ECLI:NL:RBNHO:2026:1500

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
12037631 \ VV EXPL 25-200
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen wegens ontbreken spoedeisend belang in huurgeschil

Bouwinvest vordert ontruiming van een woning en betaling van huurachterstanden van twee huurders die op de huurovereenkomst staan. De hoofdhuurder erkent de huurachterstand, maar betwist het spoedeisend belang van Bouwinvest. De medehuurder heeft de woning verlaten en is volgens een voorlopige voorziening niet langer huurder.

De rechtbank overweegt dat een kort geding alleen kan worden toegewezen als er sprake is van een spoedeisend belang. Bouwinvest kan de uitkomst van de bodemprocedure, waarin op korte termijn uitspraak wordt verwacht, afwachten. Hierdoor ontbreekt het spoedeisend belang ten aanzien van de hoofdhuurder.

Ten aanzien van de medehuurder is het spoedeisend belang eveneens afwezig omdat zij de woning heeft verlaten en Bouwinvest slechts een betwiste geldvordering tegen haar heeft. De vorderingen worden daarom afgewezen en Bouwinvest wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen van Bouwinvest worden afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12037631 \ VV EXPL 25-200
Vonnis in kort geding van 12 februari 2026
in de zaak van
De stichting STICHTING BOUWINVEST DUTCH INSTITUTIONAL,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Bouwinvest,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. gerechtsdeurwaarders,
tegen

1.[gedaagde 1],

te [plaats 1],
gemachtigde: mr. A.C. Mens,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats 2],
gemachtigde: mr. H. Temel,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2].
De zaak in het kort
De vorderingen zijn door het ontbreken van het spoedeisend belang van Bouwinvest jegens zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2], niet toewijsbaar.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen van 16 januari 2026
- de producties van [gedaagde 1]
- de producties van [gedaagde 2]
- de mondelinge behandeling van 29 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota’s van [gedaagde 1] en van [gedaagde 2].

2.De feiten

2.1.
Bouwinvest verhuurt de woning aan de [adres] te [plaats 1] voor een huurprijs van thans € 1.594,58 per maand. Op de huurovereenkomst zijn de ‘Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte’ van 20 maart 2017 van toepassing.
2.2.
Zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] staan op de huurovereenkomst als (hoofd- dan wel mede)huurder vermeld.
2.3.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn gehuwd. [gedaagde 2] heeft op 14 juni 2024 een verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen bij de rechtbank Noord-Holland ingediend.
2.4.
Bij beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van deze rechtbank van 9 oktober 2024 is aan [gedaagde 1] bij wege van voorlopige voorziening vooralsnog het uitsluitend gebruik van de woning toegekend.
2.5.
In een e-mail van REBO Vastgoedgroep aan [gedaagde 2] van 29 oktober 2024 staat:

Hierbij kunnen wij bevestigen dat wij de beschikking goed hebben mogen ontvangen, de wijziging is reeds bij ons in de administratie doorgevoerd en wij hebben dan ook het verzoek bij Bouwinvest ingediend om dit ook aan hun kant in de administratie door te voeren.De huurovereenkomst zal op naam van de heer [gedaagde 1] worden voortgezet.(…)”.
2.6.
Bouwinvest heeft [gedaagde 1] gedagvaard om te verschijnen in een bodemprocedure bij de rechtbank Noord-Holland, waarbij onder meer ontbinding van de huuroverenkomst, ontruiming van de woning en betaling van de huurachterstand is gevorderd. [gedaagde 1] heeft [gedaagde 2] in die procedure in vrijwaring opgeroepen. Op 3 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling in die zaak plaatsgevonden, waarbij de kantonrechter te kennen heeft gegeven uitspraak te zullen doen op 25 februari 2026.

