3.3.2Bewijsmotivering
Feitenvaststelling
Op 21 april 2025 omstreeks 05:21 uur komt de politie naar aanleiding van een melding van een woningbrand ter plaatse bij de [adres 2] te Purmerend, zijnde de woning van de aangeefster waar zij destijds met de verdachte en hun kinderen als samengesteld gezin woonden (hierna ook: de woning). Aldaar ziet de verbalisant vlammen en zwarte rook uit de woning komen en treft hij de verdachte bewusteloos in de achtertuin bij de deuropening aan.
Zowel de aangeefster als de verdachte hebben verklaard dat zij vlak voor de brand een fikse ruzie hebben gehad in de woning. De aangeefster is daarop als eerste uit de woning vertrokken met haar twee kinderen [voornaam 1] en [voornaam 2] . De verdachte heeft met de aangeefster die nacht tussen 05:05 uur en 05:07 uur Whatsappberichten uitgewisseld. In deze berichten vraagt de verdachte om 05:05 uur aan de aangeefster waar zij is. De aangeefster schrijft daarop tussen 05:06 en 05:07 uur dat zij weg is, en de kinderen ook (“I’m gone Kids ook”).
Uit de beschrijving van de camerabeelden van de [adres 2] [nummer] , waarop onder meer de achtertuin en achterzijde van de woning aan de [adres 2] en de daarnaast gelegen parkeerplaats zichtbaar is, blijkt dat om 05:07:40 uur een persoon binnen in de woning staat, die heen en weer voor het achterraam loopt. Daarna verdwijnt hij uit het zicht. Een kind komt naar buiten en om 05:08:16 uur komt een tweede kind naar buiten. Om 05:08:42 uur verschijnt een persoon weer voor het raam en komt deze naar buiten lopen. Op dat moment staan twee kinderen met een fatbike op de straat. Het eerste kind stapt achter op de fatbike. Om 05:08:56 uur staat de persoon in de tuin bij het hek en zegt tegen de kinderen “Ik kom er aan ja!’’ en “Ga slapen’’. Hierop rijden de kinderen op de fatbike weg. Als zij aan het einde van de parkeerplaats zijn, hoor je een brandmelder piepen.
De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de persoon op deze beelden is en dat zijn twee kinderen, [voornaam 3] en [voornaam 4] op een fatbike de woning hebben verlaten. De verdachte heeft bevestigd dat hij vanaf dat moment alleen in en bij de woning was. Op diezelfde beelden – die ter zitting zijn bekeken – is om 05:09 uur te zien dat de verdachte in de tuin bij het raam van de keuken staat en dat er bij hem een lichtflits verschijnt. Vanaf dat moment is op de camerabeelden het brandalarm te horen. Vrijwel direct daarna ontstaan rookwolken in de woning en is oranje schijnsel te zien in de woning.
Diezelfde nacht om 05:09 uur heeft de verdachte met Whatsapp een foto naar de aangeefster gestuurd waarop een deel van de keuken en de woonkamer te zien is. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij die foto vanuit de tuin heeft gemaakt. In het midden van die foto is een brandend voorwerp te zien, gelegen op de leuning van de bank. De verdachte heeft bij het sturen van de foto de teksten “Weltruste’’ en “Mzzzl’’ aan de aangeefster gestuurd. De aangeefster heeft op enig moment bij de politie verklaard dat het brandende voorwerp op de bank een fleecedeken is. De verdachte is aangehouden op verdenking van brandstichting en bij zijn fouillering is onder andere een aansteker aangetroffen.
Opzet
De politie heeft in de woning een sporenonderzoek verricht. Op grond van dit onderzoek is de conclusie dat de brand zeer waarschijnlijk is ontstaan door het bijbrengen of achterlaten van (open) vuur, op of bij de bekleding van de hoekbank of materiaal dat op de hoekbank lag. Het gebruik van een sigarettenaansteker als ontstekingsmiddel wordt hierbij het meest passend geacht.
De rechtbank volgt deze conclusie van de brandweerdeskundige, werkzaam bij de politie, en neemt deze conclusie over. Op grond van het sporenonderzoek en de hiervoor genoemde feitelijke bevindingen, in onderling verband en samenhang bezien, is de brand naar het oordeel van de rechtbank dan ook ontstaan door het bijbrengen of het achterlaten van open vuur bij of op de hoekbank, dan wel de fleecedeken die op de bank lag. De rechtbank vindt hiervoor bevestiging in de omstandigheid dat de verdachte in de betreffende nacht een aansteker bij zich had. Bovendien had de verdachte in de periode gelegen tussen 05:07:40 uur en 05:08:42 uur de gelegenheid om brand te stichten. Dit geldt temeer omdat de verdachte vanaf 05:08:16 uur als enige persoon in de woning is geweest. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de verdachte willens en wetens (opzettelijk) brand heeft gesticht in de woning.
