ECLI:NL:RBNHO:2026:1187

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/15/370127/HA ZA 25-640
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:401 BWArt. 7:411 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van vrijwaring voor financieel adviseur in geschil over bemiddelingsovereenkomst

In deze civiele bodemzaak vordert FundingBase betaling van een bedrag wegens een voortijdig beëindigde bemiddelingsovereenkomst met MOC. MOC vordert in een incident tot vrijwaring dat haar financieel adviseur, handelend onder een bedrijfsnaam, wordt opgeroepen om eventuele schade te vergoeden.

FundingBase betwist de vrijwaring en voert onder meer aan dat MOC onvoldoende heeft onderbouwd dat er een rechtsverhouding bestaat met de adviseur die een verhaalsrecht oplevert, en dat het incident de procedure onnodig vertraagt. De rechtbank overweegt dat voor toewijzing van vrijwaring voldoende is dat MOC zich met redenen beroept op een rechtsverhouding die de derde verplicht de nadelige gevolgen te dragen.

De rechtbank oordeelt dat MOC voldoende heeft gesteld dat de adviseur als professioneel financieel adviseur tekort is geschoten in zijn zorgplicht, en dat dit een grond kan zijn voor verhaal. De mogelijke vertraging en belangenverstrengeling door het optreden van de adviseur als getuige vormen geen reden tot afwijzing. De proceskosten van het incident worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank wijst het incident tot vrijwaring toe en compenseert de proceskosten tussen partijen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/370127 / HA ZA 25-640
Vonnis in incident van 11 februari 2026
in de zaak van
FUNDINGBASE B.V.,
te Doetinchem,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: FundingBase,
advocaat: mr. P.F.M. Langenhof,
tegen
MO.C. ASSET MANAGEMENT B.V.,
statutair gevestigd te Haarlem en kantoor houdende te Cruquius,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: MOC,
advocaat: mr. R. Vos.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met producties 1 tot en met 15
  • het herstelexploot van 7 oktober 2025
  • de incidentele conclusie tot vrijwaring met producties 1 tot en met 6
  • de conclusie van antwoord in het vrijwaringsincident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
FundingBase vordert in de hoofdzaak primair en subsidiair veroordeling van MOC tot betaling van een bedrag van € 40.837,50 (inclusief btw) en meer subsidiair tot betaling van een bedrag van € 36.753,75 (inclusief btw), te vermeerderen met rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
2.2.
FundingBase legt aan haar vorderingen ten grondslag dat tussen partijen een bemiddelingsovereenkomst tot stand is gekomen, strekkende tot advisering en bemiddeling bij het verkrijgen van een financiering voor een bouwproject aan de Jan van Eijckstraat 31-2 in Amsterdam, dat MOC deze overeenkomst voortijdig heeft beëindigd, en dat MOC op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden van FundingBase, althans artikel 7:411 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) het gehele door FundingBase voor de uitvoering van de opdracht geoffreerde bedrag aan haar moet betalen. Meer subsidiair maakt FundingBase aanspraak op een redelijk loon op grond van artikel 7:411 lid 1 BW Pro, welk redelijk loon zij vaststelt op 90 % van het geoffreerde bedrag.
2.3.
MOC vordert in het incident dat haar wordt toegestaan [betrokkene], handelend onder de naam ‘[bedrijf]’ (hierna: [betrokkene]) in vrijwaring op te roepen. Indien de vorderingen van FundingBase in de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk worden toegewezen is [betrokkene] volgens MOC namelijk gehouden die vorderingen te voldoen danwel die aan MOC te voldoen. MOC legt hieraan ten grondslag dat [betrokkene] voor haar is opgetreden als professioneel financieel adviseur die haar zou begeleiden bij het verkrijgen van een financiering ter herfinanciering en ontwikkeling van de aan MOC in eigendom toebehorende onroerende zaak aan de Jan van Eijckstraat in Amsterdam. Op grond van artikel 7:401 BW Pro moest [betrokkene] bij zijn werkzaamheden de zorg van een redelijk handelend en redelijk bekwaam adviseur en opdrachtnemer betrachten. MOC betoogt dat [betrokkene] niet aan deze verplichting heeft voldaan, met name doordat [betrokkene] MOC niet heeft gewezen op de mogelijke gevolgen van ondertekening van de offerte van FundingBase danwel door MOC niet in overweging te geven jegens FundBase een (schriftelijk) voorbehoud te maken, aldus MOC.
