ECLI:NL:RBNHO:2026:1525

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
15/240133-21
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 55 SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 2 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen invoer en voorbereiding van cocaïne met gevangenisstraf van 54 maanden

De rechtbank Noord-Holland heeft op 12 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die wordt verweten medeplegen van het opzettelijk binnenbrengen van cocaïne in Nederland en medeplegen van voorbereidingshandelingen daartoe.

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte de gebruiker was van twee telefoonnummers die centraal stonden in de communicatie over de drugssmokkel. Uit chatberichten, telefoongegevens en stemherkenning blijkt dat de verdachte een organiserende en faciliterende rol had bij het regelen van meerdere koeriers, het boeken van vluchten, het aansturen van medeverdachten en het ontvangen van informatie over de smokkel.

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van betrokkenheid bij enkele koeriers wegens onvoldoende bewijs, maar verklaart hem schuldig aan medeplegen van invoer en voorbereidingshandelingen met betrekking tot andere koeriers, waaronder een zaak met ruim twaalf kilo cocaïne. De strafmaat wordt bepaald op 54 maanden gevangenisstraf, met een korting van 25% wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij rekening is gehouden met de ernst van de feiten, de omvang van de smokkel en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank benadrukt de schadelijke gevolgen van cocaïnehandel en de rol van de verdachte in het internationale drugscircuit. De straf wordt volledig uitgevoerd in detentie, met aftrek van voorarrest.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 54 maanden gevangenisstraf voor medeplegen invoer en voorbereiding van cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/240133-21 (P)
Uitspraakdatum: 12 februari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 januari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats],
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de penitentiaire inrichting Veenhuizen, locatie Norgerhaven.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. M. Duin, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. A.S. Sewgobind, advocaat te [geboorteplaats], naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

De verdachte wordt verweten dat hij zich, kort en zakelijk weergegeven, schuldig heeft gemaakt aan de volgende feiten:
feit 1: het medeplegen van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne in of omstreeks de periode van 21 augustus 2020 tot en met 18 januari 2021;
feit 2: het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne in of omstreeks de periode van 1 augustus 2020 tot en met 18 januari 2021.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

2.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot partiële vrijspraak van feit 1 ten aanzien van de koeriers [achternaam 1] (zaaksdossier C1) en [achternaam 2] (zaaksdossier C7) en tot bewezenverklaring van het overige ten laste gelegde.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht de verdachte integraal vrij te spreken. Subsidiair heeft de raadsman zich ten aanzien van zaaksdossier C6 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verweren zullen, voor zover relevant, bij de beoordeling van het bewijs besproken worden.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot een (gedeeltelijke) bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.2.
Nadere bewijsoverwegingen
De verdachte wordt verweten dat hij betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne door meerdere koeriers en van voorbereidingshandelingen daartoe. In het onderzoek zijn onder meer de telefoonnummers [telefoonnummer 1] (hierna ook: 1075) met alias ‘[naam 1]’ en [telefoonnummer 2] (hierna ook: 4055) met alias ‘[naam 2]’ in beeld gekomen als betrokken bij de organisatie van de ten laste gelegde feiten. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de verdachte de gebruiker is geweest van deze telefoonnummers.
3.3.2.1. Identificatie verdachte als gebruiker van de telefoonnummers 1075 en 4055
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte de gebruiker is geweest van deze telefoonnummers en betrekt hierbij de volgende feiten en omstandigheden.
1075
Uit het dossier volgt allereerst dat de gebruiker van het nummer 1075 ‘[naam 1]’ wordt genoemd, wat een afkorting kan zijn van ‘[voornaam 1]’, de voornaam van de verdachte. Ook bevat het dossier een chatgesprek van 25 november 2020 tussen de medeverdachte [naam 3] en ‘[naam 4]’. [naam 4] betekent in het Papiaments ‘de vriendin van [naam 1]’. In dat gesprek wordt door [naam 4] naar [naam 3] gestuurd dat ‘[naam 1]’ vandaag wel is gegaan en er wordt een afbeelding gestuurd van een man met rastahaar die een vliegtuig in wordt begeleid. Dat komt overeen met een mutatie uit de politiesystemen waaruit blijkt dat de verdachte op 25 november 2020 middels militaire bijstand van Curaçao naar Nederland is vervoerd.
