ECLI:NL:RBNHO:2026:1099

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
2 januari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
11731752 BM VERZ 25-1103
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • E. Jonker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:448 BWArt. 1:449 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek opheffing bewind en ontslag bewindvoerder wegens onvoldoende onderbouwing

Betrokkene verzocht primair om opheffing van het bewind en subsidiair om ontslag van de huidige bewindvoerder en benoeming van een opvolgende bewindvoerder. Hij stelde dat zijn omstandigheden waren verbeterd en hij zijn schulden zelf wilde oplossen. De bewindvoerder voerde verweer en stelde dat betrokkene nog steeds ondersteuning nodig heeft vanwege gebrek aan financieel inzicht en zijn geestelijke toestand.

De kantonrechter overwoog dat de gronden voor het bewind nog steeds bestaan. Betrokkene was bij de instelling van het bewind psychotisch en dakloos, en hoewel zijn situatie verbeterd is, woont hij nog niet zelfstandig en is de behandeling bij de GGZ niet afgerond. Betrokkene heeft onvoldoende onderbouwd dat het bewind niet langer noodzakelijk is. Tevens is niet gebleken dat de bewindvoerder haar taken niet goed uitvoert; de communicatieproblemen en het voortduren van schulden zijn onvoldoende om ontslag te rechtvaardigen.

De kantonrechter concludeerde dat betrokkene onvoldoende inzicht heeft in zijn financiën en dat het in zijn belang is dat het bewind blijft voortduren. Het verzoek tot opheffing van het bewind en het ontslag van de bewindvoerder werden daarom afgewezen. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof te Amsterdam.

Uitkomst: Verzoek tot opheffing bewind en ontslag bewindvoerder wordt afgewezen wegens voortbestaan noodzaak bewind en adequaat functioneren bewindvoerder.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer : 11731752 BM VERZ 25-1103 sc
dossiernummer : BM 65661
datum : 2 januari 2026
beschikking van de kantonrechter
op verzoek van:
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum],
[adres],
hierna ook te noemen: betrokkene,
met als bewindvoerder:
BeauFin B.V., Kvkno. 53654676,
postbus 9407, 1006AK Amsterdam,
hierna ook te noemen: bewindvoerder.

1.de procedure

1.1.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
  • het verzoek, ontvangen op 26 mei 2025;
  • de bereidverklaring van de voorgestelde opvolgende bewindvoerder;
  • de schriftelijke reactie van de huidige bewindvoerder, ontvangen op 8 juli 2025;
  • de mail van betrokkene van 16 augustus 2025.
1.2.
Het verzoek is mondeling behandeld op 11 november 2025.

