AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Echtscheiding met verdeling huwelijkse voorwaarden en zorgregeling minderjarigen
De rechtbank Noord-Holland heeft op 12 februari 2026 de echtscheiding uitgesproken tussen partijen die gehuwd waren te [gemeente] op [huwelijksdatum]. De minderjarige kinderen krijgen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw, terwijl de zorgregeling voorziet in verblijf bij de man volgens een vastgesteld schema. De rechtbank heeft het verzoek tot echtscheiding toegewezen, ondanks het ontbreken van een ouderschapsplan, omdat partijen dit redelijkerwijs niet konden overleggen.
De rechtbank heeft de kinder- en partnerbijdragen vastgesteld op respectievelijk €115,- per kind per maand en €30,- bruto per maand, met ingang van de datum van de beschikking. De draagkracht en behoefte van partijen zijn zorgvuldig berekend volgens het Tremarapport 2026, waarbij ook een zorgkorting van 35% is toegepast. Daarnaast is bepaald dat de Nederlandse paspoorten van de minderjarigen bij de man blijven en de Israëlische paspoorten bij de vrouw.
Met betrekking tot de vermogensrechtelijke afwikkeling zijn de huwelijkse voorwaarden met een finaal verrekenbeding toegepast. De echtelijke woning is aan de man toegewezen tegen een waarde van €550.000,-, verminderd met een lening van €28.848,- en een vergoedingsrecht van €242.500,- voor de man wegens investering vanuit privévermogen. De man moet de vrouw €139.326,- betalen wegens overbedeling. Verder zijn afspraken gemaakt over de verdeling van eenvoudige gemeenschappen zoals auto, inboedel en bankrekeningen.
De rechtbank verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wees het meer of anders verzochte af. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Amsterdam binnen drie maanden na uitspraak.
Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken met hoofdverblijfplaats kinderen bij vrouw, zorgregeling vastgesteld, alimentaties bepaald en vermogensrechtelijke afwikkeling met vergoedingsrecht man geregeld.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Haarlem
zaaknummer / rekestnummer: C/15/334802 / FA RK 22-5884 en
C/15/341922 / FA RK 23-3307
Beschikking d.d. 12 februari 2026 betreffende de echtscheiding
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. H. Loonstein, gevestigd te Amsterdam,
tegen
[de man] ,
wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen de man,
advocaat voorheen mr. E.B.R. van Griethuysen, gevestigd te Haarlem,
thans mr. B. Wernik, gevestigd te Haarlem.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 25 november 2022;
- het bericht, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 16 januari 2023;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de man, ingekomen op 24 januari 2023;
- het bericht van de vrouw, ingekomen op 15 februari 2023;
- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek tevens aanvullend verzoek, met bijlage, van de vrouw, ingekomen op 7 juli 2023;
- het bericht van de vrouw, ingekomen op 7 november 2025;
- het bericht van de man, met bijlagen, ingekomen op 5 januari 2026;
- het bericht van de vrouw, met bijlagen, ingekomen op 5 januari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 15 januari 2026 in aanwezigheid van partijen en hun advocaten. Verder is [vertegenwoordiger van de raad] verschenen namens de Raad voor de Kinderbescherming.
1.3.
De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. Op 13 januari 2026 hebben zij hun mening in een gesprek met de kinderrechter bekend gemaakt.
2.De beoordeling
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [gemeente] .
2.2.
Partijen hebben in ieder geval de Nederlandse nationaliteit. Ten tijde van het huwelijk had de vrouw de Israëlische nationaliteit.
2.3.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , en
- [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .
2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank van 2 november 2022 is bij wege van voorlopige voorzieningen bepaald dat:
- de minderjarigen worden toevertrouwd aan de vrouw;
- de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) als volgt zal zijn:
de minderjarigen verblijven bij de man:
elke week van dinsdag uit school/opvang tot woensdag naar school/opvang;
één keer in de twee weken een weekend van vrijdag uit school/opvang tot maandag naar school/opvang;
de helft van alle vakanties van meer dan één week en de overige vakanties in onderling overleg te verdelen;
- de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en de zich daarin bevindende inboedelgoederen aan [adres] met bevel dat de man die woning per 1 december 2022 dient te verlaten en deze verder niet mag betreden; - de man met ingang van 1 december 2022 bij vooruitbetaling een bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna: kinderbijdrage) van € 137,- per kind per maand aan de vrouw dient te betalen.
2.5.
Scheiding
2.5.1.
Partijen verzoeken de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
2.5.2.
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide partijen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit bezaten, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
2.5.3.
Op grond van artikel 815, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv).
2.5.4.
Door partijen is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, tweede lid, Rv overgelegd. Nu partijen voldoende hebben gemotiveerd dat het voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan te overleggen, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoek tot echtscheiding.
2.5.5.
Op grond van artikel 10:56 vanPro het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
2.5.6.
De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond toewijzen.
2.6.
Hoofdverblijfplaats en zorgregeling
2.6.1.
De vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar te bepalen en een zorgregeling vast te stellen waarbij de minderjarigen bij de man verblijven:
- elke week van dinsdag uit school/opvang tot woensdag naar school/opvang;
- één keer in de twee weken een weekend van vrijdag uit school/opvang tot maandag naar school/opvang;
- de helft van alle vakanties van meer dan één week en de overige vakanties in onderling overleg te verdelen.
2.6.2.
De man verzoekt de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem te bepalen en een zorgregeling vast te stellen waarbij de minderjarigen in een tweewekelijks schema:
- van dinsdag uit school tot woensdag naar school bij de man verblijven;
- van woensdag uit school tot vrijdag naar school bij de vrouw verblijven;
- van vrijdag uit school tot donderdag naar school bij de man verblijven;
- van donderdag uit school tot dinsdag naar school bij de vrouw verblijven;
en waarbij de schoolvakanties, studiedagen en de Joodse feest- en herdenkingsdagen bij helfte worden verdeeld.
2.6.3.
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen.
2.6.4.
De man heeft ter zitting ingestemd met het verzoek van de vrouw om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar te bepalen. Nu de man met dit verzoek instemt en niet is gebleken dat de belangen van de minderjarigen zich hiertegen verzetten, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw ten aanzien van de hoofdverblijfplaats toewijzen.
2.6.5.
Voorts hebben partijen tijdens de zitting overeenstemming bereikt over de zorgregeling. Partijen hebben afgesproken dat de minderjarigen als volgt bij de man verblijven:
- elke week van maandag uit school tot woensdag naar school;
- één keer in de twee weken een weekend van vrijdag uit school tot maandag naar school;
- de helft van alle vakanties van meer dan één week en de overige vakanties in onderling overleg te verdelen.
De rechtbank acht deze zorgregeling net als de Raad in het belang van de minderjarigen en zal deze vastleggen. De regeling komt tegemoet aan de wensen die [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] tijdens het gesprek met de kinderrechter naar voren hebben gebracht.
2.7.
Paspoorten
2.7.1.
De man verzoekt te bepalen dat de Nederlandse paspoorten van de minderjarigen bij de man thuis worden bewaard en dat de Israëlische paspoorten van de minderjarigen bij de vrouw thuis worden bewaard en dat partijen deze onderling aan elkaar afgeven als zij deze nodig hebben voor vakanties of andersoortige zaken waarvoor een paspoort nodig is.
2.7.2.
De vrouw verzoekt dit verzoek van de man af te wijzen.
2.7.3.
Partijen hebben tijdens de zitting overeenstemming bereikt op dit punt. Partijen hebben afgesproken dat de Nederlandse paspoorten van de minderjarigen in beheer zullen zijn bij de man en dat de Israëlische paspoorten van de minderjarigen in beheer zullen zijn bij de vrouw. Verder hebben partijen afgesproken dat een identiteitskaart voor de minderjarigen zal worden aangevraagd en dat de vrouw de identiteitskaarten in beheer zal krijgen. Indien de vrouw de Nederlandse paspoorten van de minderjarigen nodig heeft voor een reis met hen buiten Europa dan zal de man deze paspoorten tijdig aan haar overhandigen. De rechtbank zal voornoemde afspraken vastleggen nu niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich hiertegen verzet.
2.8.
Onderhoudsbijdragen
2.8.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man bij vooruitbetaling:
- een kinderbijdrage van € 439,- per maand aan haar dient te voldoen, waarbij de eerste indexering op 1 januari 2024 zal plaatsvinden.
- een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) van € 429,- per maand aan haar dient te voldoen.
2.8.2.
De man verzoekt:
- te bepalen dat hij met ingang van 1 mei 2025 een kinderbijdrage van € 85,- per kind per maand aan de vrouw dient te betalen, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen ingangsdatum en bijdrage;
- het verzoek van de vrouw om een partnerbijdrage af te wijzen.
2.8.3.
De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 vanPro de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van de verzoeken tot vaststelling van een kinder- en partnerbijdrage kennis te nemen.
2.8.4.
De rechtbank zal op grond van artikel 3 vanPro het Protocol van 23 november 2007 het recht van Nederland toepassen op de verzoeken tot vaststelling van een kinder- en partnerbijdrage, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
2.8.5.
De rechtbank zal eerst het verzoek van de vrouw om een kinderbijdrage en daarna het verzoek van de vrouw om een partnerbijdrage beoordelen. De rechtbank zal de verzoeken beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het rapport van de Expertgroep Alimentatie (Tremarapport). De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen (bijlage 1) en overweegt met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten als volgt.
2.8.6.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. De man heeft de echtelijke woning in op 1 december 2022 verlaten. De vrouw was op dat moment in loondienst werkzaam bij Stichting [Stichting] . Sinds 1 augustus 2025 is de vrouw in loondienst werkzaam bij Stichting [Stichting] . De man is sinds 22 april 2014 in loondienst werkzaam bij [BV]
Kinderbijdrage
Ingangsdatum
2.8.7.
