Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord
- vonnis van 3 september 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald
2.De feiten
[bedrijf 1], in opdracht van de eigenaar,
Beheerder
3.Het geschil
Na wijziging eis vordert [eiser] tevens terugbetaling van € 1.610,90 voor de cv-ketel en een rentevergoeding voor het traineren van de afhandeling.
Voor zover zij wel als contractspartij moet worden aangemerkt, voert zij aan dat partijen hebben afgesproken dat een bedrag in mindering zal worden gebracht. Dat de werkzaamheden uiteindelijk niet zijn uitgevoerd, maakt dit niet anders. Verder voert [gedaagde] aan dat [eiser] het pand niet correct heeft opgeleverd. Zo waren (onder andere) de gaten niet hersteld, de vetafscheider was niet leeg en de trap was niet gerepareerd. Omdat afgesproken was dat de huurverplichting door zou lopen totdat correct is opgeleverd en omdat [gedaagde] al eerder juridische kosten heeft moeten maken, is de vordering van [gedaagde] op [eiser] vele malen hoger dan de waarborgsom en heeft zij de waarborgsom terecht ingehouden.
4.De beoordeling
in opdracht van de eigenaarhandelt en dus niet uit eigen naam. Ook in de beëindigingsovereenkomst handelt [bedrijf 1] in opdracht van de eigenaar. Waarom desondanks [bedrijf 1] als verhuurder moet worden aangemerkt, heeft [gedaagde] onvoldoende duidelijk gemaakt. Uit de gedragingen van partijen blijkt zulks in ieder geval niet. Zo heeft [gedaagde] in 2024 op grond van dezelfde overeenkomst en uit eigen naam [eiser] gedagvaard wegens non-conform gebruik van het pand. Daarnaast verwijst [bedrijf 1] in de correspondentie herhaaldelijk naar “de eigenaar”. Ook was [bedrijf 1], wegens overdracht van de portefeuille, geen beheerder of contactpersoon meer. De opvolger [bedrijf 2] heeft vervolgens enkel verwezen naar contact met de eigenaar en niet met [bedrijf 1].
in opdracht van de eigenaar’ niet toegevoegd, waardoor in die zaak is geoordeeld dat de makelaar verhuurder was. In onderhavige casus is juist het omgekeerde het geval.
Hieruit vloeit voort dat niet meer van belang is of de kosten voor reparatie van de trap, beschadigingen aan onder andere deuren en plinten, het legen van de vetafscheider en schoonmaakkosten voor rekening van [eiser] moeten komen; ook hier is immers geen concrete schade gesteld en onderbouwd. Voor zover [gedaagde] er een beroep op doet dat de huurovereenkomst is doorgelopen, is dat niet een vordering dat op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld. [gedaagde] heeft namelijk onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat zij dit standpunt eerder ten tijde van oplevering van het gehuurde heeft ingenomen en dat die kosten voor rekening van [eiser] zouden moeten komen. Hetzelfde geldt voor de gestelde, maar niet ingestelde tegenvordering voor zover deze betrekking heeft op gemaakte kosten voor deurwaarderskantoor Boeder in het kader van de eerdere procedure tussen partijen.