3.Het geschil

3.1.
Bouwinvest vordert samengevat - ontruiming van de woning, met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van € 11.599,92 én € 1.594,58 per maand vanaf 1 januari 2026 tot en met de dag van ontruiming, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde 1] betwist de huurachterstand niet. Wél voert hij tot verweer dat hij een groot belang heeft bij het behoud van de woning en dat geen sprake is van een spoedeisend belang zijdens Bouwinvest. Verder voert [gedaagde 1] aan dat hij en [gedaagde 2] zijn gehuwd, zodat de huurachterstand ook voor haar rekening moet komen.
3.3.
[gedaagde 2] voert verweer. Zij heeft de woning al in februari 2024 verlaten en kan niet aansprakelijk worden gehouden voor de huurschuld die pas is ontstaan na haar vertrek. In de echtscheidingsprocedure is bij voorlopige voorziening bepaald dat [gedaagde 1] het uitsluitend gebruik heeft van de woning. Omdat Bouwinvest in verband hiermee akkoord is gegaan met beëindiging van de huurrechtelijke relatie met haar, zijn de vorderingen jegens haar niet toewijsbaar.
3.4.
De conclusies van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] strekken tot afwijzing van de vorderingen van Bouwinvest.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Het kort geding
4.1.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt (Bouwinvest) hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat Bouwinvest heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Bouwinvest heeft geen spoedeisend belang bij de vorderingen
4.2.
Bouwinvest stelt dat zij een spoedeisend belang heeft en de uitkomst in de bodemprocedure niet kan afwachten, omdat zij over een executoriale titel moet kunnen beschikken om de woning zo spoedig mogelijk weer te kunnen verhuren aan een partij die haar betalingsverplichtingen wel correct nakomt en omdat het risico groot is dat tegen de tijd dat in de bodemprocedure vonnis wordt gewezen, de huurachterstand, die al aanzienlijk is, nog is toegenomen. Ook gaat het om substantiële bedragen, aldus Bouwinvest.
4.3.
Hoewel [gedaagde 1] geen enkele concrete toezegging heeft kunnen doen over zijn mogelijkheden tot betaling van de lopende huur en de huurachterstand, is de kantonrechter van oordeel dat het spoedeisend belang aan de zijde van Bouwinvest ontbreekt. Daartoe is redengevend dat partijen de kantonrechter hebben geïnformeerd dat in de bodemprocedure tussen Bouwinvest en [gedaagde 1] vonnis zal worden gewezen op 25 februari 2026. Bouwinvest zal dus binnen afzienbare termijn beschikken over de gewenste executoriale titel voor zover haar vorderingen in de bodemzaak worden toegewezen. De kantonrechter heeft geen aanleiding te veronderstellen dat dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard. Gelet op die omstandigheid kan van Bouwinvest worden verlangd dat zij de uitkomst van de bodemprocedure tussen haar en [gedaagde 1] afwacht. Met het afwachten van het vonnis in de bodemprocedure zal het belang van Bouwinvest bij het beperken van haar financiële schade niet – althans onvoldoende – worden aangetast. De kantonrechter weegt in dit verband mee dat Bouwinvest omtrent het (toenemen van het) incassorisico in dit verband niets heeft aangevoerd. Dit betekent dat de vorderingen ten aanzien van [gedaagde 1] worden afgewezen.
4.4.
Ook het spoedeisend belang ten aanzien van [gedaagde 2] ontbreekt. Daartoe is het volgende redengevend. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 2] desgevraagd verklaard dat zij vanaf juni 2024 over een eigen woning beschikt en niet de wens heeft om terug te keren naar de woning, waarna Bouwinvest de ontruimingsvordering jegens [gedaagde 2] heeft ingetrokken en zich op het standpunt stelt dat [gedaagde 2] de huurachterstand van april 2024 tot en met oktober 2024 aan haar moet voldoen. Dat betekent dat ten aanzien van [gedaagde 2] uitsluitend nog een betwiste geldvordering in kort geding ter beoordeling voorligt. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Bouwinvest – buiten haar beperkte financiële belang, waarbij het gaat om een afgebakend, niet verder oplopend bedrag – geen spoedeisend belang bij haar vorderingen jegens [gedaagde 2]. De kantonrechter weegt in dit verband mee dat Bouwinvest omtrent het incassorisico niets heeft aangevoerd. Ook de vorderingen ten aanzien van [gedaagde 2] worden afgewezen.
Bouwinvest wordt veroordeeld in de kosten
4.5.
Bouwinvest is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagde 1] en van [gedaagde 2] als volgt begroot.
4.6.
De proceskosten van [gedaagde 1] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
Totaal
721,00
Omdat [gedaagde 1] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal Bouwinvest ten aanzien van hem niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten.
4.7.
De proceskosten van [gedaagde 2] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
721,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van Bouwinvest af,
5.2.
veroordeelt Bouwinvest in de proceskosten. Deze kosten worden aan de zijde van gedaagden als volgt begroot:
- aan de zijde van [gedaagde 1] € 721,00, te betalen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis,
- aan de zijde van [gedaagde 2] € 721,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Bouwinvest niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.