ECLI:NL:RBNHO:2026:153

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
11915450 \ AO VERZ 25-41
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen en herplaatsingsverplichtingen

In deze zaak heeft de werkgever, AXA Real Estate Investment Managers Nederland B.V., een verzoek ingediend tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer, [verweerder], op basis van bedrijfseconomische redenen. De werknemer is sinds 16 augustus 2021 in dienst en heeft in het verleden meldingen gemaakt van intimidatie en racisme. De werkgever heeft een ontslagvergunning aangevraagd bij het UWV, maar deze is geweigerd vanwege onvoldoende herplaatsingsinspanningen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de gestelde bedrijfseconomische redenen een redelijke grond vormen voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Er is geen sprake van een opzegverbod wegens ziekte of overgang van onderneming. De werkgever is veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding en de uitbetaling van 89 opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de werkgever voldoende heeft aangetoond dat de functie van de werknemer geen toegevoegde waarde meer had en dat de herplaatsingsverplichtingen zijn nageleefd. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang van 1 maart 2026.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer / rekestnummer: 11915450 \ AO VERZ 25-41
Beschikking van 12 januari 2026
in de zaak van
AXA REAL ESTATE INVESTMENT MANAGERS NEDERLAND B.V.,
te Amsterdam,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: AXA,
gemachtigde: mr. T.G. Bijlsma,
tegen
[verweerder],
te [plaats],
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder],
gemachtigde: mr. M.S.R. Dijkstra.
De zaak in het kort
De werknemer is sinds 16 augustus 2021 in dienst bij de werkgever. De werkgever heeft een ontslagvergunning aangevraagd bij het UWV, maar het UWV heeft de ontslagaanvraag geweigerd vanwege onvoldoende herplaatsingsinspanningen door de werkgever. De werkgever verzoekt daarom in deze procedure dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt wegens bedrijfseconomische redenen. De kantonrechter oordeelt dat de gestelde bedrijfseconomische redenen een redelijke grond vormen voor ontbinding. De werkgever moet de transitievergoeding betalen en 89 opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen.

1.De procedure

1.1.
AXA heeft op 7 oktober 2025 een verzoekschrift met 27 bijlagen ingediend, waarin zij verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Op 1 december 2025 heeft de toenmalige gemachtigde van [verweerder] een verweerschrift ingediend, dat op 2 december 2025 door [verweerder] zelf is opgesteld, met 45 bijlagen. Daarbij heeft [verweerder] tevens een verzoek om uitstel gedaan vanwege een wijziging in de procesvertegenwoordiging. Met instemming van AXA is de mondelinge behandeling verplaatst naar 15 december 2025.
1.2.
Op verzoek van de kantonrechter heeft [verweerder] op 9 december 2025 een vervangend verweerschrift ingediend dat voldoet aan de eisen van het toepasselijke procesreglement. Op 11 december 2025 om 20.10 uur heeft de nieuwe gemachtigde van [verweerder] opnieuw een uitstelverzoek ingediend met daaraan gehecht bijlagen 45 t/m 47. Dit uitstelverzoek is niet gehonoreerd.
1.3.
Op 15 december 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [verweerder] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. AXA en de gemachtigden hebben hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. AXA heeft ook spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Vóór de mondelinge behandeling heeft AXA bij e-mail van 11 december 2025 nog een aanvullende productie toegezonden.

2.De feiten

2.1.
[verweerder], geboren [geboortedatum] 1990, is sinds 16 augustus 2021 in dienst bij AXA. De functie van [verweerder] is Legal and Corporate Officer met een loon van € 5.000,- bruto per maand.
2.2.
Op 16 april 2023 heeft [verweerder] via de interne klokkenluiderskanalen van AXA een melding gemaakt dat zij – kort gezegd - slachtoffer is van intimidatie en racisme door sommige collega’s. In juli 2024 heeft [verweerder] een tweede melding gedaan.
2.3.
Op 21 juni 2023 heeft [verweerder] zich ziekgemeld.
2.4.
Op 17 maart 2025 is [verweerder] volledig hersteld gemeld.
2.5.
Op 24 maart 2025 heeft AXA een voorlopige ontslagaanvraag ingediend bij het UWV wegens bedrijfseconomische omstandigheden.
2.6.