De vrouw verzoekt voor de ingangsdatum aan te sluiten bij de datum van de beschikking. De man verzoekt de ingangsdatum te bepalen op 1 mei 2025 en stelt daartoe dat hij in het verleden teveel kinderbijdrage aan de vrouw heeft betaald.
2.8.8.
De rechtbank stelt vast dat in de voorlopige voorzieningenbeschikking van 2 november 2022, voor de duur van de echtscheidingsprocedure, een door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage is vastgesteld. De man heeft nadien niet verzocht om een wijziging van deze beschikking omdat de kinderbijdrage lager zou moeten zijn. Daarnaast zullen de door de man aan de vrouw betaalde kinderbijdrage na 1 mei 2025 zijn uitgegeven gelet op de consumptieve aard van deze bijdrage. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om de ingangsdatum van de kinderbijdrage te bepalen op de datum van de beschikking, te weten 12 februari 2026.
Behoefte
2.8.9.
Bij de berekening van de kinderbijdrage wordt eerst gekeken naar de kosten van een kind. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd.
2.8.10.
Tussen partijen is niet in geschil dat de basisbehoefte van de minderjarigen in 2022 € 456,- per kind per maand bedroeg, geïndexeerd naar 1 januari 2026 € 558,- per kind per maand.
2.8.11.
De vrouw stelt dat deze behoefte moet worden verhoogd aangezien de daadwerkelijke kosten voor de minderjarigen hoger liggen. Ter onderbouwing heeft de vrouw een kostenoverzicht overgelegd. De man betwist dat sprake is van bijzondere behoefteverhogende kosten.
2.8.12.
De rechtbank overweegt dat de basisbehoefte kan worden gecorrigeerd voor kosten die niet of onvoldoende in de gehanteerde norm voor kosten van kinderen zijn verdisconteerd en die bovendien niet te compenseren zijn met andere uitgavenposten. Voorbeelden van kosten die in aanmerking komen voor correctie zijn de extra kosten van een gehandicapt kind, kosten van topsport, privélessen, extra hoge schoolgelden en hoge oppaskosten. De rechtbank is van oordeel dat de door de vrouw in haar overzicht opgevoerde kosten voor de minderjarigen niet zo bijzonder zijn dat deze behoefteverhogend werken. Het betreffen algemene kosten die iedere ouder zal hebben en deze kosten zijn meegenomen in de berekening van de basisbehoefte. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de basisbehoefte van de minderjarigen niet verhogen.
Draagkracht van partijen
2.8.13.
Bij de berekening van de kinderbijdrage moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van partijen kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van partijen genoemd.
2.8.14.
Het bedrag aan draagkracht wordt volgens de richtlijn, zoals vermeld in het Tremarapport van 2026, vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI – (NBI x 0,3 + 1.365)]. Hierbij wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het NBI, een forfaitair bedrag van € 1.365 per maand voor de kosten van levensonderhoud en een draagkrachtpercentage van 70.
2.8.15.
Ten aanzien van de draagkracht van de man overweegt de rechtbank als volgt.
2.8.16.
De man stelt dat bij de berekening van zijn draagkracht moet worden gerekend met de cumulatieven op zijn salarisspecificatie van december 2025. De man heeft nog niet de beschikking over een jaaropgave 2025. De vrouw is van mening dat de man zijn meest actuele inkomensgegevens dient te verstrekken. De vrouw wenst daarnaast inzage in alle salarisspecificaties van de man in 2025 om zicht te krijgen op alle door de man ontvangen salariscomponenten.
2.8.17.
De rechtbank stelt vast dat de man zijn salarisspecificatie van december 2025 in het geding heeft gebracht. Met deze specificatie heeft de man naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzicht gegeven in zijn meest actuele inkomensgegevens en hiermee zal de rechtbank gaan rekenen. Uit de cumulatieven op de salarisspecificatie van december 2025 volgt dat de man in 2025 een fiscaal loon heeft genoten van € 73.008,09. Dit cumulatieve bedrag omvat alle salariscomponenten. Aan de hand van dit inkomen en rekening houdend met de van toepassing zijnde heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2026 op € 4.212,- per maand. Volgens de hiervoor vermelde formule heeft de man dan een draagkracht van € 1.108,- per maand, oftewel € 369,- per kind per maand.
2.8.18.
Ten aanzien van de draagkracht van de vrouw overweegt de rechtbank als volgt.
2.8.19.
Tussen partijen is niet in geschil dat bij de berekening van de draagkracht van de vrouw kan worden uitgegaan van de inkomensgegevens op haar salarisspecificatie van december 2025. Uitgaande van deze inkomensgegevens en rekening houdend met de aanspraak van de vrouw op het kindgebonden budget en de van toepassing zijnde heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 3.754,- per maand. Volgens de hiervoor vermelde formule heeft de vrouw dan een draagkracht van € 884,- per maand, oftewel € 295,- per kind per maand.
2.8.20.
