ECLI:NL:RBNHO:2026:1368

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
25/1200
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 4.1 WooArt. 4.5 WooArt. 4.6 WooArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen besluit college over Woo-verzoek opvang Oekraïners Alkmaar

Eiser heeft op 30 juli 2024 een Woo-verzoek ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar voor informatie over de opvang van Oekraïners van 1 januari 2022 tot 30 juli 2024. Het college heeft in drie deelbesluiten op dit verzoek beslist, waarbij het eerste deelbesluit onder meer verwees naar reeds openbaar beschikbare stukken en een verzoek tot precisering deed. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het eerste deelbesluit, dat door het college ongegrond werd verklaard.

De rechtbank oordeelt dat het bezwaar van eiser op grond van artikel 6:19 Awb Pro mede ziet op de tweede en derde deelbesluiten, maar dat eiser geen aanvullende bezwaargronden heeft aangevoerd tegen deze deelbesluiten. Ook heeft eiser niet gereageerd op het verzoek tot precisering, waardoor het college het Woo-verzoek voor die onderdelen niet kon behandelen. De rechtbank vindt dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom het bezwaar ongegrond is.

Verder is geoordeeld dat het college heeft voldaan aan de verplichting om de vindplaats van reeds openbaar gemaakte stukken aan te wijzen en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er communicatie is geweest die niet is verstrekt. De overschrijding van de termijn voor het verzoek tot precisering leidt niet tot vernietiging van het besluit. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het college wordt opgedragen het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden vanwege de niet-tijdige beslissing op het Woo-verzoek.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van het college over het Woo-verzoek wordt ongegrond verklaard en het college moet het griffierecht vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 25/1200 en 24/6289

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2026 in de zaken tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar, het college
(gemachtigde: mr. M. Blom).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beslissing van het college op het verzoek van eiser tot openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo-verzoek). Eiser is het niet eens met het besluit van het college op dit verzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden van eiser niet slagen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

