ECLI:NL:RBNHO:2026:1071

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
15/400667-24
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen poging overval op telefoonwinkel met voorwaardelijke straf en taakstraf

De rechtbank Noord-Holland heeft op 5 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die samen met een ander op 25 september 2024 een poging tot overval op een telefoonwinkel in Heerhugowaard heeft gepleegd. De verdachte liep met bedekt gezicht de winkel binnen, richtte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op een medewerker en bedreigde deze, maar de overval werd niet voltooid omdat de verdachte en zijn mededader wegvluchtten.

De rechtbank achtte het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, mede op basis van de bekennende verklaring van de verdachte en proces-verbalen van aangifte en bevindingen. De poging tot diefstal met bedreiging door twee of meer personen werd als strafbaar aangemerkt. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 240 uur, mede vanwege zijn jeugdige leeftijd, persoonlijke omstandigheden en positieve ontwikkeling onder begeleiding van de reclassering.

Daarnaast werd de verdachte veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding van €2.500,- aan de benadeelde partij, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het incident. De rechtbank legde een locatieverbod op voor het winkelcentrum Middenwaard en stelde bijzondere voorwaarden aan de proeftijd, waaronder meldplicht en dagbesteding. De verdachte werd hoofdelijk aansprakelijk gesteld samen met zijn mededader voor de schadevergoeding en proceskosten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 6 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met proeftijd, 240 uur taakstraf en schadevergoeding van €2.500,- aan benadeelde partij.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/400667-24 (P)
Uitspraakdatum: 5 februari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 januari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] op [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M. Lenderink en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. T. Novakovic, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij samen met een ander heeft geprobeerd om een telefoonwinkel in Heerhugowaard te beroven.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 25 september 2024 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een of meerdere telefoons en/of een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde 2], te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)
- met bedekt gezicht en/of bedekkende kleding de winkel in is gelopen en/of
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [benadeelde 2] heeft gericht en/of
- (daarbij) op dreigende toon heeft geroepen 'hou je mond', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of
- op dreigende toon heeft geroepen dat die [benadeelde 2] moest knielen en/of zijn handen omhoog moest doen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt op grond van de inhoud van de hierna te noemen bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Aangezien de verdachte het bewezenverklaarde feit heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en door of namens hem hiervan geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opgave van deze bewijsmiddelen, namelijk:
- de bekennende verklaring van de verdachte, ter terechtzitting van 22 januari 2026 afgelegd;
- een proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 2] van 25 september 2024 (dossierpagina 33 e.v.);
- een proces-verbaal van bevindingen van 2 oktober 2024 (dossierpagina 15 e.v.).
De hiervoor genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door
personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde
eisen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat
hij op 25 september 2024 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om telefoons en/of een geldbedrag, die geheel aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2], toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze diefstal te doen vergezellen en/of te doen volgen van bedreiging met geweld tegen [benadeelde 2], te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en de andere deelnemer aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte en/of zijn mededader
- met bedekt gezicht de winkel in zijn gelopen en
- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [benadeelde 2] heeft gericht en
- op dreigende toon heeft geroepen dat die [benadeelde 2] zijn handen omhoog moest doen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
poging tot diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Zij heeft gevorderd aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden, aangevuld met een locatieverbod voor het winkelcentrum Middenwaard in Heerhugowaard.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht bij een strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, alsmede met de omstandigheid dat de verdachte een kleinere rol dan de medeverdachte heeft gehad. Ook wijst de raadsvrouw erop dat de verdachte tijdens de overval is weggerend, omdat hij de overval niet meer wilde plegen. De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ertoe zal leiden dat de verdachte zijn inmiddels opgebouwde stabielere leven en de begeleiding die hij op dit moment krijgt van de reclassering zal verliezen. De raadsvrouw heeft daarom verzocht aan de verdachte een taakstraf op te leggen. Ook heeft zij verzocht rekening te houden met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht het locatieverbod te beperken tot de winkel [benadeelde 1] in Heerhugowaard.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft samen met een mededader geprobeerd een gewapende overval te plegen op de winkel [benadeelde 1] in Heerhugowaard. Met hun gezichten bedekt zijn zij de winkel binnengegaan, waarbij aan de eigenaar en een medewerker een op een vuurwapen gelijkend voorwerp is getoond. Toen de eigenaar opstond en naar de uitgang rende, is eerst de verdachte en later ook de mededader weggerend en is de overval mislukt. De verdachte en zijn mededader hebben een voor de aanwezigen in de winkel zeer bedreigende situatie gecreëerd. Het spreekt voor zich dat de poging tot een overval voor de slachtoffers een bijzonder ingrijpende ervaring is geweest. De verdachte heeft deze gevolgen kennelijk op de koop toe genomen en heeft zich laten leiden door zijn eigen financieel gewin. Strafbare feiten als deze zorgen voor gevoelens van onveiligheid in onze maatschappij.
De rechtbank rekent de verdachte het bewezen verklaarde feit daarom ernstig aan.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank onder meer acht geslagen op het strafblad van de verdachte (de justitiële documentatie van 11 december 2025). Daaruit blijkt dat hij niet eerder was veroordeeld voor een soortgelijk misdrijf. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 12 december 2025. Dit houdt onder meer het volgende in. Aan het bewezenverklaarde feit lag een financieel motief ten grondslag. Daarnaast ontbrak het de verdachte in die periode aan een toekomstperspectief en reageerde hij veelal impulsief. Inmiddels lijkt hij in staat om verstandiger keuzes te maken en stelt hij zich begeleidbaar op bij het re-integratieprogramma van de Vinkebrug en bij de reclassering. De verdachte heeft een duidelijker toekomstperspectief, een vaste dagstructuur, een uitkering en beschermingsbewind aangevraagd. Hij is schuldbewust en geeft blijk van probleembesef, wat als beschermende factor kan worden beschouwd. Risicofactoren voor delictgedrag vormen zijn sociale netwerk en zijn neiging om zich, bij tegenslag, te snel te laten ontmoedigen. Dit zijn, naast de praktische ondersteuning, onderwerpen van gesprek in de begeleiding door de Vinkebrug en de reclassering. Bij een bewezenverklaring wordt geadviseerd een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, waaraan een meldplicht en een inspanningsverplichting ten aanzien van een vaste dagbesteding verbonden worden.
Op te leggen straf
Gezien de ernst van de feiten kan naar het oordeel van de rechtbank in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hierin wordt voor het plegen van een overval op een bedrijf een gevangenisstraf van twee jaar als uitgangspunt genomen. Het vertrekpunt bij een
pogingtot een overval is twee derde deel daarvan. Daartegenover staat dat de rechtbank ook oog heeft voor de persoon van de verdachte en de positieve stappen die hij inmiddels heeft gezet. Gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, alsmede zijn jeugdige leeftijd, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals geëist door de officier van justitie, op dit moment niet passend. Gezien het advies van de reclassering lijkt de verdachte een positieve ontwikkeling te hebben doorgemaakt en werkt hij op dit moment hard om een delictvrij leven op te bouwen. De rechtbank acht het van belang deze ontwikkeling niet te doorkruisen met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, onder de voorwaarden die de reclassering heeft genoemd en het locatieverbod dat de officier van justitie heeft gevorderd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient ertoe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden moet worden opgelegd. De rechtbank zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaar. Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte de hoogst mogelijke taakstraf van 240 uur opleggen.