Op 25 maart 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de heer [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), Global HR Business Partner, en [verweerder] over het verval van haar functie en waarbij haar een vaststellingsovereenkomst is aangeboden.
2.7.
Op 1 mei 2025 heeft AXA een definitieve ontslagaanvraag ingediend bij het UWV.
2.8.
Op 1 juli 2025 is AXA (IM-groep) overgenomen door BNP Paribas.
2.9.
Op 7 augustus 2025 heeft het UWV na meerdere schriftelijke rondes de ontslagaanvraag geweigerd. Het UWV heeft geoordeeld dat AXA niet heeft voldaan aan de herplaatsingsverplichting.
2.10.
Op 26 augustus 2025 heeft [betrokkene 1] [verweerder] uitgenodigd voor een herplaatsingsgesprek.
2.11.
Op 29 augustus 2025 heeft [verweerder] onder meer laten weten dat zij dit gesprek met een andere vertegenwoordiger van AXA wil voeren en met betrokkenheid van BNP Paribas.
2.12.
Op 10 september 2025 heeft AXA [verweerder] uitgenodigd voor een herplaatsingsgesprek op 12 september 2025 met een collega van [betrokkene 1], de heer [betrokkene 2], Global HR Business Partner.
2.13.
Op 11 en 12 september 2025 heeft [verweerder] afwijzend gereageerd op de uitnodiging.
2.14.
Op 19 september 2025 heeft AXA [verweerder] opnieuw uitgenodigd voor een herplaatsingsgesprek op 22 september 2025. Ook deze uitnodiging heeft [verweerder] afgewezen.
2.15.
AXA heeft vervolgens een herplaatsingsonderzoek verricht en haar bevindingen in een herplaatsingsrapport vastgelegd. Dit rapport heeft AXA op 1 oktober 2025 gedeeld met [verweerder] (en haar toenmalige gemachtigde). De conclusie luidt dat er in Nederland geen passende functies zijn voor [verweerder] en dat het onduidelijk is of [verweerder] openstaat voor functies buiten Nederland. Bij email van 9 december 2025 heeft AXA [verweerder] bericht dat er sinds het rapport van 1 oktober 2025 zes nieuwe juridische functies in Frankrijk beschikbaar zijn gekomen, maar dat deze functies voor haar niet passend zijn.

3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1.
AXA verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, primair vanwege bedrijfseconomische omstandigheden, subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding, onder toekenning van de wettelijke transitievergoeding.
3.2.
AXA heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat de functie van [verweerder] is vervallen wegens bedrijfseconomische redenen, welke beslissing noodzakelijk is geweest in het kader van een doelmatige bedrijfsvoering. De functie is destijds in het leven geroepen om een efficiëntieslag te realiseren, maar de beoogde werkverlichting is uitgebleven. Integendeel, de invoering van de functie heeft juist geleid tot gecompliceerdere werkprocessen en meer werk. De functie is uniek en [verweerder] is de eerste en enige geweest die deze functie heeft vervuld. AXA heeft in redelijkheid tot het besluit kunnen komen om de functie te laten vervallen en zij heeft ruimschoots voldaan aan haar herplaatsingsverplichtingen.
3.3.
Verder heeft AXA gesteld dat sprake is van een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie. [verweerder] weigert het gesprek aan te gaan en heeft zich jegens AXA herhaaldelijk vijandig, beschuldigend en negatief opgesteld, waaruit blijkt dat [verweerder] niet bereid is om op constructieve wijze met AXA in overleg te treden. Voor AXA is de arbeidsverhouding inmiddels onherstelbaar beschadigd.
3.4.
[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [verweerder] voert – samengevat – in de eerste plaats aan dat de ontslagbeslissing niet is genomen door een daartoe bevoegd orgaan en iedere vorm van gedocumenteerde en inhoudelijke besluitvorming van de feitelijk werkgever ontbeert. Daarnaast geldt een opzegverbod wegens ziekte en/of overgang van onderneming, terwijl het verzoek rechtstreeks verband houdt met door [verweerder] gedane klokkenluidersmeldingen, wat ontbinding in strijd maakt met het wettelijke benadelingsverbod. Er is bovendien geen sprake van verval van de functie van [verweerder] en evenmin is voldaan aan de herplaatsingsverplichtingen. Verder heeft AXA haar re-integratieverplichtingen niet nageleefd en maakt zij misbruik van procesrecht door de bevoegdheid van het indienen van een ontbindingsverzoek aan te wenden om een vooraf vaststaand resultaat (het ontslag) achteraf te legitimeren. De beslissing om [verweerder] te ontslaan is al tijdens haar arbeidsongeschiktheid genomen.