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 664,- per kind per maand. Dit bedrag overschrijdt de behoefte van de minderjarigen en daarom is er aanleiding om een draagkrachtvergelijking te maken. Het eigen aandeel van de man in de kosten van de minderjarigen bedraagt € 310,- per kind per maand en het eigen aandeel van de vrouw in de kosten van de minderjarigen bedraagt € 248,- per kind per maand.
Zorgkorting
2.8.21.
Op het berekende aandeel van de man dient de zorgkorting in mindering te worden gebracht. De rechtbank volgt ook in dit opzicht het Tremarapport, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg.
2.8.22.
Tussen partijen is niet in geschil dat rekening moet worden gehouden met en zorgkorting van 35% van de behoefte van de minderjarigen. De zorgkorting beloopt dan een bedrag van € 195,- per kind per maand. De man wordt geacht dit bedrag minimaal te besteden aan de minderjarigen bij de uitoefening van zijn zorgtaken.
Conclusie
2.8.23.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de man met ingang van 12 februari 2026 bij vooruitbetaling een kinderbijdrage van € 115,- per kind per maand aan de vrouw dient te betalen.
Partnerbijdrage
Ingangsdatum
2.8.24.
De rechtbank zal de ingangsdatum van de partnerbijdrage bepalen op de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, nu dit uit de wet voortvloeit.
(Aanvullende) behoefte vrouw
2.8.25.
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de vrouw aan de hand van de hofnorm in 2022 € 2.368,- netto per maand bedroeg, geïndexeerd naar 1 januari 2026 € 2.897,- netto per maand.
2.8.26.
Op deze behoefte dienen de eigen inkomsten van de vrouw in mindering te worden gebracht.
2.8.27.
Uitgaande van de onder overweging 2.8.19 genoemde inkomensgegevens van de vrouw en rekening houdend met de van toepassing zijnde heffingskortingen resteert een aanvullende behoefte van de vrouw aan een partnerbijdrage van € 33,- netto per maand, dan wel € 65,- bruto per maand.
Draagkracht man
2.8.28.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de man over voldoende draagkracht beschikt om bij te dragen in de aanvullende behoefte van de vrouw.
2.8.29.
Het bedrag aan draagkracht wordt volgens de richtlijn, zoals vermeld in het Tremarapport van 2026, vastgesteld aan de hand van de formule 60% [NBI – (NBI x 0,3 + 1.365)]. Hierbij wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het NBI, een forfaitair bedrag van € 1.365 per maand voor de kosten van levensonderhoud en een draagkrachtpercentage van 60.
2.8.30.
Voor de berekening van de draagkracht van de man hanteert de rechtbank het inkomen van de man zoals genoemd onder overweging 2.8.17. Uitgaande van dit inkomen en rekening houdend met de van toepassing zijnde heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 4.212-.
2.8.31.
De man stelt dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met zijn daadwerkelijke hogere woonlast in plaats van met het woonbudget. Naast zijn eigen huurlast betaalt de man immers ook alle eigenaarslasten van de echtelijke woning. De vrouw is van mening dat er geen reden is om af te wijken van het woonbudget.
2.8.32.
De rechtbank stelt vast dat bij de berekening van de partnerbijdrage op forfaitaire wijze rekening wordt gehouden met de woonlast, te weten 30% van het netto besteedbaar inkomen. Dit wordt het woonbudget genoemd. Als sprake is van duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten dan het woonbudget dan kan met die extra lasten rekening worden gehouden als vastgesteld kan worden dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten.
2.8.33.
De rechtbank stelt onder verwijzing naar overweging 2.9.19 vast dat de verdeling van de echtelijke woning binnen afzienbare tijd zal worden gerealiseerd. Na de verdeling van de echtelijke woning zullen de dubbele woonlasten van de man komen te vervallen. Dit in aanmerking nemende ziet de rechtbank geen aanleiding om voor deze korte periode af te wijken van het forfaitaire stelsel. Het is belangrijk dat de vast te stellen partnerbijdrage zo veel mogelijk toekomstbestendig is. Gelet hierop houdt de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de man rekening met het woonbudget.
2.8.34.
Op grond van voormelde formule bedraagt de draagkracht van de man dan € 950,- per maand. Na aftrek van de bijdrage van de man in de behoefte van de minderjarigen van € 931,- per maand, resteert een beschikbare draagkracht voor het betalen van een partnerbijdrage van € 19,- netto per maand, dan wel € 30,- bruto per maand.
Conclusie
2.8.35.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een partnerbijdrage van € 30,00 bruto per maand aan de vrouw moet betalen.
2.9.
Vermogensrechtelijke afwikkeling
2.9.1.
Partijen verzoeken over te gaan tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.
2.9.2.
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.
2.9.3.
Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing.
2.9.4.
Nu partijen een volgens dit Verdrag geldige keuze hebben uitgebracht voor het Nederlands recht, is dat recht van toepassing op hun huwelijksvermogensregime.
2.9.5.
Partijen zijn op 24 maart 2014 huwelijkse voorwaarden overeengekomen. In de akte huwelijkse voorwaarden is, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen:
Algehele uitsluiting
Artikel 1
De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.