Daar komt bij dat het dossier een screenshot (dossierpagina 922) bevat van een Facetimegesprek tussen [naam 3] en het telefoonnummer 1075 met alias ‘[naam 1]’. Op het screenshot zijn twee mannen te zien, waarbij de ene man wordt herkend als [naam 3], en de andere man volgens de politie sterke gelijkenissen vertoont met de verdachte.
4055
Uit het dossier volgt ook dat de gebruiker van het nummer eindigend op 4055 met alias ‘[naam 2]’ op 16 oktober 2020 naar [naam 3] stuurt “Ik ben veranderd man”, dat hij iets ging regelen maar dat het fout ging en dat het hem veel hoofdpijn gaf. Uit het dossier blijkt dat koerier [naam 5] (zaaksdossier C6), ten aanzien waarvan de verdachte hieronder als medepleger van invoer zal worden aangemerkt, een dag eerder op Schiphol is aangehouden met ruim twaalf kilogram cocaïne in zijn koffer. Op 22 oktober 2020 wordt door de gebruiker van 4055 naar [naam 3] (door)gestuurd dat [naam 3] € 50,00 moet overmaken, stuurt daarbij een foto van het paspoort van koerier [naam 5] en vraagt “hoe was het gegaan met namens mij 50 euro zetten voor die klojo die vast zit”. Na 16 oktober 2020 zijn geen berichten meer door het nummer 1075 ([naam 1]) naar [naam 3] gestuurd.
De politie heeft op basis van de klank en intonatie van afgeluisterde voiceberichten geverbaliseerd dat de gebruiker van telefoonnummers 1075 ([naam 1]) en 4055 ([naam 2]) dezelfde persoon betreft.
Conclusie
De rechtbank is op grond van het bovenstaande, in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de gebruiker was van het telefoonnummers eindigend op 1075 en 4055.
Het verweer van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de stemherkenning van de gebruiker van de nummers 1075 en 4055 als dezelfde persoon niet voor het bewijs gebruikt kan worden, omdat deze herkenning is gedaan door verbalisanten en niet door een deskundige. De rechtbank ziet, mede in het licht van de overige bewijsmiddelen, echter geen reden om aan deze vaststelling van verbalisanten te twijfelen.
3.3.2.2. De invoer van cocaïne door koerier [achternaam 1] (zaaksdossier C1)
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat de verdachte betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne door [achternaam 1] dan wel bij de voorbereiding daarvan. De verdachte zal daarom partieel worden vrijgesproken van beide feiten.
3.3.2.3. De invoer van cocaïne door koeriers [naam 6], [naam 7] en [naam 8] (zaaksdossier C2)
Op 18 januari 2021 zijn [naam 6], zijn partner [naam 7] en diens vriendin [naam 8] vanuit Curaçao aangehouden op de luchthaven Schiphol. Na onderzoek bleek dat zij alle drie bollen met cocaïne in hun lichaam vervoerden. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij contact heeft gelegd tussen [naam 6], [naam 7] en [naam 8] en een medeverdachte en dat het plan was om te smokkelen.
Het telefoonnummer +[telefoonnummer 3] was in gebruik bij de medeverdachte [naam 3]. Uit de telefoongegevens van [naam 3] blijkt dat hij voorafgaand aan de invoer contact had met de gebruiker van het telefoonnummer +[telefoonnummer 4] onder de naam ‘[voornaam 2]’. Uit onderzoek is gebleken dat dit koerier [naam 6] betreft. Uit hun onderlinge chatgesprekken blijkt dat [naam 6] op verzoek van [naam 3] foto’s van de paspoorten van hemzelf, [naam 7] en [naam 8] stuurt. Er wordt gesproken over tickets en een verblijfplaats. [naam 3] stuurt dat hij ook wil ‘eten’ en dat hij echt blij is als [naam 6] gaat.
Het dossier bevat ook uitgewerkte Teliogesprekken tussen [naam 3] en de verdachte vanuit detentie. In deze gesprekken zegt de verdachte tegen [naam 3] dat zij [voornaam 2] onder controle moeten hebben. Op 17 december 2020 zegt [naam 3] tegen de verdachte dat de man gisteren wat heeft ‘gebookt’ voor hem en zijn vrouw en dat het bijna € 1.500,00 kostte. De verdachte zegt dat de man niet kan bepalen en vraagt vervolgens het telefoonnummer van de man aan [naam 3], zodat hij hem zelf gaat bellen. [naam 3] noemt vervolgens het telefoonnummer van [naam 6]. Op 23 december 2020 spreken zij onderling weer over [voornaam 2]. De verdachte zegt dat [naam 3] een serieus gesprek moet voeren met [voornaam 2], dat hij controle moet hebben en dat [naam 3] tegen de verdachte moet zeggen wat ze gaan doen. Hij zegt dat ze voor drie moeten kopen maar dat hij het echtpaar en de vriendin apart aan de andere kant wil laten gaan, omdat als er één fout gaat het anders voor hen allen is verkloot.
Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de verdachte met [naam 3] heeft gesproken over het door [naam 6], [naam 7] en [naam 8] uit te voeren drugstransport. Zij zijn alle drie op Schiphol aangehouden met cocaïne in hun lichaam. De verdachte heeft een significante rol gespeeld bij (de voorbereiding van) deze invoer. Hij heeft [naam 6], [naam 7] en [naam 8] geregeld als smokkelaar, is betrokken geweest bij het regelen van de vlucht en stuurt een medeverdachte aan.
Alternatief scenario verdediging
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij via Telio wel heeft gesproken over een plan om te smokkelen en dat hij daartoe contact had gelegd tussen de drie namen en een medeverdachte, maar dat de smokkel niet is doorgegaan omdat ze teveel eisen hadden. De koerier [naam 6] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij wel heeft gesproken met [naam 3] om de reis te maken, maar dat hij uiteindelijk niets voor hem heeft gedaan.
De rechtbank volgt dit alternatieve scenario niet. Tussen [naam 6] en [naam 3] en tussen [naam 3] en de verdachte is gesproken over de smokkel door [naam 6], zijn partner en diens vriendin. Op 18 januari 2021 hebben zij daadwerkelijk cocaïne ingevoerd in Nederland. De smokkel van het drietal is exact gegaan zoals in de voornoemde chats onderling is besproken. Het dossier bevat geen aanknopingspunten voor de beweerde situatie dat er nog een - onbekend gebleven - persoon tussen is gekomen voor wie de cocaïne uiteindelijk is gesmokkeld. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank dit scenario niet aannemelijk en wordt aan dit verweer voorbijgegaan.
3.3.2.4. De invoer van cocaïne door koerier [naam 9] (zaaksdossier C3)
Op 7 september 2020 is [naam 9] op Curaçao aangehouden op de luchthaven te Hato. [naam 9] droeg onder zijn broek een geprepareerde boxershort met daarin drie pakketten. De pakketten bevatten samen bijna 1500 gram witachtig poeder. Het poeder werd getest en gaf een blauwe kleurreactie, waardoor werd aangenomen dat het poeder cocaïne betrof. [naam 9] verklaarde dat hij wist dat het cocaïne was en dat zijn doel was om dit naar Nederland te vervoeren.
Vrijspraak feit 1 (invoer)
De koerier [naam 9] is reeds op de luchthaven te Curaçao aangehouden. De uitvoer had weliswaar een aanvang genomen, maar [naam 9] heeft Curaçao nooit verlaten met de cocaïne. Dat maakt dat geen sprake is van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van feit 1.
Bewezenverklaring feit 2 (voorbereidingshandelingen)
De rechtbank acht wel bewezen dat de verdachte betrokken is geweest bij voorbereidingshandelingen van de invoer van cocaïne. Uit de chatgesprekken blijkt dat de verdachte op 25 augustus 2020 een foto van het paspoort van [naam 9] naar [naam 3] stuurt. Ook stuurt hij op 30 augustus 2020 een video naar [naam 3] waarop een man te zien is die een zwartkleurige broek draagt en rondom zijn bovenbenen aan het voelen is. De verdachte stuurt daarbij een bericht dat de man het ding paste met zijn pak, dat er iets kleins is dat geprepareerd moet worden, dat hij het naar het midden van zijn bovenbeen wil trekken en dat je het niet ziet. [naam 3] reageert dat het netjes staat, dat de man het goed doet en dat je het inderdaad een beetje ziet maar niet als hij het een beetje opschuift. De verdachte zegt dat hij het aan de ene kant ook zag omdat hij een hand zette bij de broek, maar dat als hij het aantrekt hij een plakband doet bij zijn bovenbeen. [naam 3] reageert dat ze wachten op de dag. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat tussen de verdachte en [naam 3] wordt gesproken over de voorbereiding van de invoer van drugs en acht feit 2 ten aanzien van koerier [naam 9] dan ook wettig en overtuigend bewezen.
