Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
5.De beslissing
€ 50,00;
Rechtbank Noord-Holland
In dit kort geding vordert de verhuurder ontruiming van een woning die aan de huurder en diens kinderen wordt verhuurd. De verhuurder stelt dat het gaat om huur van woonruimte die naar haar aard slechts van korte duur is, waardoor geen wettelijke huurbescherming geldt. De huurder betwist dit en stelt dat sprake is van een reguliere huurovereenkomst zonder bepaalde tijd, met aanspraak op huurbescherming.
De kantonrechter oordeelt dat de aanvankelijke huur via Airbnb mogelijk kortdurend was, maar dat de latere voortzetting van de huur van twee kamers voor een vaste maandprijs en de feitelijke langdurige bewoning door de huurder en zijn minderjarige kinderen niet duiden op een huur van korte duur. Er is geen schriftelijke afspraak over een einddatum en de vermeende afspraak over huur tot terugkeer van de verhuurder is onvoldoende aannemelijk gemaakt.
Daarnaast weegt het belang van de minderjarige kinderen zwaar, mede gelet op het Verdrag inzake de rechten van het kind. Er is geen zicht op alternatieve huisvesting, waardoor ontruiming tot dakloosheid kan leiden. De verhuurder heeft ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de huurder zich niet als goed huurder gedraagt. De vordering tot ontruiming wordt daarom afgewezen.
Wel wordt de huurder veroordeeld tot betaling van een huurachterstand van €900 over oktober 2025, aangezien deze vordering niet voldoende is betwist. De verhuurder wordt veroordeeld in de proceskosten van de huurder.
Uitkomst: De vordering tot ontruiming wordt afgewezen en de huurder wordt veroordeeld tot betaling van een huurachterstand van €900.