ECLI:NL:RBNHO:2026:1555

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 2824
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67a AWRArt. 9 AWRBesluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering verzuimboete wegens te late aangifte vennootschapsbelasting 2022

Eiseres heeft te laat aangifte vennootschapsbelasting (Vpb) 2022 gedaan, waarvoor een verzuimboete is opgelegd. De oorspronkelijke boete van €2.757 werd door verweerder gematigd tot €1.000, maar eiseres betwistte dit en vorderde een verdere vermindering tot €500.

De rechtbank stelt vast dat eiseres een eenvoudige MKB-onderneming drijft die vergelijkbaar is met een eenmanszaak, ondanks de omvang van het ondernemingsvermogen en de complexe financieringsstructuur. Gelet op het eerste verzuim, het getoonde verbetergedrag en de proportionaliteit acht de rechtbank de boete van €1.000 te hoog.

De rechtbank vermindert de verzuimboete tot €500 en veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van €1.868 en het griffierecht van €385. De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd voor zover deze de boetebeschikking betreft en gehandhaafd voor het overige.

Uitkomst: De verzuimboete wordt verminderd van €1.000 naar €500 wegens disproportionaliteit, eerste verzuim en verbetergedrag.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/2824

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. F. de Bats),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor MKB Den Haag, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2022 met dagtekening 31 januari 2025 een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd. Gelijktijdig is bij beschikking een verzuimboete van € 2.757 opgelegd en is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 11 juni 2025 de navorderingsaanslag gehandhaafd en de verzuimboete verminderd naar € 1.000.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2026 te Haarlem. Namens eiseres is verschenen mr. F. de Bats. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en [naam 2] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiseres is bij brief van 1 maart 2024 uitgenodigd om aangifte Vpb voor het jaar 2022 te doen. In deze brief staat dat de aangifte vóór 1 juni 2024 moet zijn ingediend.
2. Op 27 juni 2024 heeft verweerder een herinnering gestuurd dat aangifte Vpb 2022 moet worden gedaan. De in de herinnering genoemde uiterste indieningsdatum voor de aangifte is vastgesteld op vóór 11 juli 2024.
3. Op 7 augustus 2024 heeft verweerder een aanmaning met betrekking tot het doen van de aangifte Vpb 2022 gestuurd. De uiterste datum voor het indienen van de aangifte is in deze aanmaning gesteld op 20 augustus 2024. In deze brief heeft verweerder tevens medegedeeld dat indien eiseres niet binnen deze termijn haar aangifte Vpb 2022 indient, aan eiseres een verzuimboete kan worden opgelegd van ten minste € 2.757 en ten hoogste € 5.514.
4
.Op 17 december 2024 heeft eiseres de aangifte Vpb 2022 ingediend. Uit de aangifte volgt dat eiseres in 2022 (1) een ondernemingsvermogen had van € 1.125.273, (2) een omzet heeft behaald van € 196.960 en dat (3) eiseres een vordering van € 1.134.670 heeft op de directeur-grootaandeelhouder (dga). Ook volgt uit de aangifte dat er in 2022 een storting ten bedrage van € 1.085.100 heeft plaatsgevonden in de vennootschap. Dit bedrag is vervolgens aan de dga teruggeleend en aangewend voor de financiering van een eigenwoning (dit laatste volgt uit de aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen van de dga).

Geschil5. In geschil is of de verzuimboete bij de navorderingsaanslag Vpb 2022 tot het juiste bedrag is opgelegd. Niet betwist wordt dat eiseres te laat aangifte heeft gedaan en dat een verzuimboete op zijn plaats is.