3.3.2.5. De invoer van cocaïne door koerier [naam 5] (zaaksdossier C5)
Uit de chatgesprekken tussen [naam 3] en de verdachte blijkt dat de verdachte op 10 augustus 2020 contactgegevens en een foto van het paspoort van W.J. [naam 5] naar [naam 3] stuurt. [naam 3] vraagt vervolgens of hij moet boeken en of de verdachte het telefoonnummer van de man kan sturen. [naam 3] stuurt vervolgens gegevens van een vlucht [vluchtnummer] van Curaçao naar Nederland op 20 augustus 2020 met aankomsttijd 07:50 uur een dag later. Uit de gevorderde gegevens van KLM volgt dat koerier [naam 5] een boeking had op deze vlucht.
Op 21 augustus 2020, zijnde de dag dat [naam 5] vanuit Curaçao in Amsterdam is aangekomen, chatten de verdachte en [naam 3] onderling over het ophalen van [naam 5] door [naam 3]. De verdachte stuurt vervolgens dat ‘hij’ al een hele tijd buiten is en dat [naam 3] geen rondjes moet blijven doen. De verdachte stuurt een foto van de buitenzijde van Schiphol met de vermelding dat de man daar is. Hij stuurt dat de man zelf een taxi pakt en dat [naam 3] een adres moet sturen. [naam 3] stuurt vervolgens het adres [adres]. Ongeveer een uur later stuurt [naam 3] naar de verdachte dat de man aan het kakken is. De verdachte reageert dat hij dat wilde horen en dat hij het wel goed met hem moet tellen. [naam 3] stuurt naar de verdachte dat hij er 19 heeft neergegooid en later nog dat hij er 31 heeft uitgehaald.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verdachte een significante rol heeft gespeeld bij de voorbereiding van en de latere invoer van cocaïne door [naam 5]. Hij is betrokken bij het regelen van de vlucht en bij het ophalen van [naam 5]. Ook wordt hij op de hoogte gehouden van het uitwinnen van de bolletjes cocaïne.
3.3.2.6. De invoer van cocaïne door koerier [naam 5] (zaaksdossier C6)
Op 15 oktober 2020 is W.J. [naam 5] aangehouden op de luchthaven Schiphol met meerdere pakketten in zijn koffer. [naam 5] reisde vanuit Curaçao naar Nederland. Na onderzoek van de pakketten in zijn koffer is gebleken dat [naam 5] in totaal ruim twaalf kilo cocaïne heeft ingevoerd. Uit zijn telefoongegevens bleek dat hij contact had met de verdachte. Op 14 september 2020 vraagt de verdachte aan [naam 5] of hij weer wil gaan. [naam 5] antwoordt bevestigend en dat de kust nu veilig is. Op 16 september 2020 stuurt de verdachte naar [naam 5] “Broer 6 duizend euro krijg je als het 6 blokken zijn" en “1000 voor elk 1. En je loopt weinig”. De verdachte legt uit hoe de smokkel zal plaatsvinden. [naam 5] stuurt desgevraagd een foto van zijn paspoort naar de verdachte.
Op 22 september 2020 stuurt de verdachte naar [naam 5] dat hij data zal sturen en “ga maar weg”. [naam 5] stuurt dat hij de 15e aankomt in Nederland en stuurt zijn reisschema door. Op 10 oktober 2020 stuurt [naam 5] “Broer, laat je ze vandaag nog de koffer bij brengen’’, waarop de verdachte bevestigend antwoordt.
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat de verdachte nauw betrokken is geweest bij de smokkel door [naam 5]. De raadsman heeft subsidiair bepleit dat de verdachte enkel verantwoordelijk kan worden gehouden van de invoer van 600 gram cocaïne, omdat uit het chatgesprek op dossierpagina 1027 volgt dat de verdachte naar [naam 5] stuurt “Dus als je zelf je 100 regel is geen probleem. 600 van mij, 100 van jou wat je zelf kocht. Ik betaal je 3 duizend klaar”. De rechtbank verwerpt dit verweer omdat het door de inhoud van andere chatgesprekken wordt weerlegd. Bovendien heeft de verdachte door zijn betrokkenheid bij de invoer de aanmerkelijke kans aanvaard dat een grotere hoeveelheid verdovende middelen zou worden ingevoerd. De verdachte heeft met zijn handelen ten minste voorwaardelijk opzet gehad op de invoer van de totale hoeveelheid aangetroffen cocaïne door koerier [naam 5].
