ECLI:NL:RBNHO:2026:1382

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
HAA 24/6610
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.82 Algemene plaatselijke verordening Heerhugowaard 2022
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen aanwijzing bedrijfspand voor exploitatievergunningplicht

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een geschil over de plattegrond die hoort bij het aanwijzingsbesluit waarbij een exploitatievergunningplicht is opgelegd voor een bedrijfspand in Heerhugowaard. Eiseres betwist dat bepaalde delen van het pand, zoals de kantine en opslag, terecht zijn aangewezen als vergunningplichtig.

De burgemeester had het pand aangewezen op basis van een besluit van 28 april 2023, dat later door een harmonisatiebesluit werd ingetrokken en vervolgens hersteld. De plattegrond bij het oorspronkelijke besluit was onvolledig, waarna een gewijzigde plattegrond werd gehecht. Eiseres stelde dat deze gewijzigde plattegrond onjuist was en dat delen ten onrechte waren aangewezen.

De rechtbank oordeelt dat het gehele pand met het betreffende nummer mag worden aangewezen en dat het niet noodzakelijk is om alleen kantoorruimten aan te wijzen. De kantine en opslag behoren tot het pand en zijn dus terecht aangewezen. Ook is het belang van eiseres bij de procedure erkend vanwege de rol van de plattegrond in toekomstige besluiten.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, eiseres krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter E.J. van Keken op 18 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het aanwijzingsbesluit voor het bedrijfspand wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/6610

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaak tussen

Stichting [eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.W. Ebbink),
en

De burgemeester van de gemeente Dijk en Waard, de burgemeester

(gemachtigde: mr. G.M. Pierik).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de plattegrond die behoort bij het aanwijzingsbesluit waarbij een exploitatievergunningplicht is opgelegd voor het bedrijfspand aan de [adres] in Heerhugowaard (hierna: het bedrijfspand) voor de periode van 15 september 2021 tot en met 14 september 2024. Eiseres stelt dat bepaalde delen van het bedrijfspand ten onrechte zijn aangewezen als delen waarvoor de vergunningplicht geldt.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat geen sprake is van delen van het bedrijfspand die ten onrechte zijn aangemerkt als delen waarvoor de vergunningplicht geldt. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Bij besluit van 28 april 2023 heeft de burgemeester van de (voormalige) gemeente Heerhugowaard het bedrijfspand op basis van artikel 2.82 van de Algemene plaatselijke verordening Heerhugowaard 2022 voor de periode van 15 september 2021 tot en met 14 september 2024 aangewezen als een pand waarvoor bedrijven een exploitatievergunning nodig hebben.
4. In verband met de fusie tussen de voormalige gemeente Heerhugowaard en de voormalige gemeente Langedijk, heeft de burgemeester van de (huidige) gemeente Dijk en Waard de besluitvorming aangaande het bedrijfspand willen bekrachtigen. Dit heeft de burgemeester gedaan middels het harmonisatiebesluit van 11 december 2023. Met dit harmonisatiebesluit werd het aanwijzingsbesluit van 28 april 2023 ingetrokken.
5. Eiseres heeft bezwaar ingediend tegen het besluit van 11 december 2023.
6. Op 29 januari 2024 heeft de burgemeester het besluit van 11 december 2023 gewijzigd, omdat gebleken was dat aan dat besluit een onjuiste plattegrond van het bedrijfspand was gehecht die inzichtelijk moest maken voor welke delen van het pand de exploitatievergunningplicht gold. Een gewijzigde plattegrond werd gehecht aan het besluit van 29 januari 2024.
7. Nadat de burgemeester was gebleken dat aanwijzingsbesluiten niet vallen onder de bekrachtigingsregels voor fuserende gemeenten, heeft de burgemeester geconcludeerd dat het aanwijzingsbesluit van 28 april 2023 ten onrechte is ingetrokken. Bij besluit van 6 maart 2024 (het primaire besluit) heeft de burgemeester daarom het harmonisatiebesluit van 11 december 2023 ingetrokken, en het aanwijzingsbesluit van 28 april 2023 laten herleven. Omdat inmiddels duidelijk was geworden dat destijds, aan het besluit van 28 april 2023, een onjuiste plattegrond van het bedrijfspand was gehecht, heeft de burgemeester aan het besluit van 6 maart 2024 de gewijzigde plattegrond van het bedrijfspand gehecht, die ook aan het besluit van 29 januari 2024 was gehecht.
8. Met het bestreden besluit van 10 september 2024 op het bezwaar van eiseres, dat zich van rechtswege richtte tegen het primaire besluit van 6 maart 2024, heeft de burgemeester dat besluit gehandhaafd.
9. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
10. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
11. De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de burgemeester, vergezeld door [naam 1] en [naam 2] .