De verklaring van de verdachte dat hij – mede vanwege zijn beschonken toestand – niet door had dat de brandmelder afging, dat de keuken zich op dat moment met rook vulde en dat hij op de door hem genomen foto niet gezien heeft dat er een brandend voorwerp op de bank lag, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Daarvoor zijn deze gebeurtenissen en omstandigheden te duidelijk en omvangrijk van aard. De verdachte was bovendien kort daarvoor – ondanks zijn beschonken toestand – nog in staat zijn kinderen uit te zwaaien en met hen te spreken, terwijl op de camerabeelden te zien is dat hij op beide benen staat, heen en weer loopt en handelingen verricht, zoals het openen en sluiten van de deur. Hij was ook in staat om met zijn telefoon een foto te maken en via Whatsapp contact te hebben met de aangeefster. Dat de verdachte om 05:20:30 uur, nadat hij bij de buren aanbelt en roept dat er brand is, terug naar de woning rent en “ [voornaam 5] , [voornaam 5] ” roept (waarmee hij aangeefster bedoelt) en uiteindelijk bewusteloos in de deuropening wordt gevonden, doet – anders dan de verdediging meent – aan het voorgaande niets af.
De rechtbank volgt niet de suggestie van de verdediging, onder verwijzing naar het rapport, gedateerd 25 januari 2025 (de rechtbank leest: 2026) van een door de verdediging ingeschakelde deskundige van het Brand Technisch Bureau, dat de brand ook door een andere oorzaak kan zijn ontstaan, namelijk door het veronachtzamen van een brandende sigaret. Dit rapport stelt weliswaar dat het neerwaartse brandverloop en het daaruit voortvloeiende brandbeeld beter aansluit bij het roken-scenario dan bij het (open)vuur-scenario, maar het rapport sluit niet uit dat de brand door open vuur is ontstaan. Dit geldt temeer omdat bij het door de politie uitgevoerde sporenonderzoek enkel op de slaapkamers, en dus niet in de woonkamer, aanwijzingen voor het roken zijn aangetroffen. Bovendien stelt de deskundige van het Brand Technisch Bureau dat in de woonkamer op één plaats sprake is van warmteontwikkeling tot op vloerniveau, namelijk ter plaatse van het linker deel van de hoekbank. Hij stelt daarop de (tussen)conclusie dat de primaire brandhaard zich bevond op de zitting van de hoekbank. Deze bevindingen sluiten aan bij de bevindingen uit het sporenonderzoek door de politie. Daarin wordt gesteld dat het ontstaansgebied van de brand zich zeer waarschijnlijk op het linkerdeel van de hoekbank bevond. Deze bevindingen uit de rapportages worden naar het oordeel van de rechtbank ondersteund door de foto die door de verdachte aan de aangeefster is gestuurd. Daarop is immers een brandende fleecedeken te zien die over het linkerdeel van de hoekbank was gelegen. Nader onderzoek naar de eigenschappen van de fleecedeken heeft uitgewezen dat deze niet kan vlamvatten door een brandende sigaret. Gelet hierop stelt de rechtbank de conclusie in het rapport van het Brand Technisch Bureau met betrekking tot het roken-scenario ter zijde. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een nader onderzoek, zoals door de verdediging subsidiair en in voorwaardelijke zin is verzocht. Dat verzoek wordt dan ook afgewezen.
Vrijspraak gevaar goederen aangrenzende woningen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat zowel uit het dossier als uit het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat er bij de brandstichting gemeen gevaar voor een of meer aangrenzende woningen aan de [adres 2] of voor personen te duchten is geweest. Uit het forensisch onderzoek blijkt dat de brandschade zich heeft beperkt tot de woning van de aangeefster en dat sprake was van levensgevaar voor personen die zich in de woning aan de [adres 2] zouden begeven tijdens de brand. Zoals hiervoor overwogen was er tijdens de brandstichting, behalve de verdachte, niemand aanwezig in de woning. De verdachte moet om die reden vrijgesproken worden van deze bestanddelen.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk brand heeft gesticht in de woning aan de [adres 2] te Purmerend. Als gevolg van die brand was gemeen gevaar voor goederen, namelijk de betreffende woning en de daarin aanwezige inboedel, te duchten.