3.5.
Ten slotte is volgens [verweerder] geen sprake van een objectief en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie. Voor zover al sprake zou zijn van spanningen, zijn deze het gevolg van eigen verwijtbaar handelen, nalaten en mismanagement aan de zijde van AXA, zodat dit niet aan [verweerder] kan worden tegengeworpen.
3.6.
Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding van minimaal
€ 320.000,-. Daarnaast verzoekt [verweerder] om een correcte eindafrekening, waaronder uitbetaling van 89 opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen. Tot slot verzoekt [verweerder] vanwege haar verblijf in Nederland op basis van een kennismigrantenvisum een latere ontbindingsdatum te bepalen dan de opzegtermijn voorschrijft.

4.De beoordeling van het verzoek en de tegenverzoeken

4.1.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. [1] Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. [2] Verder mag er geen opzegverbod aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staan. [3]
4.2.
AXA heeft primair verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens bedrijfseconomische redenen (de a-grond). [4] De kantonrechter is bevoegd hierover te oordelen, omdat het UWV bij eerdergenoemd besluit heeft geweigerd op die grond aan AXA toestemming te geven om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op te zeggen. [5]
Opzegverbod tijdens ziekte
4.3.
In de eerste plaats heeft [verweerder] zich beroepen op het opzegverbod tijdens ziekte. Daartoe heeft [verweerder] gesteld dat zij, in weerwil van haar hersteldmelding per 17 maart 2025, onafgebroken arbeidsongeschikt is gebleven sinds haar ziekmelding op 21 juni 2023.
4.4.
De kantonrechter stelt vast dat [verweerder] per 17 maart 2025 na een opbouwtraject en met instemming van de arbodienst volledig hersteld is gemeld. Vaststaat verder dat [verweerder] deze hersteldmelding nadien niet ter discussie heeft gesteld en zich ook niet opnieuw heeft ziekgemeld. Pas op de zitting heeft [verweerder] voor het eerst aangevoerd dat zij zich achteraf bezien niet met de hersteldmelding kon verenigen en dat zij meent dat van onafgebroken arbeidsongeschikt sprake is geweest. Onder deze omstandigheden ziet de kantonrechter geen aanleiding om [verweerder] alsnog (met terugwerkende kracht) arbeidsongeschikt te achten over de periode na 17 maart 2025. Dat geldt temeer nu [verweerder] reeds geruime tijd wordt bijgestaan door een gemachtigde.
4.5.
Met betrekking tot de medische stukken die [verweerder] in dit verband heeft overgelegd overweegt de kantonrechter dat deze stukken vlak voor de zitting zijn ingediend en niet ter beschikking zijn gesteld aan (de gemachtigde van) AXA. AXA heeft dus geen kennis kunnen nemen van de inhoud van de stukken en zich daarover niet behoorlijk kunnen uitlaten. De kantonrechter zal deze medische stukken daarom buiten beschouwing laten.
4.6.
Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat, zelfs indien zou worden uitgegaan van de juistheid van het standpunt van [verweerder] dat sprake is geweest van onafgebroken arbeidsongeschiktheid sinds 21 juni 2023, de in artikel 7:670 lid 1 BW bedoelde termijn van 104 weken in dat geval is geëindigd op of omstreeks 20 juni 2025. Het ontbindingsverzoek is door AXA ingediend op 7 oktober 2025, derhalve na het verstrijken van deze termijn. Ook in dat scenario kan [verweerder] geen beroep meer doen op het opzegverbod tijdens ziekte, omdat dit verbod niet langer van toepassing is.
4.7.
Gelet op het voorgaande slaagt het beroep van [verweerder] op het opzegverbod tijdens ziekte niet.
Opzegverbod wegens overgang van onderneming
4.8.