2. Eiser heeft op 30 juli 2024 een Woo-verzoek ingediend bij het college waarin wordt verzocht om alle stukken die zien op de opvang van Oekraïners in de gemeente Alkmaar in de periode van 1 januari 2022 tot 30 juli 2024. Eiser wijst daarbij specifiek op de volgende stukken:
-
- stukken die zien op de kosten en baten van deze opvangplekken;
- verleende (omgevings)vergunning voor opvangplekken;
- communicatie als e-mails, whatsapp-berichten;
- communicatie met het Coa/het Rijk;
- notulen (commissie)verslagen, (bel)notities.
2.1.
Op 4 september 2024 heeft eiser het college een ingebrekestelling gestuurd wegens het niet tijdig beslissen op dit Woo-verzoek.
2.2.
Op 26 september 2024 heeft eiser een beroep niet-tijdig ingesteld.
2.3.
Op 12 september 2024 (hierna: het eerste deelbesluit), 18 november 2024 (hierna: het tweede deelbesluit) en 16 december 2024 (hierna: het derde deelbesluit) heeft het college in drie deelbesluiten beslist op het Woo-verzoek van eiser:
- In het eerste deelbesluit schrijft het college dat de door eiser gevraagde ‘notulen, verslagen, B&W notities’ reeds openbaar zijn (te raadplegen via de website van de gemeente) en dat communicatie met het COA niet aan de orde is geweest en daarom niet kan worden verstrekt. Daarnaast verzoekt het college eiser om te verduidelijken welke informatie hij precies zou willen ontvangen met betrekking tot ‘communicatie, e-mails, Whatsapp-berichten’.
- Met het tweede deelbesluit stuurt het college de gevraagde informatie ten aanzien van ‘stukken die zien op de kosten en baten van de opvangplekken’ en ‘verleende omgevingsvergunning voor opvangplekken’ aan eiser toe.
- In het derde deelbesluit concludeert het college dat eiser geen reactie heeft gegeven op het preciseringsverzoek, waardoor dit deel van het Woo verzoek niet in behandeling kan worden genomen.
2.4.
Eiser heeft zijn beroep niet-tijdig ingetrokken en verzoekt de rechtbank om het college te veroordelen in zijn proceskosten (zaaknummer HAA 24/6289).
2.5.
Vervolgens heeft eiser op 17 oktober 2024 bezwaar gemaakt tegen het eerste deelbesluit.
2.6.
Met het bestreden besluit van 7 februari 2025 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.7.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (zaaknummer HAA 25/1200).
2.8.
De rechtbank heeft beide zaken op 19 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van het college deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het eerste deelbesluit in rechte stand kan houden. Dit eerste deelbesluit betreft een gedeeltelijk besluit op het Woo-verzoek. Dat blijkt voldoende duidelijk uit het besluit. Van de twee genoemde documentsoorten zijn geen stukken te openbaren en daarom is het verzoek op dit punt afgewezen. Verder heeft het college eiser in het eerste deelbesluit gevraagd om zijn Woo-verzoek te preciseren. Eiser heeft hierop niet gereageerd waardoor het Woo-verzoek voor het overige is afgewezen in het derde deelbesluit. Dat het verzoek om precisering buiten de termijn is gedaan, zoals eiser in zijn bezwaarschrift stelt, leidt volgens het college niet tot een andere uitkomst omdat het college zonder precisering van het Woo-verzoek niet kan beslissen op de niet gepreciseerde onderdelen van dit verzoek.
Bezwaren tegen tweede en derde deelbesluit
4. Eiser voert aan dat zijn bezwaar op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege ook ziet op het tweede en derde deelbesluit die zijn genomen na het indienen van het bezwaarschrift. Volgens eiser had het college hem expliciet in de gelegenheid moeten stellen om bezwaargronden in te dienen tegen deze deelbesluiten. Daarvoor had hem een termijn moeten worden gegeven, aldus eiser.
4.1.
De rechtbank wijst erop dat, wanneer tegen een deelbesluit bezwaar is gemaakt, dit bezwaar op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking heeft op opvolgende deelbesluiten op hetzelfde verzoek. [1] Eiser stelt dus terecht dat zijn bezwaar niet enkel ziet op het eerste deelbesluit maar ook het de daaropvolgende tweede en derde deelbesluit. Dit betekent echter niet dat het bestreden besluit geen stand kan houden.
4.2.
Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser naar aanleiding van het tweede en derde deelbesluit aanvullende bezwaargronden heeft toegestuurd aan het college. Terwijl het, gelet op het feit dat in ieder deelbesluit een bezwaarclausule staat opgenomen en het feit dat eiser op de hoogte is van de werking van artikel 6:19 van Pro de Awb op deelbesluiten, op de weg van eiser lag om dat te doen. Daarnaast heeft eiser geen gebruik gemaakt van de uitnodiging voor een hoorzitting in bezwaar. Dat eiser zijn bezwaargronden op geen enkel moment heeft aangevuld dient gelet op het voorgaande voor zijn eigen rekening en risico te komen. Dit geldt te meer nu eiser in beroep ook geen specifieke gronden heeft gericht tegen het tweede en derde deelbesluit, terwijl het bestreden besluit van rechtswege ziet op eventuele bezwaren tegen alle deelbesluiten. Bovendien heeft eiser niet onderbouwd waaruit volgt dat het college verplicht is, onder de hiervoor besproken omstandigheden, eventuele aanvullende bezwaargronden tegen de overige deelbesluiten expliciet met een losse brief op te vragen bij eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
De vindplaats van de openbaar te raadplegen stukken
5. Eiser voert verder aan dat het college in het eerste deelbesluit ten onrechte niet heeft aangegeven waar de openbaar te raadplegen stukken te vinden zijn. De notulen en de noties van het college zijn niet reeds openbaar. Dit is volgens eiser onzorgvuldig.
5.1.
