtes, hand en penis in haar vagina en
- het brengen van zijn penis tussen haar billen en in haar anus en
- het brengen van zijn penis in haar mond
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgegaan door en vergezeld van dwang, geweld en bedreiging, doordat hij, verdachte
- die [slachtoffer] in de bosjes heeft getrokken en
- haar naar de grond heeft getrokken en
- met kracht de keel van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en dicht gedrukt en
- heeft gezegd tegen die [slachtoffer]: “je doet wat ik zeg anders vermoord ik je” en
- met kracht aan de haren van die [slachtoffer] heeft getrokken en
- gezegd tegen die [slachtoffer] dat ze haar billen moest spreiden en
- de armen van die [slachtoffer] vastgepakt en op haar rug heeft vastgehouden en
- heeft geknepen in haar borst en
- met kracht op de billen van die [slachtoffer] heeft geslagen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
primair:opzetverkrachting voorafgegaan door en vergezeld van dwang, geweld en bedreiging, meermalen gepleegd.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht het volwassenstrafrecht toe te passen en gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan tien maanden voorwaardelijk, met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en een proeftijd van vijf jaar. De officier van justitie heeft verder gevorderd die voorwaarden en het daarop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen in de vorm van een contact- en locatieverbod. De vervangende hechtenis dient voor wat betreft het Openbaar Ministerie op twee weken per overtreding te worden bepaald, met een maximale duur van zes maanden.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit, mocht de rechtbank tot een strafoplegging komen, het adolescentenstrafrecht toe te passen. Zij heeft verzocht geen onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen die langer is dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Verder heeft de raadsvrouw verzocht een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, waaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden kunnen worden verbonden.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen plegen van gekwalificeerde opzetverkrachtingen. In de avond en nacht van 12 op 13 maart 2025 liepen de verdachte en het slachtoffer buiten en heeft de verdachte het slachtoffer op drie momenten gedwongen seksuele handelingen te verrichten. De seksuele handelingen bestonden onder andere uit het pijpen van de verdachte, langdurige vaginale penetratie en anale penetratie. Ten tijde van het uitvoeren van deze seksuele handelingen heeft de verdachte gedreigd het slachtoffer te vermoorden en heeft hij geweld toegepast. Het geweld bestond onder andere uit het vasthouden van haar armen, het met kracht vastpakken van haar keel, het met kracht trekken aan haar haren, het knijpen in haar borst en het slaan op haar billen.
De verdachte heeft met deze gedragingen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. De verdachte heeft kennelijk alleen oog gehad voor de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens. In het algemeen blijven bij slachtoffers van verkrachting lange tijd gevoelens van angst en onveiligheid bestaan. Ook voor het slachtoffer in deze zaak waren de verkrachtingen zeer ingrijpende gebeurtenissen, zoals blijkt uit de door haar ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring, waarin zij beschrijft welke gevolgen het handelen van de verdachte voor haar heeft gehad en tot op heden nog heeft. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 5 september 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van 22 juli 2025, opgesteld door Y. Gunther, orthopedagoog-generalist, en R. Sterk, klinisch psycholoog.
Uit dit rapport blijkt onder meer dat bij de verdachte sprake is van PTSS, welke voorliggend is. Daarnaast is er bij de verdachte sprake van vroegkinderlijke problematiek, waaruit zich een bedreigde persoonlijkheid met borderline trekken lijkt te ontwikkelen. De verdachte heeft veel bevestiging nodig vanuit relaties en seksueel contact. Hij compenseert hierbij zijn minderwaardigheidsgevoelens en is erg gefixeerd op de dynamiek in relaties, waarbij hij probeert verlies te voorkomen.
Het risico op recidive wordt statistisch ingeschat als matig verhoogd. Vanuit de meer op de persoon van de verdachte toegespitste inschatting van het risico op recidive zijn er meerdere factoren aanwezig die dit risico mogelijk doen toenemen. De combinatie van de bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling, waarin een beperkte emotionele draagkracht, verminderde copingvaardigheden en realiteitsverstoringen centraal staan, kan de kans op herhaling vergroten, vooral in periodes van stress of (traumagerelateerde) ontregeling. De verdachte kan seksueel gedrag gebruiken om contact te reguleren en emotionele leegtes te vullen. De verminderde realiteitstoetsing brengt mogelijk nog met zich mee dat de verdachte moeite heeft om zijn eigen gedragingen te toetsen aan de realiteit, wat zou kunnen leiden tot overschrijding van sociale (intieme) en seksuele grenzen op het moment dat zijn copingvaardigheden tekortschieten, bijvoorbeeld in stressvolle situaties.