3.3.2.7. De invoer van cocaïne door koerier [achternaam 2] (zaaksdossier C7)
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat de verdachte betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne door [achternaam 2] dan wel bij de voorbereiding daarvan. De verdachte zal ten aanzien hiervan daarom gedeeltelijk worden vrijgesproken van beide feiten.
3.3.2.8. Is sprake van medeplegen?
Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking die gericht is op het verrichten van de ten laste gelegde gedraging. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van de voor de kwalificatie medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan onder meer rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
De rechtbank stelt voorop dat een nauwe en bewuste samenwerking is vereist om bagage met cocaïne vanuit het buitenland Nederland in te voeren. Bij de beoordeling van de vraag of in het onderhavige geval ten aanzien van de verdachte sprake is van medeplegen van de invoer van cocaïne en het medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen die zien op de invoer van cocaïne, moet worden gekeken naar het geheel van de gedragingen van de verdachte en het gewicht van de rol van de verdachte.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte verantwoordelijk is geweest voor het regelen van meerdere drugskoeriers. Verder heeft hij contact gehad met koeriers en een medeverdachte over de vluchten en over het ophalen van hen dan wel het ophalen van de door hen ingevoerde cocaïne. Ook heeft de verdachte een rol gehad bij de verstrekking van een koffer (met cocaïne) aan koerier [naam 5]. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de verdachte nauw betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne en bij de voorbereidingshandelingen om die invoer tot stand te brengen. De verdachte heeft daarbij een organisatorische en faciliterende rol gehad die cruciaal is geweest op verschillende momenten bij (de voorbereiding van) de invoer van de cocaïne. De verdachte is immers betrokken geweest bij de voorbereiding van de invoer en in de periode aansluitend op de invoer. Deze gedragingen maken dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking die leidt tot de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat
Feit 1
hij, in de periode van 21 augustus 2020 tot en met 18 januari 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, cocaïne, waaronder de onder de – al dan niet reeds veroordeelde – (drugs)koeriers
- [naam 6] (15.015331.21) (zaaksdossier C2) en
- [naam 7] (15.015330.21) (zaaksdossier C2) en
- [naam 8] (15.015266.21) (zaaksdossier C2) en
- [naam 5] (15. 258532.20) (zaaksdossier C6)
aangetroffen hoeveelheden cocaïne
en een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne ((drugs)koerier [naam 5], zaaksdossier C5).
Feit 2
hij, in de periode van 1 augustus 2020 tot en met 18 januari 2021 in Nederland en/of Curaçao tezamen en in vereniging met een ander of anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, waaronder de onder de – al dan niet reeds veroordeelde – (drugs)koeriers
- [naam 6] (15.015331.21) (zaaksdossier C2) en
- [naam 7] (15.015330.21) (zaaksdossier C2) en
- [naam 8] (15.015266.21) (zaaksdossier C2) en
- [naam 9] (zaaksdossier C3) en
- [naam 5] (15. 258532.20) (zaaksdossier C6)
aangetroffen hoeveelheden cocaïne
en een onbekend gebleven hoeveelheid cocaïne ((drugs)koerier [naam 5], zaaksdossier C5),
in elk geval telkens hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, voor te bereiden en te bevorderen,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om die feiten te plegen, mede te plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid en middelen te verschaffen,
immers hebben verdachte en zijn medeverdachte(n) (daartoe) tezamen en in vereniging, althans alleen,
- een of meer (drugs)koeriers benaderd (te weten de (drugs)koeriers benoemd in zaaksdossiers C2, C3, C5 en C6) om cocaïne mee te nemen van Curaçao naar Nederland en/of die (drugs)koeriers voorzien van cocaïne en
- ( telefonisch) contact (al dan niet via WhatsApp) met zijn, verdachtes, mededader(s) onderhouden, al dan niet om aan te sturen en instructies en aanwijzingen te ontvangen en te versturen en afspraken te maken over het (laten) afhalen van die voornoemde (drugs)koeriers en informatie gedeeld over (de reizen van) een of meer van die (drugs)koeriers en
- afbeeldingen/foto’s van documenten betreffende/toebehorend aan voornoemde (drugs)koeriers, waaronder vliegtickets en paspoorten en een dagvaarding aan/van zijn medeverdachte(n) verstuurd/ontvangen en
- voor een of meer voornoemde drugskoerier(s) vliegtickets geboekt en/of laten boeken en
- voor een of meer voornoemde drugskoerier(s) hotelkamers en taxi’s betaald en/of laten betalen en