Voor zover het college op grond van het tweede lid van artikel 4.5 van de Woo verplicht is om de vindplaats van reeds openbaargemaakte informatie aan te wijzen, is de rechtbank van oordeel dat aan deze verplichting is voldaan. In het eerste deelbesluit is namelijk aangegeven dat de verzochte ‘notulen, verslagen, B&W notities’ zijn te raadplegen ‘via de website van de gemeente Alkmaar: Bestuur en Organisatie – Gemeente Alkmaar’. De rechtbank constateert dat er bovenaan de website van de gemeente Alkmaar inderdaad een kopje ‘Bestuur & Organisatie’ staat. Nadat daarop is geklikt kan onder andere worden gekozen voor ‘bekijk de vergaderdata- en stukken’. Daarna verschijnt een zoekbalk waarmee gezocht kan worden naar bijvoorbeeld notulen. Het standpunt van eiser dat de notulen en notities van het college niet reeds openbaar zijn, is door eiser niet onderbouwd of gespecificeerd welke notulen en notities niet openbaar zou zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
(Interne) communicatie
6. Eiser voert ten derde aan dat het niet aannemelijk is dat er geen (interne) communicatie heeft plaatsgevonden met betrekking tot de opvang van Oekraïners in de gemeente Alkmaar in de periode van 1 januari 2022 tot 30 juli 2024.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch bij dat bestuursorgaan berust. [2] Het college heeft in het eerste deelbesluit aangegeven dat er geen communicatie is geweest met het COA of het Rijk met betrekking tot de opvang van Oekraïners in de gemeente. In reactie daarop heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er wel communicatie heeft plaatsgevonden in de vorm van stukken die bij het college berusten. Dit geldt te meer nu eiser niet heeft gereageerd op het preciseringsverzoek ten aanzien van de gevraagde ‘communicatie als e-mails, whatsappberichten’.
Verzoek om precisering te laat
7. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat het verzoek van het college om precisering van het Woo-verzoek in het eerste deelbesluit onnodig en buiten de termijn is ingediend. Zodoende is het bestreden besluit volgens eiser in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 augustus 2025. [3] Ook is het college niet behulpzaam geweest bij de precisering van het verzoek, aldus eiser.
7.1.
Op grond van het vijfde lid van artikel 4.1 van de Woo, moet het college (als zij van mening is dat het verzoek te algemeen geformuleerd is) eiser binnen twee weken na ontvangst van het verzoek de verzoeker vragen om zijn verzoek te preciseren en is het college de verzoeker daarbij behulpzaam. Omdat het college pas in het eerste deelbesluit van 12 september 2024 aan eiser heeft gevraagd om zijn Woo-verzoek te preciseren, is deze termijn van twee weken ruimschoots overschreden. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat het bestreden besluit niet deugt. De termijn van twee weken is geen fatale termijn. Ook volgt dit niet uit de uitspraak van rechtbank Den Haag waar eiser naar verwijst. In deze uitspraak wordt namelijk enkel ingegaan op overschrijding van de termijn van twee weken uit artikel 4.6 van de Woo (antimisbruikbepaling). De rechtbank ziet – gelet op de aard van artikel 4.6 van de Woo – geen aanleiding voor analogie toepassing van deze uitspraak ten aanzien van de termijn uit artikel 4.1 van de Woo. Het college heeft zich op het standpunt mogen stellen dat, nu zij van mening is dat het Woo-verzoek te algemeen geformuleerd is, een precisering nodig is voordat kan worden beslist op het verzoek. De stelling dat het college eiser niet behulpzaam zou zijn geweest bij het preciseren van het verzoek heeft eiser niet onderbouwd en daarvan is ook niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
Ondertekening van de besluiten
8. Voor zover eiser in zijn beroepschrift heeft aangevoerd dat het bestreden besluit en de primaire deelbesluiten in strijd met het derde lid van artikel 10:3 van Pro de Awb door dezelfde persoon zijn genomen, heeft eiser dit standpunt ter zitting ingetrokken. Deze grond behoeft daarom geen bespreking.
Verzoek om proceskosten in HAA 24/6289
9. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Voor de vraag of de proceskosten van eiser in aanmerking komen voor vergoeding, moet de rechtbank dus beoordelen of het college geheel of gedeeltelijk aan hem is tegemoetgekomen.
9.1.
Eiser heeft het college op 4 augustus 2024 in gebreke gesteld.
9.2.
Op 26 september 2024 heeft eiser beroep ingesteld omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn Woo-verzoek. Het college heeft op 12 september 2024 alsnog een besluit op het verzoek genomen. Het college is dus aan eiser tegemoet gekomen. Dit betekent dat het college verplicht is om het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden. [4] Eiser heeft verder geen kosten gemaakt die in aanmerking komen voor vergoeding.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep in de zaak HAA 25/1200 is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en het Woo-verzoek van eiser 30 juli 2024 daarmee is afgehandeld. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
10. In de zaak HAA 24/6289 dient het college het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank;
- verklaart het beroep in de zaak HAA 25/1200 ongegrond;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 187,- in de zaak HAA 24/6289 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. de Regt, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Besseling, griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie rechtsoverweging 12.3 van de uitspraak van 20 oktober 2021 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2021:2348.
2.Zie rechtsoverweging 8 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3571.
4.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.