De deskundigen beschrijven dat de verdachte nog sociaal-emotioneel onrijp is en niet voldoende stilstaat bij de consequenties van zijn handelen. De verdachte doet zich jonger voor dan zijn kalenderleeftijd en komt over het geheel bezien nog jeugdig over, met weinig verantwoordelijkheidszin.
Vanuit het perspectief van een zo gunstig mogelijke persoonlijkheidsontwikkeling is behandeling en begeleiding noodzakelijk. De behandeling dient gericht te zijn op de PTSS en de borderline problematiek, waar seksueel gedrag een aspect van vormt. Voorts dient aandacht uit te gaan naar de verstoorde coping met betrekking tot de verstoorde realiteitstoetsing en stemmingsproblemen. Gedacht wordt aan een instelling als de Forensisch Psychiatrische Polikliniek De Waag. Daarnaast is een begeleid-wonen traject nodig, omdat de verdachte nog weinig zelfstandig is. Hiervoor wordt een instelling als Multi Plus Zorg in Amsterdam geadviseerd. Vanuit deze setting moet er aandacht zijn voor onderwijs, werk en het opbouwen van een pro-sociaal netwerk. Het voorgaande kan worden opgenomen in het toezicht en de begeleiding vanuit de Jeugdreclassering.
De deskundigen concluderen dat de verdachte een weinig zelfstandige jongeman is die sociaal-emotioneel nog onrijp is. Hij is een angstige jongeman met veel psychische problematiek, waarbij hij een hoge mate van lijdensdruk ervaart als gevolg van zijn PTSS. De verdachte is echter nog te vormen, waardoor geadviseerd wordt het jeugdstrafrecht toe te passen. De deskundigen adviseren, bij een veroordeling, een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen en de verdachte te begeleiden en te behandelen door middel van het opleggen van bijzondere voorwaarden.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 11 december 2025. Uit dit advies blijkt dat de reclassering zich kan vinden in het advies van de deskundigen om het jeugdstrafrecht toe te passen. De reclassering ziet geen doorslaggevende redenen om het volwassenstrafrecht of het jeugdstrafrecht toe te passen. De beperkte handelingsvaardigheden van de verdachte wijzen op toepassing van het jeugdstrafrecht, maar het ontbreken van pedagogische beïnvloeding wijst op toepassing van het volwassenstrafrecht. De reclassering beschrijft dat het beoogde plan van aanpak zowel binnen het volwassenenstrafrecht als het jeugdstrafrecht kan worden uitgevoerd.
De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen en daaraan onderstaande bijzondere voorwaarden te verbinden:
  • meldplicht bij reclassering;
  • ambulante behandeling;
  • begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
  • contactverbod met het slachtoffer;
  • locatieverbod (zonder elektronische monitoring);
  • dagbesteding.
De reclassering benadrukt dat het voor de verdachte van belang is om begeleid te worden door de volwassenreclassering, aangezien hij op 23-jarige leeftijd aan de volwassenreclassering wordt overgedragen. De reclassering beschrijft dat de verdachte gebaat is bij een vaste toezichthouder, zodat er continuïteit in de begeleiding en monitoring van de bijzondere voorwaarden kan worden geboden. Daarnaast adviseert de reclassering de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het toezicht.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij gemotiveerd is om mee te werken aan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.
Toepassing van het jeugdstrafrecht?
