ECLI:NL:RBNHO:2026:1282

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
HAA 25/2210
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen weigering omgevingsvergunning wegens onjuiste toepassing parkeerbeleid

Eiser vroeg een omgevingsvergunning aan voor de verbouw van een winkelpand met bovenwoning tot twee eengezinswoningen met dakopbouwen op twee percelen in Haarlem. Het college wees de aanvraag af wegens vermeende strijd met het Parapluplan parkeernormen en de Nota parkeernormen, omdat het gebruiksdoel zou leiden tot een toename van de parkeerbehoefte die niet op eigen terrein kon worden opgelost.

De rechtbank oordeelt dat het college onterecht het gebruik voor wonen als een ruimtelijke ontwikkeling heeft aangemerkt waarop het parkeerbeleid van toepassing is. Het bestemmingsplan staat wonen toe op beide percelen, en het beoogde gebruik brengt de situatie in overeenstemming met het bestemmingsplan. De dakopbouwen zijn binnenplanse afwijkingen waarvoor een positief stedenbouwkundig advies is gegeven en die niet leiden tot een toename van de parkeerbehoefte.

Het beroep is gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens is het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het college moet het bezwaar opnieuw beoordelen en de vergunning alsnog verlenen indien geen andere weigeringsgronden bestaan.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/2210

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit Spaarndam, eiser

(gemachtigde: mr. W.A.A.M. Duineveld),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem

(gemachtigde: mr. Z. Aygünes-Karaca).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een omgevingsvergunning voor een ‘opbouw en verbouwing’ op de adressen [adressen] in Haarlem. Eiser is het niet eens met de weigering van de omgevingsplanactiviteit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college op onjuiste gronden de aanvraag in strijd met het parkeerbeleid heeft geacht. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft op 13 februari 2024 een aanvraag ingediend voor het verbouwen van een winkel met bovenwoning tot twee eengezinswoningen met dakopbouw op de adressen [adressen] in Haarlem. De winkel op de begane grond verdwijnt.
3.1.
Ter plaatste geldt het Omgevingsplan Haarlem. Als tijdelijk onderdeel maakt het voormalige bestemmingsplan ‘Delftwijk – Waterbuurt’ deel uit van het Omgevingsplan. [adres 1] heeft de bestemming ‘Woondoeleinden’ (W)’ en [adres 2] de bestemming ‘Gemengde doeleinden b’, waarbij op de begane grond onder meer ‘Wonen’ is toegelaten, en op de overige verdiepingen ‘Wonen’ is toegelaten.
3.2.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 21 mei 2024 afgewezen vanwege strijd met het Parapluplan parkeernormen Haarlem 2018 (hierna: Parapluplan parkeernormen) en de Beleidsregels parkeernormen Haarlem 2023 (hierna ook: de Nota parkeernormen). Hier heeft eiser bezwaar tegen gemaakt.
3.3.
Met het bestreden besluit van 18 maart 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven, onder aanvulling van de motivering.
3.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.5.
Eiser heeft op 28 november 2025 aanvullende producties ingediend.
3.6.
De rechtbank heeft het beroep op 8 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn vrouw [naam] , de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Omvang van het geschil
4.1.
Het college heeft met het bestreden besluit de weigering van een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen in stand gelaten. De weigeringsgrond die ter beoordeling bij de rechtbank voorligt is of het college terecht en op goede gronden heeft beoordeeld dat de aanvraag in strijd is met het Parapluplan Parkeernormen en de Nota parkeernormen.
4.2.
De aanvraag is door het college mede in strijd beoordeeld met het tijdelijk deel van het Omgevingsplan voor wat betreft het bouwen van de dakopbouwen omdat daarmee de maximaal toegestane bouw- en goothoogte uit het bestemmingsplan wordt overschreden. Het college heeft beoordeeld dat medewerking kan worden verleend aan een binnenplanse afwijking voor deze overschrijdingen. Hier ligt een positief stedenbouwkundig advies aan ten grondslag. Het bouwplan is ook akkoord bevonden voor wat betreft de redelijke eisen van welstand.
4.3.
Het college heeft de aanvraag nog niet beoordeeld voor de technische bouwactiviteit.
Het bestreden besluit
5. Het college stelt zich op het standpunt dat de aanvraag in strijd is met het Parapluplan Parkeernormen omdat door het bouwplan de auto- en fietsparkeerbehoefte toeneemt, waarvoor op eigen terrein geen ruimte is. Dit is in strijd met de Nota parkeernormen. In het bestreden besluit motiveert het college dat de aanvraag een herbestemming behelst waarmee één extra woning wordt toegevoegd, waardoor de parkeerbehoefte ook toeneemt, in het bijzonder op het piekmoment voor bewonersparkeren. Het is volgens het college niet mogelijk om de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie voor twee woningen te salderen met de parkeerbehoefte in de oude situatie voor detailhandel met een bovenwoning. Voor de bestemmingen Woondoeleinden en Detailhandel gelden namelijk andere maatgevende piekmomenten. De ontstane extra parkeerbehoefte op het piekmoment voor wonen is daarom volgens het college geheel nieuw en dient op eigen terrein te worden opgelost, wat in dit geval niet kan.
Hierbij heeft het college beoordeeld dat de vrijgekomen parkeerplaats in de openbare ruimte (met een kruis) die werd gebruikt door de vrachtwagen van de opgeheven winkel, de parkeerbehoefte ook niet zou oplossen. Volgens het college kan niet worden aangenomen dat de vrachtwagen structureel aanwezig was tijdens de maatgevende parkeermomenten voor bewonersparkeren, zodat deze vrachtwagen niet representatief is.
Beroepsgronden
6. Eiser voert onder meer aan dat in de openbare ruimte in voldoende parkeerplaatsen voorzien zou moeten zijn. Volgens het bestemmingsplan is het op de bestemmingen ‘Woondoeleinden’ en ‘Gemengde doeleinden b’ toegestaan om te wonen. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan is al rekening gehouden met het parkeren. Dat planologisch een extra woning of nieuwe functie met een plan-overstijgende parkeerbehoefte wordt toegevoegd is volgens eiser dan ook onjuist.
Ruimtelijk relevante ontwikkeling?
7. De rechtbank overweegt dat in het Parapluplan parkeernormen wordt verwezen naar de Nota parkeernormen. In paragraaf 1.1 is opgenomen dat de Nota parkeernormen ‘het beleid [is] van de gemeente Haarlem over hoe fiets- en autoparkeren in ruimtelijke ontwikkelingen moet worden opgelost’.
Uit paragraaf 3.1 volgt ‘Een parkeernorm is een getal dat aangeeft hoeveel fiets- en autoparkeerplaatsen nodig zijn in een ruimtelijke ontwikkeling’ en ‘De aard en omvang van een ruimtelijke ontwikkeling is van invloed op de werking en complexiteit van parkeernormen.’
De stappen tot het bepalen van de parkeerbehoefte zijn opgenomen in paragraaf 6.3. ‘Om de normatieve parkeerbehoefte te berekenen moet voor iedere geplande functie de berekening functie * parkeernorm worden uitgevoerd’.
Vervolgens is in paragraaf 3.2.6 opgenomen dat het beleidsuitgangspunt is dat de benodigde parkeerplaatsen voor een ruimtelijke ontwikkeling op eigen terrein beschikbaar worden gesteld. In paragraaf 3.2.8 worden alle adressen binnen ruimtelijke ontwikkelingen uitgesloten van openbare parkeerrechten.
8. De rechtbank overweegt verder dat het college bij de beoordeling of voor een bouwplan wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening hoeft te houden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van dat bouwplan. Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten. [1]