[verweerder] stelt verder dat sprake is van een opzegverbod wegens overname van onderneming zoals bedoeld in artikel 7:670 lid 8 BW. Van zo’n verbod is sprake als de opzegging van de arbeidsovereenkomst is gedaan
wegensde overgang van de onderneming. AXA heeft gemotiveerd weersproken dat daarvan sprake is. Zij heeft daartoe aangevoerd dat AXA sinds 1 juli 2025 onderdeel uitmaakt van het BNP-concern, als gevolg van een aandelentransactie en waarbij de organisatie van AXA volledig intact is gebleven. Het betreft dus een aandelenoverdracht waar artikel 7:670 lid 8 BW niet op ziet. [verweerder] heeft daar op de zitting niet meer op gereageerd.
4.9.
Gelet op het voorgaande faalt het beroep van [verweerder] op het opzegverbod wegens overgang van onderneming bij gebrek aan voldoende onderbouwing.
Klokkenluidersbescherming
4.10.
[verweerder] beroept zich verder op de bescherming die voortvloeit uit de Wet bescherming klokkenluiders en heeft daartoe aangevoerd dat zij bij AXA meerdere meldingen heeft gemaakt van vermoedens van misstanden. Volgens [verweerder] staat deze bescherming eraan in de weg dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd.
4.11.
Vaststaat dat [verweerder] op 16 april 2023 en in juni 2024 interne meldingen heeft gedaan via de daarvoor bestemde klokkenluiderskanalen. Tijdens de zitting heeft AXA nader toegelicht dat de tweede melding een uitbreiding van de eerdere melding betrof en dat beide meldingen gezamenlijk zijn behandeld en onderzocht. Het onderzoek heeft geleid tot de conclusie dat de meldingen ongegrond waren. [verweerder] heeft deze toelichting niet weersproken. Vaststaat verder dat de eerste melding aanvankelijk niet direct inhoudelijk kon worden behandeld, omdat [verweerder] onvoldoende medewerking verleende.
4.12.
Nu AXA geen nadere informatie heeft verstrekt over de inhoud en aard van de uitbreiding van de melding die in juni 2024 is gedaan, anders dan dat deze betrekking zou hebben op belastingfraude, houdt de kantonrechter het ervoor dat [verweerder] bescherming geniet op grond van de klokkenluidersregeling. Dit brengt mee dat het, overeenkomstig het wettelijke kader, op de weg van AXA ligt om aannemelijk te maken dat het verzoek om ontbinding geen verband houdt met de door [verweerder] gedane meldingen.
4.13.
AXA heeft naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat van een dergelijk verband geen sprake is. Daarbij is met name van belang het tijdsverloop tussen de meldingen op 16 april 2023 en in juni 2024 enerzijds, en het ontbindingsverzoek anderzijds, alsmede dat het verzoek tot ontbinding primair is gebaseerd op bedrijfseconomische omstandigheden. De kantonrechter is van oordeel dat deze bedrijfseconomische grond voldoende dragend is voor het verzoek. Hierna zal worden toegelicht waarom dat het geval is.
Bedrijfseconomische omstandigheden (a-grond)
4.14.
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van bedrijfseconomische omstandigheden toetst de kantonrechter het verzoek aan dezelfde (wettelijke) criteria als het UWV. [6] Het UWV toetst een ontslagaanvraag wegens bedrijfseconomische omstandigheden aan de Ontslagregeling, de Regeling Ontslagprocedure UWV en de Uitvoeringsregels. De kantonrechter is niet gebonden aan de in de Uitvoeringsregels neergelegde bepalingen [7] , maar zal daar wel acht op slaan. De beoordeling van de kantonrechter geldt niet als een beoordeling in hoger beroep van de beslissing van het UWV. Het gaat om een zelfstandig te beoordelen verzoek.
4.15.
Uitgangspunt is dat het AXA vrij staat om voor een bepaalde bedrijfsvoering en inrichting van haar onderneming te kiezen, ook als dat leidt tot een organisatieverandering met verlies van arbeidsplaatsen. Bij de toetsing van de keuze van de werkgever door de kantonrechter past dan ook een bepaalde mate van terughoudendheid. De werkgever moet zich wel voor haar keuze verantwoorden door onder meer het structureel vervallen van arbeidsplaatsen aannemelijk te maken.
4.16.
De kantonrechter is van oordeel dat AXA in voldoende mate heeft aangetoond dat sprake is van bedrijfseconomische omstandigheden die het vervallen van de functie van [verweerder] rechtvaardigen. Daarbij is het volgende van belang.