2.4.
FundingBase concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van MOC in haar vordering, althans tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van MOC in de proceskosten van het incident. FundingBase voert hiertoe ten eerste aan dat MOC niet heeft voldaan aan haar stelplicht, omdat zij volstaat met een summiere en niet nader onderbouwde stelling dat tussen haar en [betrokkene] een rechtsverhouding bestaat, onvoldoende heeft gemotiveerd dat die rechtsverhouding een verhaalsrecht meebrengt en onvoldoende heeft geconcretiseerd en gespecificeerd op welke grondslag zij meent schade op [betrokkene] te kunnen afwentelen. FundingBase voert ten tweede aan dat de vordering van MOC tot oproeping van [betrokkene] in vrijwaring kennelijk (mede) gericht is op vertraging van de procedure en dat de hoofdzaak door de vrijwaringsprocedure onnodig wordt vertraagd, hetgeen in het nadeel is van FundingBase. Volgens FundingBase staat de aldus veroorzaakte vertraging op gespannen voet met de goede procesorde. Daarbij wordt de positie van [betrokkene] als mogelijke getuige in de hoofdzaak onnodig complex; indien [betrokkene] als partij in een vrijwaringsprocedure wordt betrokken wordt hierdoor mogelijk de zuiverheid van zijn eventuele getuigenverklaring aangetast, wat de waarheidsvinding niet ten goede komt, aldus FundingBase.
2.5.
De rechtbank overweegt als volgt. Voor toewijzing van een incidentele vordering tot vrijwaring is vereist dat de gewaarborgde (MOC) zich in een met redenen omklede conclusie beroept op een rechtsverhouding met een derde, die meebrengt dat die derde verplicht is om de nadelige gevolgen van de beslissing in de hoofdzaak tegen de gewaarborgde te dragen. Het bestaan van die rechtsverhouding behoeft in het vrijwaringsincident niet te worden aangetoond.
2.6.
De rechtbank is van oordeel dat hetgeen MOC heeft aangevoerd voldoende is om de vrijwaring toe te staan, omdat de aangevoerde gronden die vordering kunnen dragen. De rechtbank zal de verzochte vrijwaring daarom toewijzen. Hetgeen FundingBase heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan FundingBase betoogt heeft MOC voldoende onderbouwd gesteld welke rechtsverhouding er tussen haar en [betrokkene] bestaat en op grond waarvan zij meent haar eventuele schade op [betrokkene] te kunnen verhalen. MOC heeft immers gesteld dat [betrokkene] haar professioneel financieel adviseur was en dat hij haar niet heeft gewezen op de mogelijke gevolgen van ondertekening van de offerte van FundingBase danwel MOC niet in overweging heeft gegeven jegens FundBase een (schriftelijk) voorbehoud te maken. Of en in hoeverre een en ander komt vast te staan zal verder in de vrijwaringszaak moeten worden uitgemaakt. Dat de mogelijkheid bestaat dat [betrokkene] als getuige moet optreden terwijl hij zelf ook belanghebbende is, is nu eenmaal inherent aan zijn rol in het geheel en vormt geen reden om de verzochte vrijwaring af te wijzen. Dat de procedure door dit vrijwaringsincident vertraging oploopt is inherent aan een dergelijk incident. Hetgeen FundingBase in dit verband heeft aangevoerd leidt niet tot de conclusie dat MOC door opwerping van dit incident in de gegeven omstandigheden in strijd met de goede procesorde handelt.
2.7.
Naar het oordeel van de rechtbank kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zal de rechtbank de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
staat toe dat
[betrokkene], handelende onder de naam “[bedrijf]”, gevestigd aan de [adres], door MOC wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van
11 maart 2026,
3.2.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
3.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
3.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
11 maart 2026voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.
1155