9. De rechtbank ziet zich – gelet op het toetsingskader en de Nota parkeernormen – voor de vraag gesteld of het aangevraagde bouwplan een ruimtelijke ontwikkeling behelst, waarop de Nota parkeernormen van toepassing is, gelet waarop een berekening van de (toename van de) parkeerbehoefte diende te worden gemaakt. De term ‘ruimtelijke ontwikkeling’ is in de Nota parkeernormen niet gedefinieerd.
Gebruik
10.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is het aangevraagde/beoogde gebruik van de gebouwen als woningen geen relevante ruimtelijke ontwikkeling in de zin van de Nota parkeernormen.
Eiser voert terecht en onbetwist aan dat het gebruik voor wonen op grond van het bestemmingsplan toegestaan is. Voor de [adres 1] geldt de bestemming ‘Woondoeleinden’ en voor de [adres 2] geldt de bestemming ‘Gemengde doeleinden b’, gelet waarop het zowel op de begane grond als op de overige verdiepingen ‘Wonen’ is toegelaten. Het college heeft ter zitting bevestigd dat in de huidige situatie er zich niets tegen verzet de woning [adres 1] en de woning [adres 2] als woning in gebruik te nemen.
10.2.
Op enig moment zijn – nog los van de vraag of dit vergund is – de boven- en benedenverdiepingen van beide woningen gesplitst en samengevoegd tot de feitelijk bestaande situatie van één winkel op de begane grond en een woning op de bovenetage. Echter is de bestaande situatie niet formeel geconserveerd of vastgelegd in het bestemmingplan. Het college kon daarom niet slechts uitgaan van de feitelijke/bestaande situatie zoals aangegeven op de bouwtekeningen, nu de planologisch toegestane situatie anders is. Omdat de bestaande situatie niet is vastgelegd, is, hoewel feitelijk een winkel verdwijnt en een woning wordt toegevoegd, met de aanvraag in planologische zin geen sprake van een “herbestemming of herontwikkeling” en “splitsing of omzetting” van de gebouwen als gevolg waarvan een nieuwe of
extrawoning (functie) wordt gerealiseerd. [2] Integendeel, het aangevraagde/beoogde strekt ertoe dat het gebruik juist in overeenstemming met het bestemmingsplan wordt gebracht.
10.3.
Voor de geldende bestemmingen zijn in het bestemmingsplan geen parkeerplaatsen op eigen terrein voorzien. Omdat het beoogde gebruik geen nieuwe functie of herbestemming is, had het college ervan uit kunnen gaan dat voor de maximale invulling van de planologische mogelijkheden voldoende parkeerplaatsen in de openbare ruimte zijn voorzien. De na het bestemmingsplan vastgestelde Nota parkeernormen mag er immers niet toe leiden dat functies in overeenstemming met het bestemmingsplan niet als zodanig benut kunnen worden.
10.4.
Het college heeft ten onrechte het gebruik voor wonen als een ruimtelijke ontwikkeling bestempeld, aan de hand van de Nota parkeernormen een parkeerberekening gemaakt en de aanvraag geweigerd om het uit die berekening gevolgde tekort aan parkeerplaatsen, dat (ook) niet in de openbare ruimte kon worden opgelost.
Bouwen
11. De rechtbank overweegt dat gelet op het voorgaande het bouwen van de aangevraagde dakopbouwen op beide percelen de enige ruimtelijke ontwikkeling betreft, nu die met een afwijking van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan dient te worden vergund. Echter heeft het college niet inzichtelijk gemaakt waarom, en zo ja hoe, het enkel toevoegen van de dakopbouwen (waarmee aan de te onderscheiden woningen enkel een extra verblijfsruimte wordt toegevoegd) leidt tot een toename van de parkeerbehoefte. De afwijking kan vergund worden met een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid voor de goot- en bouwhoogte, zodat de planwetgever al rekening heeft gehouden met die mogelijkheid. Zoals in 4.2 is overwogen, is de afwijking al akkoord bevonden. Bovendien zijn alleen al in de directe omgeving van de projectlocatie voor meerdere woningen soortgelijke dakopbouwen vergund en gerealiseerd, zoals partijen ter zitting hebben bevestigd, terwijl die ook niet in parkeerplaatsen op eigen terrein voorzien, en een toetsing aan de Nota parkeernormen niet heeft plaatsgehad of tot een weigering van de gevraagde woninguitbreiding heeft geleid.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is reeds gelet op het vorenstaande gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Aan de overige beroepsgronden komt de rechtbank niet toe. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen. Nu de aanvraag niet in strijd is met het Parapluplan Parkeernormen en de Nota parkeernormen heeft het college die weigeringsgrond in dit geval ten onrechte ingeroepen. Het college dient de aanvraag nu alsnog te beoordelen voor de technische bouwactiviteit, en indien zich daarbij geen weigeringsgronden voordoen, de gevraagde vergunning te verlenen.
13. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten, die het college moet betalen. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding vast op € 1.868,-
(1 punt voor het indienen van het beroep en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, ten hoogte van € 934,- per punt en weging 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 18 maart 2025;
  • bepaalt dat het college binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van eiser dient te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt het college tot een proceskostenvergoeding aan eiser ten hoogte van
  • bepaalt dat het college het griffierecht ten hoogte van € 194,- aan eiser vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.A. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zo volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld in de uitspraak van 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2690.
2.Zie voor de toepassing van deze redenering in een ander geval de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 21 juli 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:11349.