De zaak betreft een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor door verzoeker tegen verweerder, een oogarts die tussen 2003 en 2008 de minderjarige dochter van verzoeker onder behandeling had. Verzoeker stelt dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld door een affectieve relatie te hebben gehad met de moeder van de minderjarige, wat schade zou hebben veroorzaakt.
De kantonrechter oordeelt dat verzoeker het verzoek slechts voor zichzelf heeft ingediend en niet namens de inmiddels meerderjarige dochter, noch daartoe gemachtigd is. De kantonrechter acht zich bevoegd omdat de schadevordering is beperkt tot € 25.000, wat binnen zijn competentie valt.
De kern van de afwijzing is dat de voorgenomen hoofdvordering geen kans van slagen heeft. Juridisch is een affectieve relatie tussen een arts en de partner van een patiënt niet onrechtmatig jegens de partner, ook niet als het de behandelend arts van het kind betreft. Verzoeker heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd en heeft niet duidelijk gemaakt welke schade hij heeft geleden.
Daarom wordt het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor afgewezen wegens gebrek aan belang en kansloze hoofdvordering. Verzoeker wordt veroordeeld in de proceskosten van € 500,00.