(…)
Vergoedingen
Artikel 3
De echtgenoten zijn, voor zover niet anders bepaald, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, ten bedrag van of naar de waarde ten dage van de onttrekking. Deze vergoedingen zijn terstond opeisbaar.
(…)
Verrekening van inkomsten
Artikel 8
Tussen partijen zal geen enkele vorm van inkomstenverrekening plaatsvinden.
Finaal/verrekenbeding
Artikel 9
1. (…)
2. Bij het einde van het huwelijk door echtscheiding zullen de echtgenoten met elkaar afrekenen alsof zij in algehele gemeenschap van goederen gehuwd waren, met inachtneming van hetgeen hierna is bepaald ten aanzien van de pensioenrechten. Buiten de afrekening blijft echter al wat krachtens erfrecht of door schenking is verkregen, de opbrengst van een en ander en wat voor een en ander in de plaats is gekomen, alsmede al hetgeen is vermeld op na te melden lijst van aanbrengsten.
3. (…)
De afrekening als in lid 2 bedoeld geschiedt naar de toestand en de waarde op de dag waarop de procedure tot echtscheiding aanhangig werd gemaakt.
(…)
Pensioenrechten
Artikel 10
Indien het huwelijk van echtgenoten door echtscheiding wordt ontbonden danwel indien tussen de echtgenoten de scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, zullen de door de echtgenoten opgebouwde pensioenaanspraken worden verevend conform het in de artikelen 2 en 3 bepaalde van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.
(…)
Als bijlage, behorend bij voornoemde huwelijkse voorwaarden, is het volgende vermeld:
Staat van aanbrengsten (…)
Aangebracht door [de man] :
- het appartement aan [adres] (incl. parkeerplaats),
- de woning aan [adres] (50% bloot eigenaar) en
- een schuld van € 100.000,- aan zijn moeder [de moeder van de man] (lening wegens aankoop appartement [adres] ).
Aangebracht door [de vrouw] :
- alle bezittingen die zij naar Nederland heeft meegenomen,
- alle bezittingen die ze voor dit huwelijk bezit, en
- al het vastgoed in Israël en geld die ze via haar ouders zal erven (volgens hun testament).
2.9.6.
Kort gezegd houden de huwelijkse voorwaarden een uitsluiting van elke gemeenschap van goederen in, waarbij partijen een finaal verrekenbeding zijn overeengekomen inhoudende dat bij ontbinding van het huwelijk door echtscheiding wordt afgerekend alsof partijen in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd. Dit betekent dat niet moeten verdeeld, maar moet worden verrekend. De vermogensbestanddelen blijven van de partij die het eigendom heeft, maar de waarde moet bij helfte worden verrekend. Uiteindelijk moet worden vastgesteld of een van partijen in het kader van het finale verrekenbeding een bedrag aan de ander moet betalen.
2.9.7.
Daarnaast kunnen partijen goederen in mede-eigendom hebben. Dit betreffen eenvoudige gemeenschappen die moeten worden verdeeld.
2.9.8.
De rechtbank zal achtereenvolgens de door partijen genoemde vermogensbestanddelen bespreken.
2.9.9.
Voor zover partijen het eens over de (wijze van) verdeling van hun eenvoudige gemeenschappen zal de rechtbank hierover geen beslissing opnemen in het dictum. In dat geval is er immers op grond van artikel 3:185 vanPro het Burgerlijk Wetboek geen taak weggelegd voor de rechter.
Auto
2.9.10.
Tussen partijen is niet in geschil dat de auto van het merk [automerk] met kenteken [kenteken] een eenvoudige gemeenschap betreft die tussen partijen moet worden verdeeld.
2.9.11.
Partijen zijn het erover eens dat de auto aan de man wordt toebedeeld tegen een waarde van € 7.961,-, waarbij de man een bedrag van € 3.980,50 aan de vrouw zal vergoeden wegens overbedeling.
Inboedel
2.9.12.
Tussen partijen is niet in geschil dat de inboedel een eenvoudige gemeenschap betreft die tussen partijen moet worden verdeeld.
2.9.13.
Partijen zijn het erover eens dat de verdeling van de in de echtelijke woning aanwezige inboedel zal plaatsvinden zoals vermeld in de aan deze beschikking gehechte inboedellijst (bijlage 2), zonder nadere verrekening van de waarde over en weer. Partijen zullen met elkaar een moment afspraken waarop de goederen met elkaar zullen worden uitgewisseld.
Bankrekeningen
2.9.14.
Tussen partijen is niet in geschil dat:
- de man de helft van de genoemde saldi op de volgende bankrekeningen aan de vrouw vergoedt:
- [rekeningnummer] t.n.v partijen met een saldo van € 82,73
- [rekeningnummer] t.n.v. partijen met een saldo van € 4,-
- [rekeningnummer] t.n.v. de man met een saldo van € 595,04
- [rekeningnummer] t.n.v. de man met een saldo van € 4.976,-.