4.17.
AXA heeft aangevoerd dat de functie van [verweerder] is komen te vervallen wegens bedrijfseconomische omstandigheden. Met de invoering van deze functie in 2021 werd beoogd efficiënter en sneller te werken door centralisatie van een aantal gemeenschappelijke werkzaamheden van de financial controllers. Iedere financial controller is verantwoordelijk voor een aantal assets. Hoewel deze assets elk hun eigen specifieke kenmerken hebben, zijn er ook gemeenschappelijke werkzaamheden (corporate secretariële taken), zoals het doorlopen van KYCprocedures, het openen van bankrekeningen en het oprichten van juridische entiteiten. De functie van [verweerder] was bedoeld om deze werkzaamheden centraal te coördineren en daarmee de werkdruk van de financial controllers te verminderen. AXA heeft toegelicht dat deze doelstelling in de praktijk niet is bereikt. Vanwege de unieke kenmerken van iedere asset diende [verweerder] telkens eerst door de betreffende financial controller te worden geïnformeerd. Daarnaast verrichtte [verweerder] de secretariële werkzaamheden niet zelf, maar coördineerde zij deze met een derde partij. Deze derde partij zorgde voor het oprichten van de juridische entiteiten (SPV’s) die nodig waren voor de aankoop van de assets. Omdat de financial controllers eindverantwoordelijk bleven, moesten zij het door [verweerder] verrichte werk vervolgens weer controleren. Deze werkwijze leidde tot extra afstemming, vertraging en dubbel werk. AXA heeft op grond hiervan besloten de werkzaamheden anders te organiseren. De meer inhoudelijke taken worden thans deels weer door de financial controllers zelf uitgevoerd, met ondersteuning van twee leidinggevenden, en een deel van de taken is herbelegd bij de bestaande office manager. Daarmee is de werkwijze gelijkgetrokken met andere landen en de functie van [verweerder] is daarmee komen te vervallen. AXA heeft benadrukt dat het een unieke functie betrof en dat binnen AXA (IM-groep) geen andere gelijksoortige functies bestaan.
4.18.
[verweerder] heeft aangevoerd dat zij steeds naar volle tevredenheid heeft gefunctioneerd. Verder stelt zij dat haar functie niet is vervallen, nu de werkzaamheden die zij verrichtte nog steeds binnen de organisatie worden uitgevoerd. Volgens [verweerder] is bovendien geen sprake van een unieke functie en bestaan er binnen de organisatie, waaronder bij de Luxemburgse entiteit, gelijke functies. Daarnaast heeft [verweerder] betoogd dat AXA geen objectief bewijs heeft geleverd voor de noodzaak om haar functie te laten vervallen. Ten slotte stelt [verweerder] dat AXA een trustkantoor is en daarom wettelijk verplicht is een compliancefunctie te hebben.
4.19.
Het functioneren van [verweerder] staat als zodanig niet ter discussie, maar is niet bepalend voor de vraag of sprake is van bedrijfseconomische omstandigheden die het vervallen van de functie rechtvaardigen. Die vraag dient los daarvan te worden beoordeeld.
De kantonrechter is van oordeel dat AXA voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de functie van [verweerder] bedrijfseconomisch geen toegevoegde waarde (meer) had. Uit de toelichting van AXA volgt dat de introductie van de functie niet heeft geleid tot de beoogde werkverlichting, maar juist tot extra afstemming, vertraging en dubbel werk. AXA heeft in redelijkheid mogen besluiten de werkzaamheden anders te organiseren en de functie te laten vervallen. Dat bepaalde werkzaamheden blijven bestaan, betekent niet dat de functie als zodanig is blijven bestaan, nu deze structureel zijn herverdeeld over andere functies.
