Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:1359

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
C/15/373979 / JU RK 26-147
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige met ASS en verslavingsproblematiek

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige met ASS- en drugsverslavingsproblematiek. De minderjarige verbleef eerder in verschillende gesloten jeugdhulpaccommodaties, maar deze boden onvoldoende aansluiting en perspectief, wat leidde tot weglopen en suïcidale uitingen.

De minderjarige is sinds 26 januari 2026 geplaatst bij een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder die hem één op één begeleiding en passende forensische zorg kan bieden. Zowel de moeder als de minderjarige zelf steunen het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing tot het einde van de ondertoezichtstelling op 5 september 2026.

De kinderrechter heeft tijdens een zitting met gesloten deuren de belangen van de minderjarige en de moeder afgewogen en concludeert dat de verlenging noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De machtiging wordt dan ook verlengd en uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt ook bij hoger beroep.

De beslissing is op 3 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door kinderrechter J. Lintjer en schriftelijk vastgelegd op 13 februari 2026. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam binnen drie maanden na betekening.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 5 september 2026 en direct uitvoerbaar verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/373979 / JU RK 26-147
Datum uitspraak: 3 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdamte Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. B. Kochheim-Bossink uit Aerdenhout.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter van 23 januari 2026 en het daarin genoemde stuk;
  • het schriftelijke stuk van de GI (tijdens de zitting overgelegd).
1.2.
Op 3 februari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De advocaat van de moeder heeft toegelicht dat de moeder vanwege een medische afspraak niet is verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover telefonisch een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verbleef in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp van [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] . Sinds 26 januari 2026 verblijft hij bij een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] .
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van 7 juni 2025 is [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 7 september 2025. Bij beschikking van de kinderrechter van 5 september 2025 is [de minderjarige] vervolgens onder toezicht gesteld tot 5 september 2026.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van 7 juni 2025 is ook een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie jeugdhulpaanbieder (crisisopvang) tot 5 juli 2025. Bij beschikking van de kinderrechter van 18 juni 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 7 september 2025.
2.5.
Bij beschikking van de kinderrechter van 22 juli 2025 is een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 19 augustus 2025. Bij beschikking van de kinderrechter van 30 juli 2025 is vervolgens een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 30 november 2025. Bij beschikking van de kinderrechter van 21 november 2025 is opnieuw een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 30 januari 2026. Bij beschikking van de kinderrechter van 24 december 2025 is daarna een voorwaardelijke machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp van 7 januari 2026 tot 7 april 2026.
2.6.
Bij beschikking van de kinderrechter van 23 januari 2026 is (opnieuw) een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 23 februari 2026, waarbij het verzoek voor het overige is aangehouden tot de zitting van 3 februari 2026 om de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen te worden gehoord door de kinderrechter.

3.Het resterende verzoek

3.1.
De GI verzoekt – in aansluiting op de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van vier weken – een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling (te weten tot 5 september 2026) en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft het verzoek als volgt onderbouwd. Bij [de minderjarige] is sprake van ASS- en drugsverslavingsproblematiek. Hij verbleef op een gesloten groep van [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] , maar [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] sloot niet bij hem aan en [de minderjarige] voelde zich daar niet gezien en gehoord. Hij liep daarom vaak weg. Op 7 januari 2026 kon [de minderjarige] starten bij [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] (hierna: [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] ), waarvoor een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp was verleend. Het behandeltraject is daar na twee dagen gestopt, omdat [de minderjarige] hasj had meegenomen en een joint had opgerookt. Hoewel [de minderjarige] daarna is teruggeplaatst bij [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] , is hij op 18 januari 2026 opnieuw weggelopen. Hij heeft ook suïcidale uitspraken gedaan. [de minderjarige] heeft perspectief nodig, maar [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] kan hem niet bieden wat hij nodig heeft. Hij kan vanaf 26 januari 2026 bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] worden geplaatst, waarvoor hij gemotiveerd is. Daar kan hem één op één begeleiding worden gegeven en aangesloten worden bij de voor hem nodige forensische zorg en verslavingsproblematiek.
3.3.
De GI heeft tijdens de zitting haar schriftelijk stuk voorgelezen. [de minderjarige] wil graag perspectief, duidelijkheid en een begeleid wonen plek. [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] is de enige plek die hem dat kan bieden. Ook helpt [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] hem bij het vinden van een passende baan en een opleiding, wat [de minderjarige] graag wil. Als het verzoek wordt toegewezen, kan [de minderjarige] (hoogstwaarschijnlijk) bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] blijven. [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] zal ook naar de mogelijkheden kijken voor na [de minderjarige] ’s achttiende verjaardag. [de minderjarige] geeft aan dat hij wiet rookt, maar geen andere middelen gebruikt. Toen [de minderjarige] gesloten was geplaatst, bleek uit de drugstesten ook niet dat hij drugs gebruikte. [de minderjarige] en de moeder hebben geen contact met elkaar.

4.Het standpunt van de moeder

4.1.
De advocaat van de moeder heeft aangegeven dat de moeder het eens is met het verzoek. De moeder hoopt heel erg dat de plaatsing van [de minderjarige] bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] een succes wordt. Zij is erg teleurgesteld dat [de minderjarige] is weggelopen bij [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] en zij is moegestreden. De moeder heeft nu geen contact met [de minderjarige] , maar zij heeft wel goed contact met de GI.

5.De mening van [de minderjarige]

5.1.
is het eens met het verzoek. Hij vindt het fijn dat hij bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] verblijft en hij is blij met de één op één begeleiding. [de minderjarige] heeft een baan en zet goede stappen in zijn leven.

6.De beoordeling

6.1.
Op basis van wat tijdens de zitting naar voren is gekomen, heeft de kinderrechter geen aanleiding gevonden om het in genoemde beschikking van 23 januari 2026 geformuleerde oordeel te wijzigen. Die beschikking wordt dan ook gehandhaafd.
6.2.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] Al enige tijd zijn er zorgen over [de minderjarige] op bijna alle levensgebieden. Bij [de minderjarige] is sprake van ASS- en gedragsproblematiek. Hij heeft (forensische) zorg en begeleiding nodig. Ook heeft hij hulp nodig bij het vinden van een dagbesteding en een opleiding. In de afgelopen periode is gebleken dat [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] of [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] niet de juiste plek is om [de minderjarige] daarbij te helpen. Ook vanuit de thuissituatie bij de moeder kan [de minderjarige] daarbij onvoldoende worden geholpen. Bovendien hebben [de minderjarige] en de moeder nu geen contact met elkaar. [de minderjarige] verblijft sinds kort bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] , waar hem de juiste hulp en begeleiding kan worden geboden. [de minderjarige] staat ook positief tegenover deze plaatsing. Het is daarom in [de minderjarige] ’s belang om bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] te verblijven en de juiste hulp snel op te starten. In de komende periode kan er ook worden gekeken naar het contactherstel tussen [de minderjarige] en de moeder. De kinderrechter hoopt en verwacht dat [de minderjarige] zich blijft inzetten om zijn situatie te verbeteren.
6.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7.
De beslissing
De kinderrechter:
7.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige]in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 5 september 2026;
7.2.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026 door mr. J. Lintjer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. F.G. van der Erve als griffier, en op schrift gesteld op 13 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.