ECLI:NL:RBNHO:2025:9280

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 augustus 2025
Publicatiedatum
12 augustus 2025
Zaaknummer
11612821 \ CV FORM 25-1974
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 7 Verordening (EG) nr. 261/2004Artikel 5 lid 1 onder c Verordening (EG) nr. 261/2004Artikel 5 lid 1 onder i Verordening (EG) nr. 261/2004ECLI:EU:C:2017:359 (HvJEU 11 mei 2017, C-302/16)Artikel 20 lid 2 Verordening (EG) nr. 861/2007
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Compensatie toegekend voor geannuleerde vlucht wegens onvoldoende communicatie door reisbureau

De passagiers vorderden compensatie van de vervoerder wegens annulering van vlucht EC7813 van Amsterdam naar Rome op 26 maart 2023. De vervoerder stelde dat de annulering meer dan twee weken van tevoren was medegedeeld aan de passagiers via het reisbureau Flywise. De passagiers betwistten dat zij tijdig geïnformeerd waren.

De kantonrechter oordeelde dat de vervoerder voldoende had aangetoond dat het reisbureau tijdig was geïnformeerd, maar onvoldoende bewijs leverde dat het reisbureau deze informatie ook aan de passagiers had doorgegeven. De enkele stelling van de vervoerder werd niet aanvaard zonder nadere onderbouwing, zoals correspondentie tussen reisbureau en passagiers.

Daarom werd de compensatie van € 500,00 plus wettelijke rente toegewezen. Het verzoek tot buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing van incassowerkzaamheden. Proceskosten werden aan de vervoerder opgelegd. Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: De vervoerder is veroordeeld tot betaling van compensatie en wettelijke rente wegens onvoldoende bewijs van tijdige mededeling van de vluchtannulering aan de passagiers.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11612821 \ CV FORM 25-1974
Uitspraakdatum: 6 augustus 2025
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

1.[eiser 1]

2. [eiser 2]beiden wonende te [plaats]
verzoekende partijen
verder te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. C.E. Dupain (ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim)
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
EasyJet Europe Airline GmbH
gevestigd te Wenen, Oostenrijk
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. B. Koolhaas (BK Legal)
De zaak in het kort
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder verzocht vanwege een geannuleerde vlucht. De vervoerder voert aan dat hij de annulering meer dan twee weken van tevoren aan de passagiers heeft medegedeeld. De passagiers betwisten dit. De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder voldoende heeft onderbouwd dat hij de annulering heeft medegedeeld aan het reisbureau van de passagiers, maar dat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat het reisbureau de annulering vervolgens ook aan de passagiers heeft gecommuniceerd. Daarom slaagt het betoog van de vervoerder niet en wordt de verzochte compensatie toegewezen.

1.Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:
  • het vorderingsformulier (formulier A);
  • het verweerschrift.

2.De feiten

2.1.
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 26 maart 2023 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Rome, Italië, met vlucht EC7813 (hierna: de vlucht).
2.2.
De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.
2.3.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3.Het geschil

3.1.
De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
- € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 75,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten.
3.2.
De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,- per persoon. [1]
3.3.
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat hij de annulering ten minste twee weken voor de geplande vertrektijd van de vlucht aan de passagiers heeft medegedeeld. [2]

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
4.2.
Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat hij de annulering ten minste twee weken voor de geplande vertrektijd aan de passagiers heeft medegedeeld. Het Hof heeft geoordeeld dat een luchtvaartmaatschappij ook verplicht is compensatie te betalen in het geval waarin de luchtvaartmaatschappij de annulering wel (tijdig) heeft medegedeeld aan een reisbureau, maar het reisbureau vervolgens de passagiers niet (tijdig) heeft geïnformeerd. [3]
4.3.
De vervoerder stelt dat hij de passagiers op 11 november 2022 op de hoogte heeft gesteld van de annulering. Op die dag heeft hij het reisbureau Flywise, waarbij de passagiers de tickets hadden geboekt, op de hoogte gesteld van de annulering. Flywise heeft de annulering vervolgens aan de passagiers doorgegeven. Ter onderbouwing verwijst de vervoerder naar een bevestiging van Flywise en een schermafdruk uit een intern systeem.
4.4.
De passagiers betwisten dit. Zij voeren aan dat zij niet door het reisbureau zijn geïnformeerd over de annulering.
4.5.
Het verweer van de vervoerder slaagt niet. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder weliswaar voldoende onderbouwd dat hij de annulering meer dan twee weken voor de geplande vertrektijd aan het reisbureau heeft medegedeeld, maar daaruit blijkt niet zonder meer dat het reisbureau de passagiers vervolgens ook op de hoogte heeft gesteld van de annulering. Dit laatste heeft de vervoerder onvoldoende onderbouwd. De enkele stelling dat het reisbureau dit wel heeft doorgegeven aan de passagiers is, gelet op de betwisting door de passagiers, daartoe onvoldoende. Het had op de weg van de vervoerder gelegen om dit nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door de correspondentie tussen het reisbureau en de passagiers in het geding te brengen. Dit betekent dat de door de passagiers verzochte compensatie zal worden toegewezen. De verzochte wettelijke rente over de hoofdsom is als anderszins onweersproken eveneens toewijsbaar.
4.6.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten verzocht. Omdat het onderhavige verzoek geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben niet gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het verzoek is dan ook niet toewijsbaar.
4.7.
De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder omdat deze grotendeels ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.
4.8.
Op verzoek van de passagiers zal een certificaat aan deze beschikking worden gehecht. [4]

5.De beslissingDe kantonrechter:

5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 26 maart 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op € 226,00 aan griffierecht en € 82,00 aan salaris gemachtigde, en veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 41,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt;
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open

Voetnoten

1.Artikel 7 van Pro de Verordening.
2.Artikel 5 lid Pro 1, onder c en onder i van de Verordening.
3.HvJEU 11 mei 2017, C-302/16, ECLI:EU:C:2017:359.
4.Zoals bedoeld in artikel 20 lid 2 van Pro de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2421 van 16 december 2015.