Dit betekent dat de man ten aanzien van de banksaldi nog een bedrag van € 2.828,89 aan de vrouw dient te betalen.
2.9.15.
Voorts is niet in geschil dat de vrouw de helft van het saldo op haar bankrekening met nummer [rekeningnummer] aan de man dient te vergoeden. De vrouw heeft echter niet, zoals ter zitting besproken, nog een afschrift van deze bankrekening met het saldo op 25 november 2022 in het geding gebracht. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de vrouw inzage aan de man moet geven in het saldo op haar bankrekening op 25 november 2022 en dat een positief saldo bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld en dat een negatief saldo bij helfte door partijen moet worden gedragen. Tot slot is tussen partijen niet in geschil dat op de Israëlische bankrekeningen van de vrouw geen noemenswaardig saldo staat dat moet worden verdeeld.
2.9.16.
Partijen hebben tijdens de zitting afgesproken dat de man de spaarrekeningen van de minderjarigen voortzet. De man zal de vrouw inzage verschaffen in de transacties op deze rekeningen, met name in de stortingen die de ouders van de vrouw op deze rekeningen hebben gedaan. De man zal vervolgens de door de ouders van de vrouw gestorte bedragen overmaken op de spaarrekeningen van de minderjarigen die de vrouw recent voor hen heeft geopend. De rechtbank vertrouwt erop dat partijen zich aan deze afspraken zullen houden.
Echtelijke woning
2.9.17.
Tussen partijen is niet in geschil dat de echtelijke woning aan [adres] een eenvoudige gemeenschap betreft die tussen partijen moet worden verdeeld.
2.9.18.
Beide partijen willen de woning toebedeeld krijgen.
2.9.19.
De rechtbank ziet aanleiding om de echtelijke woning aan de man toe te delen en overweegt hiertoe als volgt. Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen over het te verrekenen vermogen acht de rechtbank het gezien de financiële situatie van de man aannemelijk dat hij de overname van de woning kan financieren. Het bedrag dat de man aan de vrouw moet betalen is vele malen lager dan het bedrag dat de vrouw aan de man zou moeten betalen bij overname van de woning. De vrouw heeft ter zitting niet kunnen aangeven of zij hiertoe financieel in staat is. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat de minderjarigen ook een substantieel deel van de tijd bij de man verblijven. Het belang van de minderjarigen om in hun vertrouwde omgeving te blijven wonen, wordt gelet hierop ook gediend bij toedeling van de woning aan de man. De rechtbank begrijpt dat de vrouw tijd nodig heeft om andere woonruimte te vinden en gaat ervan uit dat de man haar hiervoor de tijd zal gunnen.
2.9.20.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor de waarde van de woning moet worden uitgegaan van € 550.00,-. Tegen deze waarde zal de rechtbank de echtelijke woning dan ook aan de man toedelen. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat zij nog een lening bij de moeder van de man hebben in verband met de aankoop van de woning, dat deze lening op 8 mei 2016 is afgesloten voor een bedrag van € 90.000,- en dat het openstaande bedrag op dit moment nog € 28.848,- bedraagt. Het openstaande bedrag van € 28.848,- dient in mindering te worden gebracht op de waarde van de woning en de man dient deze lening als een eigen schuld te dragen en te voldoen.
2.9.21.
Het voorgaande zou betekenen dat de man een bedrag van € 260.576 aan de vrouw zou dienen te vergoeden in verband met overbedeling.
2.9.22.
De man stelt echter dat hij vanuit vermogen dat buiten de verrekening dient te blijven heeft geïnvesteerd in de echtelijke woning. Deze bedragen wil hij eerst terugontvangen uit de overwaarde van de woning. Van het resterende bedrag dient de man dan de helft aan de vrouw te vergoeden.
2.9.23.
De man stelt allereerst dat hem een bedrag van € 242.500,- toekomt. In dit verband licht de man toe dat hij blijkens de staat van aanbrengsten bij de huwelijkse voorwaarden een appartement aan de [adres] bezat. Dit appartement is nadien verkocht voor € 242.500,- en deze verkoopopbrengst heeft de man aangewend voor de aankoop van de echtelijke woning. Het bedrag van € 242.500,- valt volgens de man op grond van de huwelijkse voorwaarden buiten het te verrekenen vermogen.
2.9.24.
De vrouw erkent dat de man de verkoopopbrengst van zijn appartement van € 242.000,- heeft aangewend voor de aankoop van de echtelijke woning. De vrouw betwist echter dat dit bedrag buiten het te verrekenen vermogen valt. Blijkens de staat van aanbrengsten behoort het appartement van de man immers tot het persoonlijk vermogen van de man, maar in de huwelijkse voorwaarden staat niet vermeld dat hetgeen hiervoor in de plaats komt ook buiten het te verrekenen vermogen blijft. Daarbij zou de vrouw dit ook een onredelijke uitkomst vinden.
2.9.25.
De rechtbank overweegt als volgt.
2.9.26.