6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de verzuimboete verminderd dient te worden tot € 500. Zij voert daartoe aan dat de hoogte van de verzuimboete van € 1.000 wegens het te laat indienen van de aangifte Vpb 2022 disproportioneel is in verhouding tot de aard van de gedraging, te weten het vergeten zijn uitstel aan te vragen. Eiseres stelt verder dat zij een eenvoudige MKB-onderneming drijft en beroept zich op het boetebeleid voor ondernemingen die door natuurlijk personen worden gedreven aan wie in vergelijkbare gevallen lagere verzuimboeten worden opgelegd
.Zij concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de verzuimboete tot € 500, alsmede vergoeding van de proceskosten.
7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de verzuimboete, met in achtneming van de matiging tot € 1.000, niet te hoog is vastgesteld. Verweerder heeft bij het verminderen van de verzuimboete rekening gehouden met de omstandigheid dat er sprake is van een eerste verzuim en van verbetergedrag (met betrekking tot het tijdig indienen van de aangiften over latere jaren). Volgens verweerder is het niet tijdig aanvragen van uitstel geen verzachtende omstandigheid waarmee rekening gehouden dient te worden. Volgens verweerder bestaat geen apart MKB-boetebeleid en volgt uit het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) noch uit de rechtspraak dat civielrechtelijke definities van het begrip MKB voor de fiscale boeteoplegging relevant zijn. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
Juridisch kader
8. Indien een belastingplichtige de aangifte voor een aanslagbelasting niet of niet tijdig doet, is dit een verzuim ter zake waarvan op grond van artikel 67a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), aan de belastingplichtige een verzuimboete kan worden opgelegd van ten hoogste € 5.514 (wettekst 2022). Van een verzuim is sprake indien de belastingplichtige niet binnen de op de aanmaning vermelde termijn aangifte heeft gedaan (artikel 67a, eerste lid, in samenhang met artikel 9, derde lid, van de AWR.
Hoogte van de verzuimboete
9. De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij het opleggen van de verzuimboete niet buiten de grens van artikel 67a van de AWR is getreden. De verzuimboete is door verweerder in de bezwaarfase verminderd van € 2.757 naar € 1.000.
10. Eiseres stelt dat de hoogte van de verzuimboete verder moet worden verminderd tot € 500. Zij heeft aangegeven dat een vertegenwoordiger van verweerder telefonisch heeft meegedeeld dat de verzuimboete niet verder kan worden verlaagd, omdat er geen sprake zou zijn van een MKB-onderneming. Eiseres is van mening dat wel degelijk sprake is van een MKB-onderneming, dan wel van een Vpb-plichtige die vergelijkbaar is met een eenmanszaak, op grond waarvan de verzuimboete zou moeten worden verminderd. Ter ondersteuning wijst eiseres op een uitspraak op bezwaar van een andere belastingplichtige waarin de verzuimboete tot € 500 is gematigd en op een uitspraak van de rechtbank Breda van 21 december 2012, ECLI:NL:RBBRE:2012:BZ4634, waarbij een verzuimboete van € 452 passend en geboden werd bevonden.
11. Verweerder heeft op zitting verwezen naar een memo van 3 februari 2016, waarin een jurisprudentie-overzicht wordt gepresenteerd met betrekking tot de matiging van verzuimboeten. Hieruit volgt dat bij een samenstel van strafverminderende omstandigheden de verzuimboete vaak wordt gematigd tot een bedrag van € 500. Bij de beoordeling van strafverminderende omstandigheden wordt onder andere gekeken of het een eerste verzuim betreft, of er sprake is van verbeterde gedragingen, of er bijzondere financiële omstandigheden zijn, en of de Vpb-plichtige kan worden aangemerkt als een entiteit die vergelijkbaar is met een eenmanszaak. Verweerder benadrukt dat er geen apart beleid is voor MKB-ondernemingen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet vergelijkbaar is met een eenmanszaak en dat de verzuimboete niet te hoog is vastgesteld. Daarbij betrekt verweerder de omvang van het ondernemingsvermogen (€ 1.125.273), de gerealiseerde omzet (€ 196.960) en het feit dat eiseres een vordering van € 1.134.670 heeft op de dga. Uit de aangifte Vpb blijkt voorts dat een storting van € 1.085.100 in de vennootschap heeft plaatsgevonden, welk bedrag vervolgens aan de dga is teruggeleend en is aangewend voor de financiering van een eigen woning. Een dergelijke, kennelijk fiscaal gemotiveerde financieringsstructuur kan volgens verweerder binnen een eenmanszaak niet worden gerealiseerd. Verder blijkt uit de omvang van het vermogen, de winst en de complexe financieringsstructuur van eiseres dat er geen sprake is van een slechte financiële situatie die de verdere matiging van de verzuimboete zou rechtvaardigen.
12. De rechtbank is evenwel van oordeel dat eiseres, anders dan verweerder heeft betoogd, wel vergelijkbaar is met een eenmanszaak. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres een lang eerste boekjaar heeft gehad en dat de behaalde omzet past bij die van een eenmanszaak. Dat een deel van het vermogen door middel van een lening aan de dga is aangewend voor de financiering van een eigen woning, doet aan deze conclusie niet af. Bij de vaststelling van de verzuimboete dient de proportionaliteit tussen de ernst van de normschending en het opgelegde boetebedrag in acht te worden genomen. Gelet op de vergelijkbaarheid met een eenmanszaak, het feit dat sprake is van een eerste verzuim en het door eiseres getoonde verbetergedrag, is de rechtbank van oordeel dat de verzuimboete van € 1.000 te hoog is vastgesteld. De rechtbank acht, gelet hierop en op het door verweerder overgelegde memo, een verzuimboete van € 500 passend en geboden.
Slotsom
13. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.
Proceskosten en griffierecht
14. De rechtbank zal verweerder veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van eiseres. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor van 1). Eiseres heeft in haar bezwaarschrift tegen de aanslag Vpb 2022 niet verzocht om een vergoeding voor de gemaakte kosten. De rechtbank kent daarom voor de bezwaarfase geen kostenvergoeding toe. Wel zal verweerder het door eiseres betaalde griffierecht, ten bedrage van € 385, dienen te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover zij de boetebeschikking betreft en handhaaft deze voor het overige;
  • verlaagt de boete tot een bedrag van € 500;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868; en
  • draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van in totaal € 385 aan haar te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Snitker, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Brons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam .
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).