- zich op data in voornoemde periode naar de luchthaven Schiphol en/of treinstations Den Haag Centraal en/of Hollands Spoor begeven, teneinde die [naam 5] en/of [naam 9] af te halen en
- ontmoetingen met (afhalers van) voornoemde (drugs)koeriers te organiseren, teneinde hoeveelheden verdovende middelen in ontvangst te nemen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
(de eendaadse samenloop van)
Feit 1:
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de
Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Feit 2:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen en/of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid en middelen te verschaffen, meermalen gepleegd.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 54 maanden, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft hierbij een strafkorting van 25% toegepast wegens overschrijding van de redelijke termijn.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het tijdsverloop. Door de overschrijding van de redelijke termijn zou een strafvermindering van 25% aan de orde moeten zijn. De raadsman heeft bepleit dat de strafdoelen ook kunnen worden behaald door oplegging van een zeer geringe gevangenisstraf.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer zes maanden samen met anderen bezig gehouden met (het voorbereiden van) de invoer van cocaïne vanuit Curaçao naar Nederland. De cocaïne werd door de koeriers in of op hun lichaam vervoerd of zat verstopt in hun bagage. Bij één van de invoeren waar de verdachte bij betrokken was, werd minstens 12 kilogram cocaïne ingevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank vervulde de verdachte een belangrijke rol in de organisatie, zo blijkt uit het berichtenverkeer tussen hem en zijn contacten. Zo onderhield hij contact met koeriers, stuurde hun gegevens door naar anderen voor het boeken van vliegtickets en stuurde een medeverdachte aan. Ook werd hij op de hoogte gehouden over de productie van slikkersbollen van een van de koeriers en zorgde dat een koffer en geld werd gebracht.
De verdachte heeft met zijn handelen een substantiële bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was zo groot, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van ook zeer zware criminaliteit, zoals levensdelicten en witwassen. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan. De rechtbank rekent het de verdacht ook zeer aan dat hij de gehele pleegperiode gedetineerd zat en de feiten dus heeft gepleegd vanuit verschillende penitentiaire inrichtingen op Curaçao en in Nederland.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad van de verdachte) van 28 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte al eerder wegens een soortgelijk feit is veroordeeld. De rechtbank weegt dit in het nadeel van de verdachte mee bij de straftoemeting.
Op te leggen straf
De aard en de ernst van de feiten en de hoeveelheid ingevoerde cocaïne rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en naar straffen die rechters in vergelijkbare zaken hebben opgelegd. Alles afwegende acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 72 maanden passend en geboden.
De rechtbank ziet echter in het tijdsverloop in deze zaak aanleiding om de straf te verlagen. In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft hierbij te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn is aangevangen op 15 juni 2021, omdat de verdachte op deze datum in deze zaak meermalen inhoudelijk is verhoord en hij daaraan in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. Omdat het eindvonnis op 12 februari 2026 wordt gewezen en de rechtbank van oordeel is dat de overschrijding niet aan de verdachte valt toe te rekenen of anderszins is gebleken van bijzondere omstandigheden, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van (bijna) twee jaar en acht maanden. Een overschrijding van de redelijke termijn wordt in de regel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Het tijdsverloop in deze zaak, waardoor de verdachte lang in onzekerheid heeft moeten verkeren over de afloop ervan, resulteert er in dat de rechtbank conform de eis van de officier van justitie de op te leggen gevangenisstraf vermindert met 25% (18 maanden).
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden passend en geboden, met aftrek van de reeds in voorarrest doorgebrachte tijd. De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
47, 55, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;
2, 10 en 10a van de Opiumwet.

8.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
54 (vierenvijftig) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.S. Schoorl, voorzitter,
mr. P.A. Hesselink en mr. C.M.A.V. van Kleef, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.I. Hoedjes,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 februari 2026.