Op grond van artikel 1:87, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, ontstaat een plicht tot vergoeding voor een echtgenoot als die echtgenoot ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een goed verkrijgt dat tot zijn eigen vermogen zal behoren.
2.9.27.
Op grond van artikel 3 vanPro de huwelijkse voorwaarden van partijen zijn de echtgenoten, voor zover niet anders bepaald, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, ten bedrage van of naar de waarde ten dage van de onttrekking. Deze vergoedingen zijn terstond opeisbaar.
2.9.28.
Vast staat dat € 242.500,- van het privévermogen van de man is aangewend voor de aankoop van de echtelijke woning, die vervolgens voor de helft tot het vermogen van de vrouw is gaan behoren. Dat brengt met zich dat de vrouw in beginsel verplicht is dat bedrag aan de man te vergoeden. Dat kan anders worden indien die € 242.500,- vervolgens tot het vermogen van de man behoort dat moet worden betrokken bij de finale verrekening van het vermogen van partijen.
2.9.29.
In dit verband is van belang dat in artikel 9, tweede lid, van de huwelijkse voorwaarden vermeld staat dat buiten de verrekening blijft alles wat krachtens erfrecht of door schenking is verkregen, de opbrengst van een en ander en wat voor een en ander in de plaats is gekomen, alsmede al hetgeen is vermeld op na te melden staat van aanbrengsten. Op de staat van aanbrengsten staat aan de zijde van de man het appartement aan de
[adres] vermeld.
2.9.30.
De rechtbank stelt vast dat het voor de vraag hoe de huwelijkse voorwaarden moeten worden uitgelegd niet alleen gaat om de taalkundige betekenis van de bewoordingen die bij het maken van de afspraak zijn gebruikt, maar ook om de zin die partijen in de gegeven omstandigheden daaraan redelijkerwijs mochten toekennen en om hetgeen ze dienaangaande over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (het zogenoemde Haviltex-criterium). De rechtbank is op grond van stukken en hetgeen ter zitting is besproken van oordeel dat het gelet op de tekst van de huwelijkse voorwaarden en de reden van partijen om huwelijkse voorwaarden op te stellen de bedoeling was dat ook de verkoopopbrengst van het appartement van de man buiten het te verrekenen vermogen zou blijven en dat dit voor de vrouw voldoende duidelijk had moeten zijn. De tekst van artikel 9, tweede lid, van de huwelijkse voorwaarden impliceert dat ook hetgeen in de plaats is gekomen van de zaken die staan vermeld op de staat van aanbrengsten buiten de verrekening blijven en tijdens de zitting heeft de man onbetwist toegelicht dat het bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden de bedoeling van partijen was om aan beide zijden het familievermogen (dat aan de zijde van de man onder andere was geïnvesteerd in het appartement van de man) privé te houden. Dit betekent dat de man met niet te verrekenen vermogen heeft geïnvesteerd in de echtelijk woning zodat hij naar het oordeel van de rechtbank een vergoedingsrecht houdt van € 242.500,-. Dit bedrag kan bij de verdeling van de echtelijke woning worden verrekend met het aandeel van de vrouw in de overwaarde. De vrouw heeft weliswaar gesteld dat deze uitkomst niet redelijk is, maar heeft daarvoor geen onderbouwing gegeven.
2.9.31.
Voorts stelt de man dat hem een bedrag van € 61.152,- toekomt. In dit verband licht de man toe dat hij schenkingen van zijn moeder heeft ontvangen en dat hij met dit bedrag heeft afgelost op de lening van partijen bij zijn moeder in verband met de aankoop van de echtelijke woning van € 90.000,-.
2.9.32.
De vrouw voert hiertegen verweer en stelt dat op de lening bij de moeder van de man is afgelost met gezamenlijke gelden. Volgens de vrouw werden de periodieke betalingen vanuit de gezamenlijke bankrekening gedaan en boekte de man regelmatig substantiële bedragen over van de gezamenlijke bankrekening naar zijn privé bankrekening. Ook betwist de vrouw dat de schenkingen van de moeder van de man in privé aan de man zijn gedaan. Zij stelt dat de schenkingen zijn gedaan ten behoeve van de leningen die partijen samen zijn aangegaan bij de moeder van de man voor de financiering van de echtelijke woning.
2.9.33.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de door de man overgelegde afschriften van de en/of bankrekening van partijen met nummer [rekeningnummer] blijkt dat de moeder van de man zowel op 2 maart 2022 als op 3 maart 2022 een bedrag van € 25.000,- heeft overgemaakt met de omschrijving ‘schenking voor woning’. Vervolgens is op 3 maart 2022 een bedrag van € 50.000,- vanuit deze bankrekening overgemaakt naar de bankrekening van de moeder van de man met de omschrijving ‘ [omschrijving] ’. De rechtbank acht gelet hierop voldoende aangetoond dat met het bedrag van de schenkingen van de moeder van de man van twee keer € 25.000,- en dus tot een bedrag van € 50.000,- is afgelost op de lening van partijen bij de moeder van de man. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of de schenkingen aan de man zijn gedaan en daarom buiten het te verrekenen vermogen moeten blijven. De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat de schenkingen zijn gedaan op de en/of rekening van partijen, onder vermelding van de tekst: schenking voor woning. De woning is gezamenlijk eigendom van partijen. Vervolgens zijn van dezelfde rekening aflossingen op de lening die partijen gezamenlijk zijn aangegaan bij de moeder van de man overgeboekt naar de rekening van de moeder van de man. Onder die omstandigheden heeft de man naar het oordeel van de rechtbank, gezien de betwisting van de vrouw, onvoldoende onderbouwd dat de schenkingen slechts aan hem waren gedaan en dus buiten het te verrekenen vermogen dient te blijven.