2.beoordeling

2.1.
Het op 26 mei 2025 ontvangen verzoek strekte tot ontslag van de bewindvoerder en benoeming van de voorgestelde bewindvoerder. Ter zitting heeft verzoeker het verzoek gewijzigd in die zin dat hij thans primair opheffing van het bij beschikking van 14 april 2022 ingestelde bewind over de goederen die aan verzoeker (zullen) toebehoren op grond van zijn geestelijke of lichamelijke toestand verzoekt en subsidiair ontslag van de bewindvoerder en benoeming van de voorgestelde bewindvoerder. Betrokkene wil het restant van zijn schulden in tien maanden zelf oplossen. Hij werkt fulltime en hij helpt zijn familie. Ook is hij gestopt met het slikken van medicijnen, omdat hij niet weet waar de medicijnen voor zijn.
2.2.
De bewindvoerder staat niet achter het verzoek tot opheffing en voert aan dat betrokkene bij de aanvraag van het bewind psychotisch was en dakloos, dat het nu beter gaat met hem, maar hij nog wel in de maatschappelijke opvang zit in afwachting van een huis. De bewindvoerder is van mening dat ondersteuning nodig is, omdat betrokkene de administratie niet overziet. De bewindvoerder is bezig met het aflossen van de schulden. Ook is zij bezig met het opbouwen van een bedrag aan spaargeld. Dat is nodig om straks een woning te kunnen inrichten. Betrokkene ontvangt elke maand tussen de € 450,00 en
€ 1.000,00 aan leefgeld. Betrokkene geeft aan de bewindvoerder aan dat hij dat niet voldoende vindt en het geld is vaak binnen een week al op. Betrokkene wil niet overgaan op weekgeld.
2.3.
Subsidiair strekt het verzoek tot ontslag van de bewindvoerder en de benoeming van een opvolgend bewindvoerder. Hiertoe stelt betrokkene dat de communicatie tussen hem en de bewindvoerder verstoord is geraakt. Betrokkene kan niet overweg met de bewindvoerder, zij is onbereikbaar en als zij wel bereikbaar is, is zij heel onduidelijk in het beantwoorden van vragen. Ook stelt betrokkene dat er na drie jaar nog steeds schulden zijn, dat hij hard werkt om zo snel mogelijk van zijn schulden af te komen en dat een nieuwe bewindvoerder hierbij enorm zou helpen. Hij weet nu niet waar zijn geld naar toe gaat. Tot slot stelt betrokkene dat het niet juist is dat zijn verzoek gebaseerd zou zijn op zijn wens om meer geld te krijgen dan wat er beschikbaar is, zoals door de bewindvoerder is aangevoerd. Betrokkene is zich ervan bewust dat hij niet meer geld kan uitgeven dan dat er binnenkomt.
2.4.
De bewindvoerder staat ook niet achter dit verzoek. De bewindvoerder voert aan dat als betrokkene stress heeft om geld, hij de wens krijgt om over te stappen. De bewindvoerder voert ook aan dat hij een aantal keer bij betrokkene op bezoek is geweest om het budgetplan uit te leggen en om uit te leggen dat er niet meer geld uitgegeven kan worden dan dat er binnenkomt. Betrokkene wil graag anderen helpen, zelfs als dat ten koste gaat van hemzelf. De bewindvoerder ziet dat betrokkene de gevolgen van deze keuzes niet kan overzien. Een andere bewindvoerder zal zijn financiële situatie er niet anders uit kunnen laten zien. Wel zou een Arabisch sprekende bewindvoerder makkelijker met betrokkene kunnen communiceren. Desondanks verwacht de bewindvoerder niet dat de spanning om de financiën dan zal afnemen. Door zijn draagkracht krijgt betrokkene de kosten van het bewind niet vergoed en er is geen recht op een schuldregeling. Uit eigen middelen kan hij de afsluit- en opstartkosten van een overstap niet dragen.
2.5.
De kantonrechter overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:449 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, het bewind opheffen.
2.6.
De kantonrechter is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat betrokkene in staat is om zijn financiële belangen zelf te behartigen. De gronden van het bewind bestaan nog altijd. De kantonrechter legt dit uit. Bij het verzoek tot instelling van het bewind had betrokkene psychische problematiek en was hij bij de GGZ aangemeld voor behandeling daarvan. Betrokkene was dakloos, had schulden en had geen financieel inzicht. De gemeente had zijn uitkering stopgezet omdat betrokkene niet voldeed aan de informatieplicht. De gemeente had bankafschriften opgevraagd maar betrokkene begreep niet hoe hij dat moest aanleveren. Via de daklozenopvang HVO Querido is betrokkene bij de bewindvoerder terechtgekomen.
Dat de omstandigheden bij betrokkene inmiddels dusdanig zijn veranderd dat bewind niet langer noodzakelijk is, heeft betrokkene onvoldoende onderbouwd. Betrokkene heeft niet aangetoond dat de behandeling bij de GGZ is afgerond en hij woont nog niet zelfstandig. Dat een bewind desondanks niet langer noodzakelijk is, is ook niet aannemelijk geworden. Betrokkene wil zijn eigen beslissingen nemen, maar gelet op zijn geestelijke of lichamelijke toestand is opheffing van het bewind niet in zijn belang. De noodzaak bestaat nog, want betrokkene vraagt telkens om extra geld, sluit leningen af, koopt op afbetaling en vraagt voorschotten op zijn salaris aan zijn werkgever, terwijl er nog sprake is van schulden. Hij gaat ook nieuwe schulden aan. De bewindvoerder heeft op de zitting toegelicht wat zij voor betrokkene heeft gedaan en nog wil doen. Betrokkene heeft op de zitting een aantal keer gezegd dat hij vindt dat de bewindvoerder hem alleen maar tegenwerkt. Hieruit concludeert de kantonrechter dat betrokkene onvoldoende beseft dat de werkzaamheden in zijn belang werden en worden verricht en dat hij dus onvoldoende inzicht heeft in zijn financiën.
De kantonrechter is er door dit alles niet van overtuigd dat betrokkene op dit moment zelf zijn financiële zaken kan behartigen. De kantonrechter zal het primaire verzoek tot opheffing van het bewind dan ook afwijzen.
2.7.
De kantonrechter zal nu het verzoek van verzoeker om de huidige bewindvoerder te ontslaan en in haar plaats een ander te benoemen beoordelen.
Op grond van artikel 1:448 lid 2 BW Pro ontslaat de kantonrechter de bewindvoerder als er sprake is van gewichtige redenen die dit ontslag rechtvaardigen.
2.8.
Verzoeker heeft niet voldoende onderbouwd en ook overigens is niet gebleken dat de huidige bewindvoerder in de zorg van een goed bewindvoerder is tekortgeschoten. De enkele stelling dat de communicatie tussen hen stroef verloopt, is onvoldoende om te kunnen spreken van gewichtige redenen op grond waarvan de bewindvoerder dient te worden ontslagen en een nieuwe bewindvoerder moet worden benoemd. Dat er nog schulden zijn, maakt ook niet dat de bewindvoerder haar werk niet goed uitvoert. De bewindvoerder heeft onbetwist aangegeven dat betrokkene geen schuldregeling wilde, omdat hij maandelijks meer geld wilde ontvangen. Betrokkene stelt in tien maanden de schulden zelf te willen aflossen. Volgens de bewindvoerder is dit niet haalbaar en niet in het belang van betrokkene. Betrokkene zit thans nog in de maatschappelijke opvang. Binnenkort krijgt hij waarschijnlijk een woning en er moeten financiële middelen zijn voor de inrichting. De kantonrechter acht dat in het kader van goed beheer van de financiën ook noodzakelijk. Dat betrokkene geen enkel bedrag wil sparen voor de inrichting van de woning, maakt dit niet anders. Naar het oordeel van de kantonrechter is dus niet gebleken dat de bewindvoerder haar taken niet goed uitvoert. De kantonrechter zal het subsidiaire verzoek dan ook afwijzen.

3.beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Jonker, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam:
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.