De stelling van [verweerder] dat geen sprake is van een unieke functie is, tegenover het gemotiveerde standpunt van AXA, onvoldoende onderbouwd. AXA heeft aan de hand van de functieomschrijving inzichtelijk gemaakt welke werkzaamheden tot de functie van [verweerder] behoorden en dat deze niet overeenkomen met andere functies binnen de organisatie. Ook de verwijzing van [verweerder] naar een vermeend gelijke functie binnen de Luxemburgse entiteit van AXA treft geen doel. AXA heeft terecht aangevoerd dat deze werknemers in dienst zijn van een andere juridische entiteit en dat op hun arbeidsovereenkomsten bovendien het Luxemburgs recht van toepassing is. Deze functies kunnen daarom niet worden betrokken bij de beoordeling van de uitwisselbaarheid van functies en of het afspiegelingsbeginsel toepassing vindt. Overigens heeft AXA ook overtuigend toegelicht dat de functies niet vergelijkbaar zijn, omdat in de Luxemburgse functies sprake is van een breder takenpakket: de Legal and Corporate Officer verricht daar zelf de corporate secretariële taken (waaronder het oprichten van juridische entiteiten), terwijl [verweerder] dat enkel coördineert.
4.20.
Het betoog van [verweerder] dat AXA een trustkantoor is en daarom wettelijk verplicht zou zijn een compliance-functie te hebben, gaat evenmin op. Vaststaat dat AXA niet staat ingeschreven in het register van trustkantoren, zodat reeds daarom niet kan worden aangenomen dat op AXA een dergelijke verplichting rust. Nog daargelaten dat het niet aan [verweerder] is om te bepalen hoe AXA een dergelijke functie zou moeten invullen.
4.21.
Een eis dat AXA objectief bewijs zou moeten overleggen voor de bedrijfseconomische noodzaak bestaat niet. De door AXA gegeven toelichting is voldoende. Alles overziend heeft AXA, met inachtneming van de haar toekomende beleidsvrijheid, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de functie van [verweerder] geen toegevoegde waarde (meer) heeft en dat het vervallen van deze functie bedrijfseconomisch noodzakelijk is.
Herplaatsing
4.22.
De kantonrechter stelt voorop dat de herplaatsingsverplichting van de werkgever een inspanningsverplichting betreft en dat deze ex nunc dient te worden beoordeeld. Daarbij geldt dat herplaatsing een gezamenlijke verantwoordelijkheid is, waarbij van zowel werkgever als werknemer een actieve en constructieve houding mag worden verwacht.
4.23.
Op 25 maart 2025 heeft AXA met [verweerder] een gesprek gevoerd over het vervallen van haar functie. Tijdens dat gesprek heeft AXA aangegeven dat er naar haar oordeel geen passende functies binnen AXA voorhanden zijn. Direct na dit gesprek heeft AXA [verweerder] per e-mail een link toegestuurd naar de interne vacaturepagina, met de mededeling dat zij bij interesse contact kon opnemen. Nadat een reactie van [verweerder] uitbleef, heeft AXA circa twee weken later opnieuw een e-mail gestuurd naar [verweerder], opnieuw met de link naar de interne vacaturepagina en de mededeling dat [verweerder] zich kon melden indien zij belangstelling had voor een functie. Het UVW heeft deze inspanningen als onvoldoende beoordeeld en de ontslagaanvraag op die grond afgewezen.
4.24.
Na de afwijzing van de ontslagaanvraag op 7 augustus 2025 heeft AXA herhaaldelijk geprobeerd met [verweerder] in contact te komen om herplaatsingsmogelijkheden nader te bespreken en is zij [verweerder] tegemoetgekomen door een andere contactpersoon aan te wijzen. De reacties van [verweerder] bestonden echter voornamelijk uit het stellen van voorwaarden, verwijten en beschuldigingen, zonder bereidheid tot inhoudelijk overleg. Omdat overleg uitbleef, heeft AXA vervolgens zelfstandig een herplaatsingsonderzoek uitgevoerd. Het daarvan opgestelde rapport is op 1 oktober 2025 gedeeld met [verweerder].
4.25.
De kantonrechter is van oordeel dat dit herplaatsingsonderzoek voldoende zorgvuldig en inzichtelijk is uitgevoerd. AXA heeft hiermee concreet en navolgbaar inzicht gegeven in de beschikbare functies en de redenen waarom deze niet passend zijn voor [verweerder], waarbij ook BNP Paribas is betrokken. [verweerder] heeft dit onderzoek, ook in deze procedure, niet inhoudelijk gemotiveerd weersproken.
4.26.
Indien [verweerder] van oordeel is dat er wel passende functies voorhanden zijn, had het op haar weg gelegen om dit concreet te maken door aan te geven om welke functies het zou gaan. Dat heeft [verweerder] nagelaten. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat AXA voldoende heeft aangetoond dat zij aan haar herplaatsingsverplichtingen heeft voldaan. Meer kon in de gegeven omstandigheden niet van AXA worden gevergd.