Beoordeling door de rechtbank

Procedureel

12. De burgemeester heeft het standpunt ingenomen dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit. Dit omdat het primaire besluit, die met het bestreden besluit in stand is gelaten, door tijdsverloop is uitgewerkt. Met het primaire besluit werd de vergunningplicht opgelegd tot 15 september 2024. Bij verlengingsbesluit van 10 september 2024 heeft de burgemeester vervolgens besloten om de vergunningplicht voor een periode van twee jaar te verlengen. Tegen dit verlengingsbesluit heeft eiseres bezwaar en beroep ingesteld
.
12. Eiseres heeft aangevoerd dat zij nog steeds procesbelang heeft. De plattegrond die is gehecht aan het primaire besluit, is namelijk ook gehecht aan het verlengingsbesluit van 10 september 2024. Er is dus wederom een onjuiste plattegrond gebruikt.
12. De rechtbank oordeelt als volgt. Het is vaste rechtspraak dat het belang van een oordeel over de rechtmatigheid van een besluit gelegen kan zijn in de omstandigheid dat het inhoudelijke oordeel van de rechter kan worden betrokken bij toekomstige besluiten. [1] In dit geval is reeds gebleken dat de in deze procedure betwiste plattegrond in navolgende besluitvorming nog steeds een rol speelt. Ter zitting is geconstateerd dat de rechtmatigheid van de plattegrond niet is betwist in het beroep tegen het verlengingsbesluit van 10 september 2024, maar dat zou eventueel nog kunnen in hoger beroep. Voor zover het verlengingsbesluit van 10 september 2024 in rechte vast zou komen te staan zonder dat de rechtmatigheid van de bij dat besluit behorende plattegrond is betwist, ligt het nog in de rede dat de burgemeester bij een eventueel later verlengingsbesluit opnieuw dezelfde plattegrond gebruikt. De rechtbank acht het belang van een oordeel over de rechtmatigheid van de plattegrond in deze procedure dan ook gelegen in de omstandigheid dat het inhoudelijke oordeel van de rechter kan worden betrokken bij toekomstige besluiten.
Inhoudelijk
15. Eiseres meent dat de gewijzigde plattegrond van het bedrijfspand, behorend bij het primaire besluit, onjuist is. Zij is het oneens met de geel gearceerde gebieden op deze plattegrond die aangeven waar de vergunningplicht geldt. Een deel van dit geel gearceerde gebied is volgens eiseres ten onrechte aangewezen als vergunningplichtig. Het aanwijzingsbesluit is gebaseerd op de feitelijke situatie dat in een bepaalde delen van het bedrijfspand, te weten het kantorengedeelte, meerdere bedrijven stonden ingeschreven. Ten onrechte heeft de burgemeester nu ook delen van het bedrijfspand aangewezen waar de opslag en de kantine zijn gelegen.
15. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat wijziging van de plattegrond slechts heeft plaatsgevonden omdat de kaart bij het aanwijzingsbesluit van 28 april 2023 niet de volledige plattegrond van het bedrijfspand bevatte. Door deze rechtbank is op 23 april 2023 bovendien al geoordeeld dat de vergunningplicht kan worden opgelegd voor het gehele bedrijfspand. [2]
17. De rechtbank maakt uit het standpunt van de burgemeester op dat het de bedoeling van de burgemeester is geweest om het bedrijfspand met adres [adres] in zijn geheel aan te wijzen als pand waarvoor een vergunningplicht geldt, wat eerder nog niet was gebeurd omdat de plattegrond bij het aanwijzingsbesluit van 28 april 2023 onvolledig was. Zoals ter zitting besproken is het bedrijfspand gelegen in een bedrijfsverzamelgebouw aan de [locatie] , dat naast nummer [huisnummer] ook nog andere units kent die worden aangeduid met de nummers [huisnummers] . Deze andere units worden niet aangewezen als delen waarvoor een vergunningplicht geldt. Met de gewijzigde plattegrond is echter een groter deel op de eerste verdieping van het bedrijfsverzamelgebouw aangewezen als deel waarvoor de vergunningplicht geldt, omdat dit deel behoort bij het bedrijfspand met nummer [huisnummer] . Het standpunt van eiseres dat de kantine en de opslag nu ten onrechte zijn aangewezen als delen waar de vergunningplicht geldt, volgt de rechtbank niet. Het staat de burgemeester vrij om het gehele pand dat wordt aangeduid met nummer [huisnummer] aan te wijzen als pand waarvoor een exploitatievergunningplicht geldt. Niet valt in te zien dat de burgemeester alleen delen van dat bedrijfspand als vergunningplichtig kan aanwijzen voor zover dat delen zijn waar kantoorruimte is gelegen, alleen al omdat de vestiging van een bedrijf op een bepaald adres losstaat van de feitelijke kantoorruimte op dat adres.

Conclusie en gevolgen

18. De conclusie luidt dat geen sprake is van delen van het bedrijfspand die ten onrechte zijn aangemerkt als delen waarvoor de vergunningplicht geldt. Het beroep van eiseres is dus ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, rechter, in aanwezigheid van
mr.E. Boon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1257, onder 4.1.
2.Verwezen wordt naar de uitspraak in de zaak met zaaknummer HAA 22/1637.