Wat betreft de vraag of het volwassenstrafrecht of het jeugdstrafrecht moet worden toegepast, overweegt de rechtbank het volgende. De verdachte was ten tijde van het bewezen verklaarde feit eenentwintig jaar oud en dus meerderjarig. Het uitgangspunt is dan berechting volgens het volwassenenstrafrecht. De rechtbank kan, ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar, maar nog niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt, beslissen het jeugdstrafrecht toe te passen, indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
De rechtbank is, gelet op het Pro Justitia-rapport en het rapport van de reclassering, van oordeel dat pedagogische beïnvloeding van de verdachte nog mogelijk is en dat hij daarbij gebaat zal zijn. Toepassing van het jeugdstrafrecht is van belang voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte en in het belang van de maatschappij, om de verdachte er in de toekomst van te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van een strafbaar feit. De rechtbank zal dan ook toepassing geven aan het jeugdstrafrecht.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en de ernst van het gepleegde feit acht de rechtbank enkel oplegging van jeugddetentie gerechtvaardigd. De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur daarvan rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en gekeken naar straffen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank neemt als uitgangspunt een verkrachting, waarvoor in beginsel zes maanden jeugddetentie als oriëntatiepunt geldt. De rechtbank ziet in de aard en ernst van het feit, waaronder de vergaande seksuele handelingen en de daarmee gepaard gaande inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, aanleiding om van het uitgangspunt naar boven af te wijken. Daarnaast weegt de rechtbank de volgende factoren in strafverzwarende zin mee: de zeer lange duur van de verkrachtingen, het geweld dat de verdachte tegen het slachtoffer heeft gebruikt, en de voor het slachtoffer vernederende en uitermate beangstigende setting.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat jeugddetentie van veertien maanden met aftrek van voorarrest moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat vier maanden daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zullen worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaar, om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast acht de rechtbank oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden noodzakelijk, waarbij de rechtbank er vanuit gaat dat het toezicht zal worden uitgevoerd door de volwassenenreclassering.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank zal bepalen dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn omdat de rechtbank van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank grondt dat oordeel op het Pro Justitia-rapport waaruit blijkt dat het recidiverisico als matig verhoogd wordt ingeschat en dat de verdachte behandeld dient te worden voor zijn psychische problematiek en dat die behandeling nog moet beginnen.
Geen vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in 38v Sr
De rechtbank zal, anders dan door de officier van justitie gevorderd, geen vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opleggen. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit kader een contact- en locatieverbod op te leggen, nu deze al als bijzondere voorwaarden zijn geformuleerd.

7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De advocaat van de benadeelde partij, mr. P. van der Geest, heeft namens de benadeelde partij [slachtoffer] een vordering tot schadevergoeding van € 34.100,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 21.600,- aan materiële schade (te weten: twaalf maanden studievertraging) en € 12.500,- aan immateriële schade.
De raadsvrouw heeft met betrekking tot de gevorderde materiële schade verzocht een bedrag van € 5.400,- toe te wijzen, aangezien de benadeelde partij momenteel drie maanden studievertraging heeft opgelopen. Zij heeft verzocht de benadeelde partij voor de overige gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het op dit moment onvoldoende duidelijk is hoeveel maanden studievertraging de benadeelde partij verder zal oplopen.
7.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering, zoals door de raadsvrouw van de benadeelde partij is bepleit, kan worden toegewezen. Voor de overige gevorderde materiële schade dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard. Daarnaast heeft de officier van justitie verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.2.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de gevorderde materiële schade heeft de raadsvrouw zich primair op het standpunt gesteld dat deze schadepost, te weten € 21.600,- wegens twaalf maanden studievertraging, niet kan worden toegewezen, omdat deze schadepost onvoldoende is onderbouwd. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het causale verband tussen het ten laste gelegde feit en de studievertraging ontbreekt en dat onduidelijk is of de studievertraging daadwerkelijk zal optreden. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld, indien de rechtbank van oordeel is dat er wel sprake is van enige studievertraging, dat het gevorderde schadebedrag dient te worden gematigd naar € 5.400,- wegens drie maanden studievertraging.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat deze schadepost niet in verhouding staat tot de ernst van het ten laste gelegde feit. De raadsvrouw heeft verzocht, gelet op vergelijkbare zaken en de toepassing van de Rotterdamse Schaal, het gevorderde schadebedrag te matigen naar € 2.500,-.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 5.400,- wegens studievertraging rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit. Uit het verzoek tot schadevergoeding en de bijgevoegde e-mail van de studentcoach van de onderwijsinstelling blijkt dat er een causaal verband bestaat tussen de persoonlijke omstandigheden van de benadeelde partij veroorzaakt door het bewezenverklaarde feit en de studievertraging. Het seksueel misbruik heeft een ingrijpende negatieve invloed gehad op haar schoolprestaties, wat heeft geleid tot drie maanden studievertraging. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de gevorderde materiële schade niet ontvankelijk.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank heeft bij de vaststelling van het toe te kennen bedrag rekening gehouden met de aard van het seksueel misbruik en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij. Gelet op deze omstandigheden en rekening houdend met immateriële schadevergoedingen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 12.500,- billijk. De gevorderde immateriële schade zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: gekwalificeerde opzetverkrachting, meermalen gepleegd] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
36f, 77c, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 243 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van
14 [veertien] maanden.
Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot
4 [vier]maanden, nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 [twee] jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- zich meldt bij Reclassering Nederland op het adres [adres]. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Daarnaast wordt de verdachte aangemeld bij een FACT-team. Hij dient mee te werken aan de aanwijzingen vanuit het FACT-team en houdt zich aan de huisregels van de zorginstelling;
- verblijft bij Accuraat begeleid wonen of een soortgelijke instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met: [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 2006, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
- zich niet in Houten bevindt, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
- zich inspant voor het vinden en behouden van scholing en/of betaald werk, met een vaste structuur.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de verdachte is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Beveelt dat de op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van die wet uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering benadeelde partij
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[slachtoffer]geleden schade tot een bedrag van
€ 17.900,-, bestaande uit € 5.400,- als vergoeding voor de materiële en € 12.500,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in de vordering.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 17.900,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 0 dagen jeugddetentie en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. N.M.L. Rogmans, voorzitter,
mr. L. Boonstra en mr. A. Stronkhorst, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. D. Koppe,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 januari 2026.
Bijlage 1
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
primair:
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 maart 2025 tot en met 13 maart 2025 te Purmerend, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer], een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen/duwen van zijn, verdachtes, hand en/of penis in haar vagina en/of
- het brengen/duwen van zijn penis tussen haar billen en/of in haar anus en/of
- het brengen/duwen van zijn penis in haar mond en/of
- het brengen/duwen van zijn tong in haar mond,
terwijl hij, verdachte, (telkens) wist dat bij die [slachtoffer] daartoe (telkens) de wil ontbrak en welke opzetverkrachting (telkens) werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, doordat hij verdachte (telkens)
- ( plotseling) die [slachtoffer] in de bosjes heeft geduwd/getrokken en/of
- haar naar de grond heeft geduwd/getrokken en/of
- met kracht (meermalen) de keel van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of dicht gedrukt en/of dicht gedrukt heeft gehouden en/of
- ( meermalen) heeft gezegd tegen die [slachtoffer]: “je doet wat ik zeg anders vermoord ik je” althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of
- ( met kracht) aan de haren van die [slachtoffer] heeft getrokken en/of
- gezegd tegen die [slachtoffer] dat ze haar billen moest spreiden en/of
- de arm(en) van die [slachtoffer] vastgepakt en/of op haar rug heeft vastgehouden en/of
- heeft geknepen in haar borst(en) en/of
- ( met kracht) op de billen van die [slachtoffer] heeft geslagen;
subsidiair
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 maart 2025 tot en met 13 maart 2025 te Purmerend, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer], een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten,
- het brengen/duwen van zijn hand en/of penis in haar vagina en/of
- het brengen/duwen van zijn penis tussen haar billen en/of in haar anus en/of
- het brengen/duwen van zijn penis in haar mond en/of
- het brengen/duwen van zijn tong in haar mond,
terwijl hij, verdachte, (telkens) wist, dat bij die [slachtoffer] daartoe (telkens) de wil ontbrak;
meer subsidiair
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 maart 2025 tot en met 13 maart 2025 te Purmerend, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer], een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen/duwen van zijn, verdachtes, hand en/of penis in haar vagina en/of
- het brengen/duwen van zijn penis tussen haar billen en/of in haar anus en/of
- het brengen/duwen van zijn penis in haar mond en/of
- het brengen/duwen van zijn tong in haar mond,
terwijl hij, verdachte, (telkens) ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] (telkens) daartoe de wil ontbrak.
Bijlage 2
De bewijsmiddelen
(..)