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst
4.27.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst met [verweerder] zal worden ontbonden. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 maart 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure. [8] Er bestaat geen wettelijke grondslag voor het bepalen van een latere ontbindingsdatum, zoals door [verweerder] is verzocht.
4.28.
Dit heeft ook tot gevolg dat geen sprake is van misbruik van procesrecht of bevoegdheden of slecht werkgeverschap, zoals door [verweerder] nog is aangevoerd. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het ontslagbesluit onbevoegd is genomen. Anders dan [verweerder] meent is er geen formeel besluit van AXA nodig om de functie van [verweerder] te laten vervallen. De door het management van AXA gegeven goedkeuring (“Statement from Management”) is voldoende en bovendien is het verzoekschrift ingediend door de juridisch en feitelijk werkgever van [verweerder].
Transitievergoeding
4.29.
Partijen zijn het erover eens dat [verweerder] recht heeft op een transitievergoeding, maar verschillen van mening over de hoogte. Het geschilpunt betreft de bonus.
4.30.
[verweerder] rekent met een gemiddelde bonus van € 500,- bruto per maand, terwijl AXA uitgaat van € 138,89 bruto per maand. Volgens artikel 3 lid 1 sub c van het Besluit loonbegrip en transitievergoeding moet bij de berekening van de transitievergoeding worden gekeken naar de gemiddelde bonus over de drie kalenderjaren voorafgaand aan het einde van het dienstverband. Vaststaat dat [verweerder] in die periode alleen in 2023 een bonus van
€ 5.000,- bruto heeft ontvangen. Voor 2024 en 2025 is geen bonus toegekend. Het gemiddelde over de drie jaar is daarmee inderdaad € 138,89 bruto per maand, zoals door AXA is berekend. Bij de berekening van de transitievergoeding wordt dan ook uitgegaan van dit bedrag.
4.31.
Uitgaande van een dienstverband van vier jaar, zes maanden en 13 dagen en een bruto maandsalaris van € 5.138,89, bedraagt de transitievergoeding € 8.409,41 bruto. Daartoe zal AXA worden veroordeeld.
Eindafrekening inclusief uitbetaling opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen
4.32.
[verweerder] heeft verzocht dat haar een correcte eindafrekening wordt verstrekt, waaronder de uitbetaling van 89 opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen. AXA heeft tegen dit verzoek geen gemotiveerd verweer gevoerd. Aan het op de zitting gedane aanbod om alsnog stukken hiervan in te brengen wordt voorbijgegaan. Het lag op de weg van AXA om in een eerder stadium de relevante stukken, bijvoorbeeld een verlofregistratie of andere administratieve gegevens, in het geding te brengen. Dat heeft AXA niet gedaan, hetgeen voor haar rekening en risico komt.
4.33.
Gelet hierop wordt het verzoek van [verweerder] toegewezen.
Billijke vergoeding
4.34.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen. De ontbinding van de arbeidsovereenkomst is gebaseerd op een redelijke grond, te weten bedrijfseconomische omstandigheden, en er zijn feiten of omstandigheden komen vast te staan waaruit ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van AXA volgt.
4.35.
Gelet hierop wordt aan de beoordeling of AXA aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan niet toegekomen.
4.36.
AXA hoeft geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden.
4.37.
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft.

5.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
5.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 maart 2026,
5.2.
veroordeelt AXA om aan [verweerder] te betalen een transitievergoeding van
€ 8.409,41 bruto,
5.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
5.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [9] ,
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
op het tegenverzoek
5.6.
veroordeelt AXA om aan [verweerder] te betalen het netto-equivalent van 89 opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen, te berekenen op basis van het laatstgenoten loon,
5.7.
veroordeelt AXA om aan [verweerder] een deugdelijke eindafrekening te verstrekken,
5.8.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
5.9.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.10.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Slijkhuis en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 7:669 lid 1 BW.
3.Artikel 7:671b lid 2 BW.
4.Artikel 7:669 lid 3, onderdeel a BW.
5.Artikel 7:671b lid 1 sub b BW
6.Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3
7.HR 13-07-2018, ECLI:NL:HR:2018:1212
8.Artikel 7:671b lid 9, onder a, BW.
9.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.