Partijen, vader en moeder, hebben een minderjarige zoon van 12 jaar met hoofdverblijfplaats bij moeder en een omgangsregeling waarbij de zoon om de week bij vader verblijft. Na een conflict tussen ouders is de omgang sinds 14 mei 2025 niet meer uitgevoerd en is contact tussen vader en zoon verbroken.
Vader vordert nakoming van de omgangsregeling, terwijl moeder verzoekt deze tijdelijk op te schorten vanwege het lopende hulpverleningstraject van de minderjarige en zijn wens niet naar vader te willen. De voorzieningenrechter oordeelt dat de omgangsregeling niet hoeft te worden opgeschort omdat de omgang in het belang van de minderjarige is en hij het fijn vindt om met zijn vader te zijn.
De omgang wordt vanaf 20 augustus 2025 geleidelijk hervat met enkele één-op-één momenten om de band te versterken, waarna de reguliere omgangsregeling weer wordt opgepakt. De vordering tot opschorting wordt afgewezen en een dwangsom wordt niet opgelegd. Proceskosten worden gecompenseerd.