7.Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.500,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en gesteld dat de verdachte hoofdelijk tot vergoeding van de schade moeten worden veroordeeld.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat deze onvoldoende is onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
Wettelijke grondslag
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW Pro mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. In dit geval is de vordering van de benadeelde partij op deze laatste grondslag gebaseerd, zo heeft de gemachtigde van de benadeelde partij ter terechtzitting gezegd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zo voor de hand liggen, dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade
.Bij de overval is een voorwerp dat op een vuurwapen lijkt op de benadeelde partij gericht en de overval vond plaats in zijn winkel, waardoor hij telkens aan de overval werd herinnerd. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat de overval grote impact heeft gehad op de benadeelde partij. Hij sliep ’s nachts nauwelijks, was continu alert en het verwerken van de gebeurtenis ging gepaard met veel frustratie en woede. Ook lichamelijk had het incident gevolgen voor de benadeelde partij. Hij raakte uitgeput en ontwikkelde pijn aan zijn rug, schouder en knie. Het is een feit van algemene bekendheid dat een overval gevoelens van onveiligheid veroorzaakt bij de slachtoffers. In een zaak als deze liggen de nadelige gevolgen zo voor de hand, dat de rechtbank een aantasting in de persoon aanneemt zonder dat de benadeelde partij daarvoor nadere gegevens dient over te leggen.
Hoogte van de immateriële schadevergoeding
De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank heeft hierbij gelet op de aard en ernst van het feit en de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegewezen. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse schaal. [1]
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 25 september 2024 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten
Daarnaast zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 2.500,- aan de Staat moet betalen.
Ook dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 september 2024 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 25 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Hoofdelijk aansprakelijk
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen (hoofdelijk) aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten (tot op heden begroot op nihil). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 63, 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij
een proeftijdvast van
2 (twee) jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden die gelden gedurende de proeftijd
:
-
Meldplicht
De verdachte meldt zich bij Reclassering Nederland op het adres: Drechterwaard 102, 1824 DX te Alkmaar. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
-
Dagbesteding
De verdachte stelt zich meewerkend op ten aanzien van het re-integratieproject de Vinkebrug en spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of een vrijetijdsbesteding met een vaste structuur.
-
Locatieverbod
De verdachte bevindt zich niet in het winkelcentrum Middenwaard in Heerhugowaard. Het openbaar ministerie kan op verzoek van de reclassering dit locatieverbod (deels) laten vervallen. De politie ziet toe op handhaving van dit locatieverbod.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr toezicht te houden op de naleving van de eerste twee voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van
240 uren taakstrafdie bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door vier maanden hechtenis.
Vordering benadeelde partij [benadeelde 2]
Wijst de vordering van [benadeelde 2] geheel toe tot een bedrag van € 2.500,-.
Veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 september 2024 tot de dag van volledige betaling;
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 2] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte ook hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 2] aan de Staat € 2.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente 25 september 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 25 dagen gijzeling.
Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.
Bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.P.H.I. Cleerdin, voorzitter,
mr. J.M. Jongkind en mr. C.H. de Jonge van Ellemeet, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.B.A.F. Burggraaf,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 februari 2026.

Voetnoten

1.De Rotterdamse schaal is een voor de rechterlijke macht ontwikkeld hulpmiddel dat een overzicht biedt van in de praktijk toegewezen smartengeldbedragen en dat als doel heeft bij te dragen aan rechtsgelijkheid en consistentie bij het toekennen van immateriële schadevergoedingen.