Van de overige door de man gestelde aflossingen op de lening van in totaal € 11.152,- kan de rechtbank niet vaststellen of deze zijn gedaan met schenkingen van de moeder van de man. Een groot deel van de aflossingen is maandelijks vanaf de gezamenlijke rekening van partijen gedaan. Die rekening werd gevoed door beide partijen, onder andere door storting van hun salarissen op die rekening. Voor zover de man de aflossingen heeft gedaan van de bankrekening op zijn naam heeft de man ter zitting erkend dat hij regelmatig bedragen overboekte van de gezamenlijke bankrekening naar zijn privé bankrekening. Aldus is niet duidelijk of de aflossingen zijn gedaan met privé vermogen van man afkomstig uit schenkingen en aldus met niet te verrekenen vermogen, of met te verrekenen vermogen van de man en/of vermogen van de vrouw. Het voorgaande betekent dat de man op dit punt geen vergoedingsrecht heeft.
2.9.34.
Het bovenstaande komt erop neer dat op de waarde van de woning van € 550.00,- eerst de resterende lening bij de moeder van de man van € 28.848,- in mindering moet worden gebracht en vervolgens het vergoedingsrecht van de man van in totaal € 242.500,- in mindering moet worden gebracht. Het resterende bedrag van € 278.652,- dienen partijen bij helfte te delen zodat de man in verband met de toedeling van de echtelijke woning aan hem nog een bedrag van € 139.326,- moet vergoeden aan de vrouw in verband met overbedeling.
Legaat
2.9.35.
De rechtbank constateert dat de man in de bijlagen bij zijn stukken nog heeft opgemerkt dat uit een legaat van zijn grootmoeder van € 17.901,- de dakkapellen op de echtelijke woning zijn gefinancierd. Nu de man op dit punt geen verzoek aan de rechtbank heeft voorgelegd, zal de rechtbank zich hierover verder niet uitlaten.
3.De beslissing
De rechtbank:
3.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [gemeente] op [huwelijksdatum] ;
3.2.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , en
- [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .
bij de vrouw zal zijn;
3.3.
stelt een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast waarbij voornoemde minderjarigen als volgt bij de man verblijven:
- elke week van maandag uit school tot woensdag naar school;
- één keer in de twee weken een weekend van vrijdag uit school tot maandag naar school;
- de helft van alle vakanties van meer dan één week en de overige vakanties in onderling overleg te verdelen;
3.4.
bepaalt ten aanzien van de paspoorten en identiteitskaarten van voornoemde minderjarigen het volgende:
- de Nederlandse paspoorten zullen in beheer zijn bij de man;
- de Israëlische paspoorten zullen in beheer zijn bij de vrouw;
- de Nederlandse identiteitskaarten (nog aan te vragen) zullen in beheer zijn bij de vrouw;
- indien de vrouw de Nederlandse paspoorten nodig heeft voor een reis met de minderjarigen buiten Europa dan dient de man deze tijdig aan haar te overhandigen;
3.5.
bepaalt dat de man met ingang van 12 februari 2026 bij vooruitbetaling een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen van € 115,- per kind per maand aan de vrouw dient te betalen;
3.6.
bepaalt dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand bij vooruitbetaling een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 30,- per maand aan de vrouw dient te betalen;
3.7.
bepaalt dat de vrouw inzage aan de man moet verschaffen in het saldo op haar bankrekening met nummer [rekeningnummer] op 25 november 2022 en dat een positief saldo bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld en dat een negatief saldo bij helfte door partijen moet worden gedragen;
3.8.
bepaalt ten aanzien van de verdeling van de echtelijke woning aan [adres] het volgende:
- deelt de echtelijke woning toe aan de man tegen een waarde van € 550.000,-
- bepaalt dat op deze waarde in mindering strekt de nog resterende lening bij de moeder van de man € 28.848,- en dat de man deze lening als een eigen schuld dient te dragen en te voldoen;
- bepaalt dat op deze waarde in mindering strekt het vergoedingsrecht van de man van in totaal € 242.500,-;
- bepaalt dat de man een bedrag van € 139.326,- aan de vrouw moet vergoeden in verband met overbedeling;
3.9.
verklaart deze beslissing, behoudens de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad;
3.10.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.C. Horio op 12 februari 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 RvPro openlijk bekend is gemaakt.