Bijlage I – De tenlastelegging
Feit 1
hij, in of omstreeks de periode van 21 augustus 2020 tot en met 18 januari 2021 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, eenmaal of meermalen (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van Pro de Opiumwet) heeft gebracht, (een of meer) hoeveelheden cocaïne, waaronder de onder de – al dan niet reeds veroordeelde – (drugs)koeriers
- [achternaam 1] (15.014491.21) (zaaksdossier C1) en/of
- [naam 6] (15.015331.21) (zaaksdossier C2) en/of
- [naam 7] (15.015330.21) (zaaksdossier C2) en/of
- [naam 8] (15.015266.21) (zaaksdossier C2) en/of
- [naam 9] (zaaksdossier C3) en/of
- [naam 5] (15. 258532.20) (zaaksdossier C6)
aangetroffen hoeveelheden cocaïne
en/of een of meer onbekend gebleven hoeveelheden cocaïne ((drugs)koeriers [naam 5] en/of [achternaam 2], zaaksdossiers C5 en/of C7), in elk geval (telkens) hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Feit 2
hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2020 tot en met 18 januari 2021 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Den Haag en/of Spijkenisse en/of Drachten en/of Surhuisterveen en/of Vught en/of Kerkrade en/of Hoogmade, althans in Nederland en/of Curaçao tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (een of meer) hoeveelheden cocaïne, waaronder de onder de – al dan niet reeds veroordeelde – (drugs)koeriers
- [achternaam 1] (15.014491.21) (zaaksdossier C1) en/of
- [naam 6] (15.015331.21) (zaaksdossier C2) en/of
- [naam 7] (15.015330.21) (zaaksdossier C2) en/of
- [naam 8] (15.015266.21) (zaaksdossier C2) en/of
- [naam 9] (zaaksdossier C3) en/of
- [naam 5] (15. 258532.20) (zaaksdossier C6)
aangetroffen hoeveelheden cocaïne
en/of een of meer onbekend gebleven hoeveelheden cocaïne ((drugs)koeriers [naam 5] en/of [achternaam 2], zaaksdossiers C5 en/of C7),
in elk geval telkens hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of
- een of meer anderen de gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen immers heeft/hebben/is/zijn verdachte en/of zijn medeverdachte(n) (daartoe) tezamen en in vereniging, althans alleen,
- een of meer (drugs)koeriers benaderd (te weten de (drugs)koeriers benoemd in zaaksdossiers C1, C2, C3, C5, C6 en/of C7) om verdovende middelen en/of cocaïne mee te nemen van Curaçao naar Nederland en/of die (drugs)koeriers voorzien van voornoemde verdovende middelen en/of cocaïne en/of
- ( telefonisch) contact (al dan niet via WhatsApp) met zijn, verdachtes, mededader(s) onderhouden, al dan niet om aan te sturen en/of instructies en/of aanwijzingen te ontvangen en/of te versturen en/of afspraken te maken over het (laten) afhalen van die voornoemde (drugs)koeriers en/of informatie gedeeld over (de reizen van) een of meer van die (drugs)koeriers en/of
- afbeeldingen/foto’s van documenten betreffende/toebehorend aan voornoemde (drugs)koeriers, waaronder vliegtickets en/of paspoorten en/of een dagvaarding aan/van zijn medeverdachte(n) verstuurd/ontvangen en/of
- aan een of meer voornoemde drugskoerier(s) handgeld gegeven en/of geld gegeven teneinde vliegtickets van te betalen en/of voor een of meer drugskoerier(s) vliegtickets geboekt en/of laten boeken en/of
- voor een of meer voornoemde drugskoerier(s) hotelkamers en/of taxi’s betaald en/of laten betalen en/of
- zich op een of meer data in voornoemde periode, te weten (in ieder geval) op 21 augustus 2020 en/of 8 september 2020 en/of 27 december 2020 en/of 17 januari 2021, zijnde de data van aankomst van die [naam 5] (zaaksdossier C5) en/of [naam 9] (zaaksdossier C3) en/of [achternaam 2] (zaaksdossier C7) en/of [achternaam 1] (zaaksdossier C1), naar de luchthaven Schiphol en/of treinstations Den Haag Centraal en/of Hollands Spoor begeven, teneinde die [naam 5] en/of [naam 9] en/of [achternaam 2] en/of [achternaam 1] af te halen en/of
- ontmoetingen met (afhalers van) voornoemde (drugs)koeriers te organiseren, teneinde hoeveelheden verdovende middelen in ontvangst te nemen.
Bijlage II – De bewijsmiddelen
(…)